Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Eén brein voor vele tegenstellingen

door Daan Stoffelsen, 6 juni 2007

Er is regen voorspeld, maar het is droog en zonnig, de grachten spiegelen ons vrolijk toe. Het percentage Belgen in Amsterdam is wat hoog. Dat was wel verwacht: een avond van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam nodigde een aantal Vlaamse auteurs uit om te praten over de vraag of de Belgen beter zijn. Een van hen is Bart Koubaa.
‘Die stichting, SLAA, fêteert ons met een hotel en vergoedt onze reis. Ik heb voor het eerst in mijn leven een suite! Met twee verdiepingen en een doosje bonbons.’
De bonbons worden tijdens ons gesprek meerdere malen aangeboden, aan mij, aan onze buurvrouw op het terras, en ten slotte aan de serveerster. Bart Koubaa is een gul man. Met bonbons, met complimenten, met theorieën, met gedachten, met woorden.

Polaroidfoto’s die het universum samenvatten
Als Koubaa zijn buurvrouw een bonbon heeft aangeboden – en zij hem afgeslagen heeft –, mengt een buurman zich in het gesprek. ‘U komt toch uit het Zuiden?’ ‘Ik kom van Gent.’ Hetzelfde Gent dat met zijn inktzwarte water het centrum van de wereld was in Koubaa’s nieuwste roman Het gebied van Nevski. Het kwam ook even aan bod in zijn Japanse boek Lucht (2005).
‘We waren net binnen Gent verhuisd naar een huis met een klein tuintje, met wat bloesem, en onze deur ernaartoe was een schuifdeur. En ik maakte op dat moment een boekenkast, zaagde en schuurde mijn eigen planken, precies als mijn hoofdpersoon Kudo Yamamoto. Het paste in het boek. Maar dat klopt ook, een boek is een blauwdruk van de hersenen van de schrijver in een bepaalde periode.
Als je dat vaststelt, dan moet je het onderscheid tussen een karakterroman en een ideeënroman, laten varen. Dat onderscheid is gedateerd: lichaam, ratio, emotie, het is één.’

‘Zo is Lucht opgebouwd rond haiku die al jaren in mijn hersenen ronddolen. De haiku gaat al heel lang mee, twintig jaar lang. Ik dacht makkelijk af te zijn met haiku bij een opdracht op mijn opleiding, om bij iets literairs foto’s te maken. Wat kon er simpeler zijn dan het kortste gedicht? Maar ik realiseerde me al snel dat er achter dat aanvankelijke polaroid-karakter, die momentopname gevangen in zeventien lettergrepen, een hele kosmologie schuilging. Om die haiku te begrijpen diende ik me noodgedwongen te verdiepen in de Japanse geschiedenis en het zenboeddhisme.
Als er al één onomstotelijke waarheid in dit universum geldt, is het wel dat alle leven één is, een conclusie waartoe de westerse wetenschap gekomen is en die in haiku te vatten is.
Moritakes “Zag ik een bloesem / naar zijn tak terugkeren? / Ach, ‘t was een vlinder” verklaart het hele universum, het is een soort E=mc².’

Mooie, onzinnige zinnen
Het gebied van Nevski heeft een minder lineaire ontstaansgeschiedenis.
‘Aanvankelijk schreef ik een essay rond Gent, maar mijn redacteur, mijn nieuwe redacteur toen, stond daar kritisch tegenover. Hij zocht me op in Gent, en was erg duidelijk. Hij zag meer een verteller, een romancier in mij dan een essayist en daagde me uit: maak een roman. En wat hij ook zei, was dat ik heel mooie zinnen schreef, maar dat hij niet begreep wat ik bedoelde. [alsof ook professor Van Nieuwenhuyze net nieuw in huis is, zegt hij hetzelfde in Het gebied van Nevski – DS]
Mijn goede vriend, aan wie Nevski is opgedragen, houdt zich al geruime tijd met de hersenen bezig, met de neurologische localisatie van het geweten in het bijzonder. Hij bracht me op het spoor van taalstoornissen. We bezochten een tentoonstelling in Parijs waar de hersenen van Monsieur Tan lagen, een man die een zo sterke vorm van hersenbeschadiging had dat hij slechts één nonsenswoord uit kon brengen, verder dan tantan raakte hij niet.
Ik raakte geïntrigeerd. Had ik niet een vorm van afasie? De Duitse neuroloog Brodmann heeft als het ware een atlas van 52 gebieden in de hersenen gemaakt waarvan gebied 17 verantwoordelijk is voor de visuele waarneming– ik gebruikte het in Lucht. Een ander gebied, ontdekt door Wernicke, speelt een belangrijke rol bij het begrijpen van taal. Iemand die afasie van Wernicke heeft klinkt volstrekt normaal, maar zegt of schrijft regelmatig de onzinnigste dingen. Toen ik dat las, en er de opmerking van mijn redacteur in herkende, begon het spel. Ik verliet het essay en verdiepte me in afasie. Een oude fascinatie voor Eisenstein bood het kader voor mijn vertelling, mijn onderzoek moet ik eigenlijk zeggen. Maar schrijven blijft een spel, daarin geef ik Grunberg gelijk [een profiel van Arnon Grunberg had die ochtend in de Volkskrant gestaan], schrijven is om je te amuseren, niet om te lijden.’

