Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Clubjes en vrienden

door Eveline Vink, 16 oktober 2007

‘Koop West,’ smste ik een vriend, nadat ik Walter van den Bergs tweede boek uit had en na de laatste bladzijde eerst tien minuten heerlijk wezenloos voor me uit had zitten kijken. ‘Je mag het niet lenen, je moet het kopen. Hij verdient het.’ ‘Ik weet het,’ schreef hij terug, ‘ik heb ’m al.’

Ik wilde de man achter deze ervaring wel eens ontmoeten. Een week later spreek ik Walter van den Berg in de stationsrestauratie op Amsterdam CS, waar de muziek soms net te hard staat maar de chique bruine stoelen wel heel lekker zitten.

Walter van den Berg (1970) wist dat hij schrijver wilde worden toen hij zeventien was. ‘Ik las in die tijd science fiction, maar ik vond het steeds nét niet goed. Als nou dit idee in dat boek zat, en dan dat plot en dan zus en zo… Dus ik dacht: ik doe het zelf wel. Ik begon met verhalen schrijven.’
In 2000 startte Walter zijn weblog, een van de allereerste in Nederland. ‘Ik had toen vreselijk saai werk, de baan van Eug uit De Hondenkoning ongeveer. Ik moest vooral wachten terwijl de computer iets deed. Ik was gedetacheerd en mijn baas kreeg veel geld als ik daar zat, ze mochten dus ook eigenlijk niet weten dat ik de halve dag niks te doen had. Dodelijk vermoeiend! Ik had altijd een paar schermen open voor als er iemand binnen kwam. Soms zat ik onder de tafel stiekem Harry Potter te lezen.
Ik zat ook veel te internetten en kwam een weblog tegen. Ik had dat nog nooit gezien, dat bestond nog nauwelijks, maar ik vond het wel een goed idee. Er bestaan nu allemaal standaardprogramma’s voor, ik heb de mijne toen zelf gebouwd. Ik wilde er elke dag leuke linkjes op plaatsen, maar ik kon eigenlijk niet zoveel leuke linkjes vinden. Dus ging ik stukjes schrijven.’

Waar dat toe leidde, is inmiddels bekend. Hij ontdekte de gamesweblog van Niels ’t Hooft, die in 2003 onder begeleiding van Paul Sebes gedebuteerd was met Toiletten. Walter stuurde Niels een paar verhalen die deze vervolgens aan Sebes liet lezen. ‘Schrijf jij maar een roman,’ zei Sebes, en zo geschiedde. In 2004 verscheen De Hondenkoning bij De Bezige Bij.
Heeft de ouderwetse manier van manuscript insturen dan helemaal afgedaan, is debuteren heden ten dage alleen nog mogelijk via contacten en netwerken? ‘Ik denk het wel,’ zegt Walter. ‘Er komt nog wel eens iemand binnen via de slushpile, maar dat is zo zeldzaam. Ik weet nog dat ik een keer met mijn redacteur in gesprek was, en iemand kwam binnen om te zeggen dat hij deze stapel manuscripten nog moest bekijken. “Oh, geef maar,” zei hij, en tijdens het praten sloeg hij ze een voor een open, keek er even in en gooide ze op de nee-stapel. Dat gaat dus echt zo! dacht ik, en “Dat kan je niet doen!” zei ik. Hij gaf me er een paar in handen, maar hij had gelijk, zelfs de begeleidende brief was meestal al vreselijk. Mijn advies aan wie een manuscript instuurt: zet in je begeleidende brief alleen ‘Hierbij stuur ik u mijn manuscript, punt’. Dan moeten ze het in elk geval inkijken om te weten of het wat is. Maar wat er was ingestuurd was vooral diepe ellende hoor. Dat begon dan bijvoorbeeld zo: “Een bloem. Wat is een bloem?”’ Walter haalt lachend zijn schouders op en maakt een grote armbeweging alsof hij het manuscript op de nee-stapel gooit.

De geboren schrijver bestaat niet, volgens Van den Berg, en zonder zijn moeilijke jeugd was hij waarschijnlijk nooit begonnen met schrijven. A rotten childhood’s a writers goldmine, dus toch? ‘Ik denk het wel, ja. Als ik met mijn redacteur zat te praten over dingen die ik heb meegemaakt, riep hij bij alles: “Dit moet in je boek!” Maar dat kan zo niet, een interessant levensverhaal is niet automatisch een interessante roman. Je kunt wel veel gebruiken natuurlijk, je hebt boeiende verhalen, maar dat moet je doseren. Ik schrijf ook niet bij gratie van die ervaringen. Als mijn verhalen over mijn jeugd op zijn, ben ik niet uitgeschreven.’

In West wordt de moeder van hoofdpersonen Ron en Cor steeds door haar vriend in elkaar gestompt, maar krijgt ze het toch niet voor elkaar hem definitief de deur te wijzen. Dit is maar een van de autobiografische elementen uit Van den Bergs romans. Wat vindt zijn familie ervan om dat te lezen? ‘Mijn moeder zit nu zo’n beetje hele dagen te huilen. Dan belt ze me, en zegt ze: “Ik verwijt je niks hoor, maar…” Het is natuurlijk niet makkelijk om die geschiedenis terug te lezen, maar zij kan mij niks verwijten. Ik was het kind.’
Het plan dat er voor een volgend boek ligt, gaat nog een stapje verder. ‘Het moet een roman worden die geschreven is vanuit een man die zijn vrouw slaat. Buitenstaanders vragen zich toch zo vaak af waarom die vrouwen steeds teruggaan als hij zegt dat het hem zooo spijt en dat hij het nooit meer zal doen, ik wil dat de lezer begrijpt dat hij ermee weg komt. Dat je denkt: ja logisch dat hij haar nu een mep verkoopt.’ En zijn moeder? ‘Iemand moet dan maar tegen haar zeggen dat ze het niet moet lezen.’

