Jannah Loontjens: 'Alle autobiografieën zijn fictie en alle fictiewerken autobiografisch'
door Wouter Bok, 22 maart 2011
Het P.C. Hoofthuis van de Universiteit van Amsterdam is een Escheriaanse wirwar van trappen, lokalen en vaak onvindbare kamers. Ergens in dit doolhof bevindt zich de werkkamer van Jannah Loontjens, schrijfster én wetenschapper. Een gesprek met een dubbeltalent over de combinatie van wetenschap en literatuur, haar oeuvre, haar werkwijze en haar inspiratiebronnen.
Loontjens debuteerde in 2002 met de dichtbundel Varianten van nu, in 2006 gevolgd door haar tweede bundel Het ongelooflijke krimpen. In 2007 verscheen haar romandebuut Veel geluk, over een meisje dat in Zweden opgroeit in een soort hippiegezin, later naar Nederland verhuist en met vallen en opstaan leert volwassen te worden en het geluk te vinden. Laura Starreveld schreef in haar recensie: ‘een prima roman over dat waar we allemaal naar op zoek zijn: geluk.’ Recent verscheen Loontjens’ tweede roman, Hoe laat eigenlijk. Aaf en Ralph hebben een relatie, maar leven langs elkaar heen. Een vakantie in Dakar betekent in meerdere opzichten een keerpunt in hun leven. Ook dit boek werd goed ontvangen: ‘de schrijfster toont zich een fijnzinnig observator’ (De Groene Amsterdammer); ‘eigenzinnig en uitdagend: rijk in al zijn kaalheid’ (Fleur Speet in De Morgen); ‘ijzersterk psychologisch drama’ (de Volkskrant).
Isolatie van het individu
Loontjens ziet duidelijke verschillen tussen haar twee romans. ‘_Veel geluk_ is een typisch coming-of-ageverhaal: het gaat over de kinder- en tienertijd van hoofdpersoon Liaan. In Hoe laat eigenlijk spelen juist twee volwassenen de hoofdrol. In beide romans proberen de personages de ander te leren kennen, wat echter mislukt. Om die isolatie van het individu gaat het in bijna al mijn werk.’
Samen maar toch eenzaam zijn is een ander thema. ‘Eenzaamheid is niet alleen pijnlijk, maar het kan ook een bron van vrijheid zijn.’ Verder noemt ze miscommunicatie als een van haar centrale thema’s. ‘Als je met iemand anders een ervaring deelt, hoe beleeft die ander dat verhaal dan? Wat denkt hij erbij? Voor die partner kan wat jij vertelt een bron van argwaan zijn, terwijl jij dat helemaal niet zo bedoeld hebt. Dat soort vragen over het verband tussen taal en waarheid intrigeerden me bij Hoe laat eigenlijk. Iedereen kan woorden anders interpreteren, dat geldt natuurlijk ook voor het lezen van een roman.’
Feit of fictie?
Bij het schrijven gaat het Loontjens niet om de plot, maar wel probeert ze verhaallijnen met elkaar te verbinden. ‘Er zit een spanningsboog in, en ik denk goed na over de structuur, zo werk ik met hoofdstukschema’s. Maar eerst begin ik met het personage en een grof idee van de verhaallijn: die heb ik vaak al vóór ik ga schrijven. De rest groeit tijdens het schrijfproces; dat is ook het geval met mijn derde roman, waar ik nu aan werk. Nee, ik vertel niet waar hij over gaat…’
Volgens Loontjens heeft de lezer haar niet nodig om haar werk te duiden. ‘Ik put tot op zekere hoogte wel uit eigen ervaringen – dat zullen andere auteurs ook doen. Zo heb ik net als Liaan uit Veel geluk mijn jeugd in Zweden en Nederland doorgebracht. Maar ik zeg altijd: alle autobiografieën zijn fictie en alle fictiewerken autobiografisch: het zit altijd ergens daartussenin.’
