Jowi Schmitz
elders op recensieweb
Vrouwen? Je kunt beter kippen houden
recensie van Leopold
recensie van Kus van je zus
Verspreid werk 2: Een grotere wereld door Armada (nummers 49, 50 en 51)
opiniestuk
Verlangen om te talen
door Eveline Vink, 29 augustus 2007
‘Met dank aan Koffiehuis Latei en Café Scharrebier voor de geborgenheid,’ staat er in het dankwoord achterin Kus van je zus, het nieuwe boek van Jowi (zeg: Djowi) Schmitz. Ik vroeg Jowi of we op een van deze plekken konden afspreken voor dit interview, ik wilde haar ‘schrijfcafé’ weleens zien.
Café Latei is een klein rommelig zaakje aan de Zeedijk, een paar panden bij Kees van Beijnums Nam Kee vandaan. Hoewel er geen twijfel kan bestaan over de functie van het zaakje – op de prominente balie staan een paar enorme huisgemaakte taarten naast de koffiemachine – zijn de schapjes op de muren gevuld met retro spullen die ook allemaal te koop zijn. Wie nog bruine plastic eierdopjes met oranje bloemetjes zoekt is er aan het juiste adres.
‘Ik moet het wel leren toelaten,’ zegt Jowi als ik vraag of ze het niet vervelend vindt met mij af te spreken op een van haar schrijfplekken. ‘De boekpresentatie vindt hier woensdag ook plaats.’ Het boek is al uit, inderdaad, maar de boekpresentatie moet ten tijde van dit interview nog komen. Na een interviewtje in damesblad Elle was er in de boekhandels naar Kus van je zus gevraagd, en hadden de boekhandels op hun beurt uitgeverij Cossee gebeld, waarop besloten werd het boek vervroegd vrij te geven. Een persberichtje in de gratis krant Dag deed de rest en de ‘stormloop’ was een feit, nog voor de presentatie kwam de tweede druk. ‘Ik ben nog nergens gaan kijken of ik het heb zien liggen,’ zegt Jowi, ‘ik doe gewoon tot woensdag of het er nog niet is. Bij mijn eerste boek was dat heel anders, toen kreeg ik op de presentatie het boek echt voor het eerst in handen. Er lagen stapels van in de etalage van de boekwinkel, heel spannend. Ik ging nog wel eens ergens naar binnen om mijn boek uit een kast te vissen en in het zicht te leggen.’
Leopold was in 2005 Schmitz’ romandebuut, daarvoor was ze onder andere theaterrecensente voor NRC Handelsblad. ‘Ik lees mijn teksten niet na. Bij stukken in de krant kijk ik even of bepaalde dingen goed staan, maar ik lees het niet. Mijn boeken heb ik na het uitkomen ook nooit meer gelezen. Ik ben veel te bang dat ik het slecht vind.’ Wel weet ze dat Kus van je zus veel beter is dan Leopold. ‘Nu heb ik leren schakelen zeg maar, de auto leren beheersen, Leopold was meer een kwestie van heel hard gas geven en proberen het stuur recht te houden. Het schrijfproces was ook heel anders.
Mijn debuut is ontstaan uit een acht pagina’s tellend portret van een man op een terras, het type man dat ik in Zuid-Spanje overal tegenkwam. Een oudere man, te bruin om toerist te zijn, beetje koloniaal aandoend in een wit linnen pak. Ik heb bij een activiteit van de bibliotheek eens een acteur meegenomen die zich voordeed als Leopold. Hij speelde zijn rol fantastisch, niemand had het door. Hij heeft een hele verhandeling gehouden over kippen en eieren, iedereen luisterde serieus, dat was heel grappig. Maar Leopold heb ik dus bedacht. Hij was een man die op een terras zat te somberen, hij wilde op niets ingaan, allerlei mensen en situaties stuurde ik op hem af, hij bleef gewoon zitten.
Kus van je zus is het portret van Vera, maar dat verhaal is zoveel verschillende kanten op gegaan voordat het dit werd. Steeds weer iets proberen en dan toch weer terug. Er zijn ook talloze personages gesneuveld om het verhaal helder te houden, sommige mis ik heel erg. Eentje staat zelfs in het dankwoord.’