Koubaa denkt even na.
‘Het is wel erg vol, dit boek, en misschien is ook dat een weergave van onze hersenen. Ons brein is het slagveld van een constante darwinistische oorlog, waarin alles vecht, elk woord, elke herinnering. Nevski is wat dat betreft’ – Koubaa leest voor van zijn notitieboekje – ‘een literaire case-study, de neerslag van wat zich tijdens een bepaalde periode in iemands brein afspeelt, of het verslag van een neurologisch gevecht met als doel een bijdrage te leveren om te begrijpen hoe ons brein in zijn geheel werkt en hoe we er in slagen ons één te voelen ondanks alle tegenstrijdige gedachten, emoties en handelingen.’

De besten volgens Koubaa
Het is een formulering die een afsluitende punt verdient. We keren terug naar het hier en nu van deze avond. Zijn de Belgen beter?
‘De Belgen zijn anders. Om maar eens wat opvallends te noemen: we winnen amper literaire prijzen, we hebben geen Grunbergs in Vlaanderen. En tot voor kort hadden we ook geen allochtone auteurs die van zich lieten horen. Dat begint te veranderen , maar het is een belangrijk verschil.
De Belgen zijn niet beter, maar we hebben wel te maken met een nieuwe, sterke generatie. Waar de vorige generatie, de generatie-Brusselmans, de televisie gebruikte en misbruikte, zijn de jonge mensen, de dertigers, in stilte aan hun oeuvres bezig. David van Reybrouck, Peter Terrin, Erwin Mortier, Annelies Verbeke, ze schrijven gewoon boeken.
Maar goed, er zijn ook dertigers in Nederland, Wieringa’s, Weijtsen.’
En, de ultieme relativering: ‘Uiteindelijk ben ik ook een kwart Nederlands, door mijn grootvader, dat is volgens sommige definities al allochtoon.’

Leest Koubaa al zijn collega’s? Nee, moet hij bekennen. Er zijn andere auteurs voor Koubaa.
‘Ik ben wat vastgeroest in de klassiekers. Ze doen me vaak moderner voor dan de modernen. Ja, Haruki Murakami, dat is een nieuwe auteur van belang, een potentiële Nobelprijswinnaar. Een uiteenlopend oeuvre, dat klassiek is, modern, experimenteel…
Borges, Beckett, Boelgakov, Brodsky, Calvino. Kafka. Van Kafka verzamel ik De gedaantewisseling. Ik heb hem zelfs in het Japans. Ik lees geen Japans, maar als ik zou willen…
En dan Konrád en dichters, Kouwenaar bijvoorbeeld, die mag voor mij ook die Nobelprijs krijgen. Ik lees hoofdzakelijk non-fictie en ben voor een groot deel grootgebracht met film;, van Akira Kurosawa’s Rashomon heb ik enorm veel geleerd, ik zag in de montage van de film een metafoor voor hoe onze herinneringen werken.
Ik zal me nooit laten leiden door wat hoort, nooit de toptienen volgen. Ik heb mijn eigen kronkelingen, mijn eigen literatuur.’

Hij bedenkt opeens nog een aanvulling.
‘En Coetzee. Hij levert het bewijs dat schoonheid zich niet laat vangen. Deze man schrijft niet poëtisch, hij schrijft nuchter, maar kan je tot tranen roeren, choqueren, vormen. Ik schrijf het in Nevski over Firenze, en de haiku is een ander bewijs: schoonheid laat zich niet vangen. Schoonheid is een bijproduct van het alledaagse.’

De ontdekking van de frikadel speciaal
Het alledaagse is wel Koubaa’s basis. Na drie romans die ieder voor zich een eigen, gesloten universum vormden, maar niettemin zeer persoonlijk waren, werkt hij nu aan een paar maatschappelijker boeken. Meer dan uit zijn boeken bleek, is hij geëngageerd (‘mag je dat tegenwoordig weer zeggen?’). Hij en zijn vrouw doen aan buurtwerk, proberen ieders tralies voor de eigen vensters open te breken. Ze werken tegen de verzuring, en dat is heel hard nodig. En het helpt, ‘het marcheert wel’.

