Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Anil Ramdas: ‘Wij zijn de grotten uitgekomen, weet je nog?’

door Simone van Saarloos, 13 juli 2011

‘Wie eenmaal volkswoede heeft gezien, bekeert zich voor altijd tot het individualisme, desnoods tot het kluizenaarschap’, schrijft Arnon Grunberg – ‘de enige serieuze romanauteur van dit moment’ – in zijn ‘Voetnoot’ voor de Volkskrant, een week nadat ik met Anil Ramdas heb gesproken. De auteur van Badal heeft volkswoede meegemaakt. Toch is het niet Ramdas zelf, maar zijn personage Harry Badal, die een kluizenaar geworden is, geïsoleerd in Zandvoort en verzonken in zijn eigen gedachten. Wij zitten daarentegen in het lawaai van het heiwerk buiten op het industrieterrein, in de kantine van de multiculturele televisieproducent MTNL, waar collega’s van Ramdas in en uit lopen voor de lunch. Ramdas praat ongestoord verder, want de 460 pagina’s dikke roman Badal biedt genoeg stof tot discussie.

Zijn debuutroman portretteert rancune in Nederland. Ramdas hoopt dan ook op een internationale editie van Badal. ‘Amerikaanse vrienden vragen mij: “what happened to you guys?” Ze snappen niets van het oprukkende populisme in West-Europa. ‘Moet je nagaan, sinds 1874 hebben er 700 stukken in de New York Times gestaan over “Dutch tolerance”. We doen nu geringschattend over tolerantie, maar dat is onze bijdrage aan de wereld.’

Ramdas’ bijdrage aan de Nederlandse literatuur is de zwarte intellectueel. In 1997 klaagde hij al dat er geen ontwikkelde zwarte personages voorkwamen in de Nederlandse literatuur. Hij heeft jaren gewacht, in hoop dat het wel zou komen, maar dat gebeurde niet. ‘Volgens Pieter Steinz, chef Boeken van NRC, werd ik op mijn wenken bediend door Abdelkader Benali en Grunbergs Asielzoeker. ‘Ik dacht: goeiehemel, Steinz heeft mijn stuk afgedrukt in de krant, hoe blind kun je zijn? Ik bedoelde een echte zwarte intellectueel. Geen taxichauffeur, geen zwijmelende nostalgi-immigrant, niet iemand die aldoor naar de hoeren gaat. De onderkant van de samenleving, we have been there. Dat is niet de enige plek waar zwarten nog komen.’

Zelfkastijding in Zandvoort


De zwarte intellectueel van Ramdas bezoekt Zandvoort. De schrijver zelf woonde er drie maanden en keert er nog regelmatig terug om de seizoensveranderingen mee te maken. Dat doet hij niet omdat hij van Zandvoort houdt, integendeel: ‘Iemand die zegt dat-ie van Zandvoort houd is gewoon getikt.’ Net als zijn tragische held Harry Badal zoekt Ramdas het lelijke op. ‘Of mijn verblijf in Zandvoort zelfkastijding is? Tuurlijk is het een vorm van zelfkastijding, daar worden we groot en sterk van.’ Hij lacht, charmant, met ontblote tanden, en verklaart: ‘Onzin, je verleidt de lezer tot begrip en identificatie omdat tragiek voor iedereen de essentie van het leven is. Een boek dat gaat over iemand die de wereld redt, heet Lord of the Rings. Dat is een sprookje.’

Lachend door het leven gaan, blind voor wat er om je heen gebeurt, dat is niet zijn ambitie. ‘Wij mensen wórden, wij maken, wij veranderen, wij verbeteren. Godzijdank! Daarom zijn wij de grotten uitgekomen, weet je nog?’

Desondanks bleef de romanauteur in Ramdas lange tijd verborgen: ‘Ik vond mezelf geen romancier.’ Maar dat was niet het enige dat Ramdas tegenhield. Het probleem was vooral: hoe schrijf je een non-verhaal, zonder plot, met alleen een karakter – de zwarte intellectueel en klaar. Hoe vind je daar een interessante vorm voor? Ditmaal werd Ramdas wel op zijn wenken bediend door Grunberg. Toen hij het ‘grandioze’ Fantoompijn (2000) ¬las, viel hij voor de ‘verrukkelijke’ structuur. De losse wijze waarop Grunberg met heden en verleden schuift, inspireerde hem. ‘Dan heb je zo veel vrijheid.’