Het schrijven van Kus van je zus was een intens proces. ‘Als ik fictie schrijf begin ik heel vroeg, om een uur of zeven. Ik pak mijn schrift, ik schrijf met vulpen in schriftjes die ik uit Amerika meebreng, en dan begin ik te schrijven, non-stop. Ik blijf gewoon doorschrijven, ik kan echt uren doorgaan.’ Ze laat me een schrift zien met vlinders op de kaft en een elastiek erom. De pagina’s zijn helemaal gevuld met haar regelmatige handschrift, smalle letters met lange uithalen naar boven en beneden. Nergens krassen of doorhalen, nergens witregels, je kunt uit het schrift al bijna opmaken dat hier onderweg niet gestopt wordt om te twijfelen.
De intensiteit van dat fictieschrijven was een reden om, nadat ze voor dit boek juist al het andere schrijfwerk had gestopt, er weer dingen bij te gaan doen. Nu schrijft ze weer theaterrecensies, voor de Volkskrant ditmaal, ze heeft een jeugdtheaterstuk geschreven en schrijft regelmatig freelance voor verschillende opdrachtgevers. Fictie blijft de hoofdzaak, de rest is voor de balans.
Als er tijd is, schrijft Jowi ook op haar weblog. Verhaaltjes, persoonlijke dingen over de verbouwing van haar boot of filosofisch getinte overwegingen over de stand van je gezicht. ‘Bijna iedereen die regelmatig reageert op dat weblog ken ik alleen via dat weblog en niet anders. Woensdag komen er een paar naar de boekpresentatie, best spannend.’ We raken in gesprek over hoe internet ruimte biedt aan al die schrijflustigen die nooit een uitgever vinden, ik vraag me af of internet nu juist een oplossing biedt, want men wordt gelezen, of juist de frustratie verergert, omdat iedereen online wel een paar fans kan vinden die roepen dat je het verdient uitgegeven te worden. ‘Gaat de drang om te schrijven altijd samen met talent, tja…’ vraagt Jowi zich hardop af.
Ze weet het niet, daarom vertelt ze over haar ervaringen tijdens de actie ‘Eerste hulp bij fictie’ die ze met collega Lonneke Kok hield in een grote boekhandel. ‘Mensen konden hun tekst van tevoren inleveren en dan op een bepaalde middag langs komen, dan gaven wij advies. Dan merk je dat echt niet iedereen het doel heeft om gepubliceerd te worden, sommige mensen willen gewoon schrijven, punt. Iemand die ik me goed herinner was een vrouw die een verhaal had ingeleverd dat overliep van de cliché’s. ‘Het lijkt wel of ze het spreekwoordenboek heeft overgeschreven,’ riep ik tegen mijn collega. Toen ze kwam, vroeg ik voorzichtig wat ze precies bedoelde met haar eerste zin. De uitleg die toen kwam was zo prachtig, en origineel! Ik zei: “Waarom heeft u dát niet opgeschreven?” “Maar dan begrijpt toch niemand het?” zei ze. Die vrouw is vast heel anders gaan schrijven daarna.’
Jowi piekert nog eens over de schrijfdrang-en-talentkwestie, en concludeert dat publicatie niet noodzakelijk is. Zij was ook blijven schrijven zonder een uitgever. ‘De kern van het schrijven is het schrijven zelf. Ik heb een ongelofelijk verlangen om te ‘talen’, verhalen te vertellen. Ik speelde vroeger viool, ik heb geschilderd, maar ik ben er mee opgehouden toen ik merkte dat ik nooit goed genoeg zou worden om te kunnen ‘talen’ wat ik wilde zeggen.’ Op mijn vraag of ze met schrijven ook gestopt zou zijn als het niet zou lukken: ‘Nee, ik heb het nu wel gevonden.’ Haar blik glanst en ze kijkt naar niks, alsof ze hier alleen zit. ‘Ik kan hier het einde niet van overzien.’