Walter van den Berg was een van de initiatiefnemers van een maandelijkse schrijversborrel waar jonge auteurs samen kwamen om niet over elkaars werk te praten. Kees ’t Hart schreef er dit artikel over. ‘Het begon zo. Mijn moeder had bij de postcodeloterij een bowlingbon gewonnen, je kan daar dus ook andere dingen winnen dan geld. Ja, dat wist ik ook niet! Ze gaf ’m aan mij, en ik heb toen een paar schrijvers die ik kende uitgenodigd. We gingen eens per jaar bowlen met z’n vieren, en na de derde keer zeiden we: eigenlijk moeten we dit vaker doen. Maar dan zonder bowlen en met meer mensen.
We zijn geen “schrijversgeneratie”, we hebben geen gezamenlijke visie op literatuur. Wat er geschreven wordt door de mensen van die borrel is ook zo enorm verschillend. Soms sla ik zo’n boek open en denk ik “Oeh!” en leg het gauw weer weg. Als ik in de kroeg sta maakt het niet uit wat iemand voor boeken schrijft, zeker als ik ze toch niet heb gelezen.’
In de loop van het gesprek vallen er een hoop schrijversnamen die Walter tot zijn vrienden rekent. Het is dus waar van dat schrijverswereldje, het kliekje waar iedereen elkaar kent. ‘Een beetje wel, maar ik ben daar wel redelijk extreem in, hoor. Ik ken alleen A.F.Th. van der Heijden nog niet, maar dat komt misschien nog.’

Waar zijn behoefte clubjes te vormen vandaan komt, vraag ik wanneer hij een nieuwe vriendengroep omschrijft als ‘het creeëren van een familie’. ‘Daar gaat West eigenlijk over: clubjes, erbij horen, vrienden.’ De hondenkoning ook, vind ik. ‘Nu je het zegt, ja. Ik wilde iets creeëren dat ik zelf niet heb, denk ik. Ik had eigenlijk nooit mannenvrienden, alleen meisjesvrienden en vrouwenvrienden. Ik was er ook nooit zo goed in, hoe dat dan moet met mannen, zo.’ Walter zet een stoer gezicht op en geeft een denkbeeldige maat een vriendschappelijke por. ‘Die mannenvriendschappen in West heb ik beschreven na veel observeren. Mensen zeiden later dat ze het herkenbaar vonden, dus het is wel geloofwaardig. Tegenwoordig heb ik wel mannelijke vrienden, maar dat komt niet door dat onderzoek voor mijn roman hoor, waarschijnlijk is het omdat ik nu veel beter in mijn vel zit. Ik ben gewoon meer ontspannen.’

Ontspannen komt hij ook over, en op een aanstekelijke manier gelukkig. Hij vertelt over de absurde omvang van zijn sociale leven, en dat dat waarschijnlijk zijn hele week zou gaan vullen als het met West zo goed gaat lopen dat hij zijn baan als programmeur op kan zeggen. ‘Ik ben eigenlijk niet zo goed in schrijven als dagvulling. Meestal heb ik niet echt, mmm, ja, meestal heb ik er eigenlijk gewoon geen zin in. West heb ik geschreven in ongeveer twintig zondagen verspreid over drie jaar. Maar ik had ook echt gewoon niet veel tijd.
Ik weet niet of ik wel elke dag aan mijn boek zou werken als ik fulltime kon schrijven. Ik zou vooral meer dingen eromheen doen, opdrachten voor tijdschriften enzo, optredens. Dat vind ik echt leuk! Voorlezen, vertellen voor een zaal vol mensen. Sommige schrijvers vinden dat misschien een nadeel aan hun vak, maar ik ben dus ook niet het prototype eenzame schrijver. Ik ga tegenwoordig steeds vaker in het café zitten schrijven, maar dat werkt natuurlijk alleen als ik geen bekenden tegenkom.’

Walter van den Berg lijkt een schrijver die het er even bij doet, iemand wiens leven zo enerverend is dat hij voor de rust af en toe wat tikt, gewoon om te verwerken. Lezen doet hij ook al niet veel. ‘Momenteel kom ik misschien aan één boek per maand. Als kind las ik ook weinig. Een tijdlang ging ik elke week naar de bieb en dan nam ik zeven boeken mee, want als je schrijver wilt worden moet je natuurlijk veel lezen, maar die bracht ik dan ongelezen weer terug. Het is ook zo’n onzin, dat je goed gaat schrijven als je veel gelezen hebt. Ik lees niet veel en ik schrijf toch goed.’ Hij gaat achterover in zijn stoel zitten en grinnikt een beetje, haast verlegen. ‘Zet daar maar zo’n ironieteken achter, anders denken ze dat ik het meen.’ In het echt is Van den Berg stukken minder onbescheiden dan op zijn weblog (‘Ik heb een vet goed boek geschreven. Het is een boek geworden zoals ik het wil lezen, en ik lees alleen maar goeie boeken.’), maar geheel onterecht. Hij heeft een vet goed boek geschreven.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.