Aanvankelijk was Ramdas te avontuurlijk ingesteld. Hij speelde iets té driftig met verleden en heden. ‘Mijn redacteur bij De Bezige Bij had het gevoel dat ze het boek moest lezen met pen en papier naast zich.’ Dat moest dus anders. Want hoewel Ramdas de literatuur meer acht dan een leuk verhaaltje alleen, ‘moet je de lezer uiteindelijk waar geven voor zijn geld.’ Een roman moet vermakelijk zijn. Maar vermaak alleen is niet het doel: ‘Ik wil zodanig vertellen dat je er iets aan hebt. Niet alle cultuur is bedoeld om je een prettig gevoel te geven. Dat is wat Halbe Zijlstra wil. Wat een gelul! Het moet je inzicht geven. En inzicht is niet per se aangenaam. Natuurlijk, een roman heb je daarvoor eigenlijk niet nodig. “Het gaat slecht in de wereld.” Dat is een zinnetje, maar hoe lang ga jij naar dat zinnetje kijken?’

Moordende wezens


Dat ene zinnetje lijkt steeds meer centraal te staan. Twitter biedt immers maar 140 tekens. Volgens Ramdas is het niets nieuws om te vrezen voor het voortbestaan van kunst en cultuur. Maar de huidige plannen van het kabinet beangstigen Ramdas wel. ‘Er zit iets van sadisme in. Iemand als meneer Zijlstra doet wat hij doen moet, maar met een onvoorstelbaar groot plezier. Dat maakt mij nerveus.’

Niet het besluit om te bezuinigen is per se verwerpelijk, maar de genoegdoening daarover. Het doet Ramdas terugdenken aan de sadistische volkswoede die hij ondervond in Gujarat, India. ‘Een van de ergste dingen die ik heb meegemaakt, was tijdens de rellen tussen de hindoes en de moslims. Er drongen zo’n vierduizend mensen samen. Ik klom naar boven in een oud cricketstadion, waar ik kon zien wat er gebeurde: er stond een huis in brand. En toen hoorde ik gegil. Er waren mensen binnen, die om de een of andere reden niet naar buiten kwamen. Waarschijnlijk omdat het buiten nog gevaarlijker was. En wat mij toen verbaasde, is dat al die opstandelingen een beetje lacherig toekeken. En dat snap ik niet. Natuurlijk, mensen zijn moordende wezens, maar wipe that smile from your face.’

Staren of schrijven


Het is geenszins te vergelijken met mensen in een brandend huis, maar ook de literatuur lijkt in nood. Boekwinkels lopen leeg en de literaire tijdschriften verliezen subsidie. ‘Als literatuur zich wil redden, moet zij de samenleving waarin we nu verkeren serieus nemen. Er zijn tijden dat het helemaal niet erg is om op bed te liggen en naar het plafond te staren. En er zijn tijden dat je meer moet doen dan dat.’

In plaats van op bed te liggen, schreef Ramdas Badal. Na vele essays en columns keerde hij zich daarmee voor het eerst tot fictie. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Harry Mulisch en Joost Zwagerman (‘geen verstandige mensen’), acht hij fictie geschikter dan non-fictie voor het aankaarten van maatschappelijke problematiek. Ramdas waardeert juist de vrijblijvendheid van de roman. ‘Wanneer dat wat je schrijft, zulke dramatische consequenties heeft als wat op de tabletten van Mozes stond, dan moet je wel tien keer nadenken voor je iets opschrijft. Sterker nog, je kunt beter helemaal niets opschrijven.’

Broodroosters en romans


Daarom moeten we ook blijven experimenteren, zelfs wanneer onze woorden of probeersels geen directe consequenties hebben. ‘We kunnen niet anders’, want opeens kan er iets ontstaan, zoals ‘de broodrooster!’ – of een roman, natuurlijk. ‘Als we niets meer zouden verzinnen, zouden we net zo belangwekkend zijn als eencellige organismen. We kunnen eindeloos voedingsstoffen innemen en afvalstoffen uitscheiden, maar if that was the purpose of life…

Dat wat er werkelijk toe doet, dat portretteert de roman. Daarom is Badal begonnen als liefdesroman. ‘Als je iemand laat verliezen, moet er wel iets op het spel staan. Het verlies van vertrouwen, het politieke verlies, is in een mensenleven toch niet zwaar genoeg. Mensen moeten echt iets reëlers verliezen.’

Ramdas baseert die wetenschap niet op een persoonlijke ervaring – of geeft dat in ieder geval niet prijs –, maar bovenal op zijn interpretatie van de literatuurgeschiedenis. ‘Het kan toch geen toeval zijn dat alle boeken over de liefde gaan. Het verschijnsel roman is bedacht om aan te tonen dat het daarom gaat. Als je beeldhouwer bent, gebruik je materiaal, bijvoorbeeld klei. Het materiaal van de roman is de liefde. Voor de muzikant is dat het geluid. Dat is niets nieuws. Alle muziek gaat over muziek. Alle romans gaan over liefde.’