Liefde is volgens Schmitz het hoofdthema van Kus van je zus. Dat verbaast me, want de twee zussen Vera en Marrit zijn allesbehalve lief voor elkaar, en de relatie van Vera met haar vriend Herman is ook niet om jaloers op te worden. Jowi legt uit. ‘Als ik vroeger onderweg naar mijn ouders was, had ik een bepaald beeld van hoe het zou zijn als ik aankwam, wat we zouden doen samen. Het was nooit zo, want dan gebeurde er iets of ik zei wat puberaals, en op de terugweg was ik dan helemaal teleurgesteld. De liefde zit in dat beeld dat je hebt van een relatie, ook al komen zulke situaties in het echt zelden voor. De liefde is dat plaatje, want dat is wat je erbij voelt. Vera probeert voortdurend de wereld aan te passen aan wat ze wil dat hij is, ze wil dat plaatje bereiken, alles in balans houden. Dat is ook liefde.’
Ik roep een scène uit Kus van je zus in herinnering waarin de buurman met zijn arm in Vera’s wc zit om te proberen een verstopping te verhelpen. Ze lacht. ‘Grappig dat je daar over begint, dat is dus echt gebeurd. Een vriend van mij werd door zijn tachtigjarige buurvrouw gevraagd om even te komen kijken naar haar wc, want die was verstopt. Dan probeer je zo’n ‘maakt niks uit hoor’-blik te trekken, wat natuurlijk niet lukt.’ Ze steekt haar arm met een smerig gezicht in een denkbeeldige pot en steekt haar duim op naar de denkbeeldige eigenaar van de wc.
Er komt nog een vieze anekdote ter tafel. ‘Weet je wat ik eens heb gehoord? Dat Ruud Lubbers altijd in zijn neus zat te peuteren op zijn kantoor, en toen hij ging verhuizen bleek er een hele korst onder zijn bureau te zitten. Stel je voor! Als ik hier altijd in mijn neus zat te peuteren en dat dan hier…’ Ze wijst naar de tafel en gruwt. ‘Als je schrijft ben je eigenlijk altijd bezig met de viezere kanten van de mens. De minder fraaie dingen zijn het interessantst.’
Na twee romans voor volwassenen werkt Jowi nu aan een jeugdboek. ‘Ik denk tenminste dat het een jeugdboek wordt, het heeft het perspectief van een meisje van twaalf. Ik zag in Amerika ergens een boot staan in een tuin. Een grote boot, zomaar midden in een tuin. Er was geen haven of kust in de buurt ofzo, en daar stond gewoon een boot. Is die daar gebouwd, vraag ik me dan af, en heeft hij nog nooit water gezien? In mijn nieuwe boek woont een meisje in die boot, met haar vader die kapper is. Als haar vader een vriendin krijgt, gaat het meisje dat ‘oplossen’. Ik vind het leuk om een jeugdboek te schrijven, omdat je veel verder kunt gaan. Zo’n meisje kan veel wildere dingen bedenken om van die vriendin af te komen dan een volwassene, want je kan veel verdergaan in je absurditeit, en dat het ook waar is. De realiteit is veel rekbaarder.’
Voorbeelden in de jeugdliteratuur? ‘Momo en de tijdspaarders van Michael Ende, prachtig, dat lijkt enigszins op Tanglewreck van Jeanette Winterson (in het Nederlands De tijdhoeder), Ted van Lieshout bewonder ik erg. En een vriend van me, Roel Verniers, heeft De hoed van vos geschreven, een ontzettend mooi kinderboek waarin veel dingen die niet kunnen gewoon vanzelf spreken en niet uitgelegd worden.’ Als voorbeelden in de volwassen literatuur noemt Jowi Paul Auster (‘Dat zal ook wel wat voor jou zijn, briljante invallen en absurde verhalen.’), Margaret Atwood, Haruki Murakami.
Naast het jeugdboek gaat Schmitz waarschijnlijk nog wel aan een zogenaamd schaduwboek beginnen. ‘Dat deed ik bij Leopold ook. Als ik dan vast zat en even wat anders moest doen, schreef ik daar aan.’ Mijn suggestie dat ‘wat anders’ ook bijvoorbeeld een rondje hardlopen kan zijn, lacht ze weg. Waarom ze dan toch wil schrijven? ‘Dat moet.’
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