Het vertaalt zich nu in een boek.
‘Ik ben halverwege de roman De kannibaal, over een uitgebrande docent Nederlands die zich geconfronteerd ziet met allochtone leerlingen, jongens die het Noorden kwijt zijn, zich niet kunnen uitdrukken. Ik schrijf het in 120 hoofdstukken – ik heb wat met getallen, dat zal je wel gemerkt hebben -, zoals in Salo: honderdtwintig dagen.’

En dan is er het sluitstuk van de vier elementen. Vuur is niet meer verkrijgbaar, Lucht bijna niet meer, maar als Nevski als ‘Water’ mag tellen, dan kan (dichtbundel in spe) Verbouwingen.eu ‘Aarde’ zijn. Aarde, grond, is de voornaamste thematiek ervan. Maar een derde project maakt Koubaa’s tong het meeste los.
‘Het gaat iets heten als België-Nederland 0-0, een soort columns over de verschillen tussen onze landen. Het zal eind jaren zeventig zijn geweest dat ik de frikadel speciaal introduceerde in het Gentse. Ik ben misschien wel vier friettenten langsgeweest voor ik, als jongetje van tien, besloot stap voor stap uit te leggen hoe een frikadel speciaal er dan wel niet uitzag.
We hadden een caravan in Cadzand, ik keek hoofdzakelijk Nederlandse TV, Swiebertje, Van Duyn, De Mounties en later Wim Kayzer, met Konrád, Dennett, Gould, Brodski, Sacks. Ook daar ging het over de hersenen. En Koot & Bie natuurlijk.
Het moet een mengsel worden van luchtiger en diepgaandere verschillen, en ook, natuurlijk, over taal. Als ik je nu voorstel om morgen een eindje te gaan lopen, wat voor schoenen trek jij dan aan? Ik doe dan mijn hardloopschoenen aan.’

De realistische periode
‘Misschien is het gewoon een nieuwe periode in mijn schrijverschap, de realistische periode. Vorige zomer heb ik in een bank in Barcelona een film gezien van een Spaans kunstenaar die al filmend en pratend over de Venetiaanse kanalen gleed en vaststelde: “Ik kan alleen maar realist zijn.” Zo voelt dat nu ook.
Het is een evoluerend oeuvre, ik kronkel van Vuur, via Lucht naar Nevski, op zoek naar het ideale boek, en het ene boek is beter dan het andere. Misschien is dat logisch bij jonge schrijvers, misschien schrijf je constanter als oudere debutant. Neem nu Coetzee. Die debuteerde als een late dertiger, die heeft toch een heel stabiel oeuvre.
Goed, het zijn drie heel verschillende boeken, maar ze hebben dezelfde thema’s. Taal. Taal in het algemeen, heel sterk in Lucht, waar het mooie dingen als poëzie kan voortbrengen, maar ook gruwel en geweld: die tweede atoombom op Japan.
Getallen en het schrijven, dat zal ook blijven, en hersenen. Walt Whitman schreef ‘Do I contradict myself? / Very well, then, I contradict myself; / (I am large—I contain multitudes.)’, en dat is inderdaad wat we doen. We zijn één grote strijd van tegenstrijdigheden, en ergens in onze linkerhersenhelft zit een verhalenbouwer, iets, iemand die het samensmeedt tot één verhaal. Iets dat voor alles, hoe eigenaardig ook, een uitleg heeft.’

Hij vraagt zich af, het gesprek lang: wat maakt de mens uniek? Is het moraal, is het taal? Wat is de taal precies?
‘Steeds meer ontdek ik dat ik het niet kan, niet in staat ben om de complexiteit van de alledaagse werkelijkheid onder woorden te brengen.
De uiterste consequentie is stoppen, stoppen met schrijven, als Beckett tv-werk gaan maken, iets dat geen dans, geen theater of performance is, maar schrijven met mensen die in een wit vierkant figuren lopen. Het is heel gek, maar wel in de lijn van zijn werk. Het is eigenlijk Becketts schrijfwerk.
Aan de andere kant: taal is zo mooi. Het is het enige wat we hebben. En het merkwaardige is dat alles wat in onze taal geschreven is en nog geschreven zal worden een combinatie is van 26 letters.’


Een scène uit Eisensteins Aleksandr Nevsky.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.