En wat doen alle intellectuele ideeën dan in het boek? Waar de beruchte radiomaker Prem Ramdas in een interview serieus en saai noemde, beschouwt hij die ‘uitweidingen’ en ‘afleidingen’ zelf juist als ‘frivoliteiten’. De colleges over rancune, beschaving, Salman Rushdie en Columbus vallen uiteindelijk in het niet bij dat wat er werkelijk toe doet: de liefde. De uitweidingen moeten het schrijven en lezen van Badal aangenaam maken. Dat is noodzakelijk, want: ‘Er is niets leuks aan het schrijven van een boek. Nee, dat is een grote treurnis. Net op het moment dat de lezer denkt: het komt goed!, dan ga je erop inbeuken.’

Likeability boven beklemming


Ramdas vond Badal soms een ‘heel irritant baasje’. En het verloop van Badals leven, mislukking na mislukking, is ook niet altijd gemakkelijk. Maar beklemming is niet het belangrijkst, want de eerste vraag die elke schrijver zich stelt is volgens Ramdas: is this person likeable? De mooiste reacties die hij ontving, waren dan ook van lezers die zich verdrietig voelden dat het afgelopen was, of ze waren teleurgesteld in Harry Badal. ‘Dat betekent dat je van ‘m gehouden hebt.’

‘Of deze roman geslaagd is, zal nog moeten blijken. Uit hoe lang mensen zich dit boek nog herinneren, hoe het bestudeerd wordt.’ Hij citeert Rushdie: ’A real good novel has to be studied.’ Maar hij heeft zijn roman niet afgestemd om het beschouwende publiek te vergroten. ‘Dan had er seks in gemoeten.’ En wat goed verkoopt: ‘Een man die drie keer klaarkomt op dezelfde dag.’

Wel liet hij Harry Badal met opzet zo veel mogelijk op hem lijken. Enerzijds ‘omdat dat gemakkelijk is’, anderzijds in de hoop om de discussie over autobiografische overeenkomsten te voorkomen. ‘Veel recensenten dachten Kuifje te zijn. “We hebben het ontdekt! Badal is gebaseerd op het leven van Anil Ramdas.” Ach kom, verdomme, als je op Wikipedia mijn naam intikt dan zie je hoe probleemloos ik dat vind.’ Zo moest Badal dus vooral niet worden gelezen.

De reacties van recensenten stelden hem dan ook teleur, maar van de ‘_white trash_’ die hij in zijn boek beschrijft, verwacht hij überhaupt niet dat zij zijn boek lezen. Hoewel hij de de intellectuele kant van het leven ‘een grote smoes om te ontkennen dat het altijd om de liefde gaat’ noemt, gelooft hij wel degelijk dat zij de voorhoeders van de samenleving zijn. ‘Ik denk niet dat de samenleving wordt bepaald door de meerderheid van onwetenden.’

Hij heet Harry Badal


Net als de romancier, moeten intellectuelen op de samenleving reageren. Ramdas is niet bang dat deze voortrekkersrol verdwijnt: ‘Ik denk niet dat de intellectuelen op dit moment echt zo vreselijk bang zijn om intellectueel te zijn. Het is wel zo dat ze heftiger en platvoerser worden aangevallen. Maar dat komt omdat iedere aap met twee wijsvingers achter een computer kan zitten. Dat hoort bij deze fase van vrijheid van meningsuiting; internet is echt het rioleringsstelsel van die vrijheid.’

Hij geeft toe dat hij ook wel een beetje jaloers is op de SBS6-kijkers en PVV-stemmers. ‘Het comateuze bestaan moet toch ook wat hebben.’ Maar Ramdas amuseert zich niet met staren naar het plafond. Hij moest wat doen en heeft zijn plicht voldaan: het werkelijk ontwikkelde, zwarte romanpersonage is er eindelijk. Hij heet Harry Badal.

‘Ik heb geprobeerd aan te tonen dat zo iemand bestaanbaar is. De ambitie om te interveniëren in zoiets groots als de Nederlandse literatuur is een nogal grootse ambitie. Het getuigt van geweldige brutaliteit.’ Als Harry Badal voortleeft, dan is het boek gelukt. En zijn missie geslaagd, want: ‘Een samenleving heeft maar één Max Havelaar nodig.’

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.