So you think you can write
Loontjens doceert aan de UvA filosofie en literatuurwetenschap en hoopt deze lente te promoveren op een studie naar de rol van literair schrijven in de samenleving. ‘Het gaat over de manier waarop de grote modernisten als Kafka, Woolf en Joyce verworden zijn tot iconen van de Grote Literatuur, zowel in filosofische en literatuurwetenschappelijke teksten als in de meer populaire cultuur. Oprah heeft voor haar boekenclub bijvoorbeeld drie boeken van William Faulkner gekozen en legt in haar show de stream of consciousness uit. Hoe kan het dat creative writing zo in is en dat zo veel mensen schrijven? Wat zegt dat over onze samenleving?’
Ze let bij haar proefschrift op stijl, maar probeert niet literair te schrijven. ‘Sommige studies zijn weliswaar erbarmelijk geschreven, maar anderzijds zijn wetenschappelijke werken geschreven door specialisten voor specialisten. Het is nu eenmaal moeilijk te volgen als je niet in de materie thuis bent.’
Loontjens’ proefschrift komt ook terug in Hoe laat eigenlijk. Wanneer een van de hoofdpersonen, Aaf, opgesloten zit in een hotelkamer, klopt haar vriendin Iris aan of Aaf mee naar buiten wil. Het gesprek belandt toevallig op de literaire helden van Iris:
‘Tja, die paar grote schrijvers, Joyce, Proust, Faulkner, Woolf, Kafka. Dat zijn nou eenmaal de voorbeelden van wat echte literatuur zou moeten zijn. Maar goed, iedereen denkt zich aan hen op te trekken, van hen te leren, maar ook de meest talentloze nietsnutten noemen Kafka als hun idool. Wat zegt dat? En ik hou van een man die nooit van Franz Kafka had gehoord. […] Het lijkt wel of Lor en ik het onderscheid tussen hoge en lage cultuur belichamen… […] Ach, Aaf, iedereen wil tegenwoordig schrijver of kunstenaar worden, of ze nou Kafka kennen of niet. Wat zegt dat over onze cultuur? Dat is pas een interessante vraag. Waarom willen zo veel mensen schrijven? Is het geschreven woord de sublieme uiting van menselijkheid?’
Als literatuurwetenschapper onderwerpt ze haar werk niet aan diepgravende analyses. ‘Je zou verwachten dat ik dat automatisch doe, maar als ik schrijf, zit ik er zo in dat ik het niet kan lezen als andermans boek. Ik herlees mijn eigen werk af en toe, omdat ik ook regelmatig moet voorlezen. Het probleem is dat ik dan door blijf denken en meteen dingen wil veranderen, het zit te dicht bij mezelf.’
Wetenschap of literatuur?
Als ze moest kiezen, werd het de literatuur. ‘Schrijven ligt dichter bij me, ik schreef al verhalen en gedichten toen ik klein was. Mijn proefschrift komt ook uit die fascinatie voort. Toch durf ik mezelf pas sinds een paar jaar echt schrijver te noemen: ik heb nu een paar dichtbundels en twee romans uitgebracht, ik verdien er geld mee en ik treed ermee op. Toch ligt ook het filosofisch denken dicht bij me. Na mijn studie filosofie te hebben afgerond, ben ik een aantal jaren van de universiteit weggeweest, maar ik bleef wel filosofieboeken lezen en over filosofie schrijven. Op verjaardagen zeg ik altijd: ik schrijf en ik werk aan de universiteit. Ik schrijf trouwens ook recensies, over dichtbundels voor poëzietijdschrift Awater, De Groene Amsterdammer en incidenteel de Volkskrant.’
De Boekenweek van 2011 heeft als thema ‘Curriculum Vitae – Geschreven portretten’. Schrijvers staan meer en meer in de spotlights. ‘Veel critici vinden nog steeds dat het om het boek draait en niet om de auteur; tegelijk ben je een BN’er als je boek goed verkoopt. Kijk maar naar achterflappen, aanbiedingsfolders, televisieprogramma’s, interviews… Autobiografische literatuur verkoopt ook heel goed. Dat is erg in strijd met het adagium van de modernisten: een literair werk is autonoom en de auteur is dood. Nu is dat anders en krijgt de auteur aandacht, al hangt het wel van het medium af hoe serieus men het neemt. Als de New Yorker een achtergrondartikel over een auteur publiceert neemt men dat heel serieus, maar het is anders als Oprah dat doet. Wat mij betreft is alle aandacht voor literatuur goed.’
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



