Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Schaduwjury: Een keuze voor het individuele engagement

door Daan Stoffelsen en Pieter Wybenga, 24 maart 2006

Na enig gemopper over de kwaliteit van het gros van de inzendingen schreef de jury van de Gouden Uil 2006 in het juryrapport voor de shortlist: ‘Dat belet niet dat er in de Nederlandse literatuur mooie dingen gebeuren. In iedere hooiberg zitten spelden. Zowel binnen het romangenre als de non-fictie treden schrijvers soms nog wel uit hun kleine stolp, hun kleine wereldje, hun salon. Er wordt naarstig gezocht naar nieuwe vormen en grensovertredingen. De grote wereldbeschouwingen en de vele vormen die literatuur nu aanneemt, vinden ook hun weerslag in de Nederlandse letteren.’

Vijf titels zijn de spelden waaraan literatuurminnend Vlaanderen en Nederland zich volgens hen kan vastklampen:

De recensenten van Recensieweb waren het met de jury eens. Vier van de vijf boeken kregen vier sterren. Alleen Verhelsts Zwerm bracht het er slechter vanaf, met slechts twee sterren. Karlijn de Winter schreef over het door de jury bejubelde roman-essay dat Verhelst daadwerkelijke reflectie niet mogelijk maakt: ‘[Door de fragmentarische verhaalstructuur ontstaat] een grote afstand tussen het verhaal en de lezer. Dit is geen probleem als je als auteur een mythisch en ongrijpbaar klimaat wil scheppen, maar wél als je relevante ideeën over onze eigen realiteit probeert uit te werken. Helaas hangt de leefwereld in Zwerm zodanig van extremen aan elkaar, dat je hem niet meer als de jouwe herkent.’

Na al die positieve geluiden en dat ene negatieve komt vooral de vraag naar boven of je het eens zou zijn met de jury. En de vraag wie dan de Gouden Uil zou moeten krijgen. Een schaduwjury van bescheiden grootte – redacteurs Pieter Wybenga en Daan Stoffelsen – las de afgelopen maand de vijf boeken en ging in conclaaf.

De kwaliteiten van de vijf genomineerde titels zitten hem, vinden we, in verschillende aspecten. Inderdaad, ‘er wordt naarstig gezocht naar nieuwe vormen en grensovertredingen’, maar dan vooral in Zwerm, in mindere mate in Alfa Amerika en Joe Speedboot, en amper in de ambachtelijk geschreven romans De engelenmaker en Ultramarijn. Maar Zwerm lijkt doorgeschoten te zijn in die revolutionaire grensovertreding, zo fragmentarisch dat het noch als essay, noch als roman, maar slechts als een beleving te lezen is. Alfa Amerika lijkt geschiedenis te schrijven: de lezer wordt door de filmische, documentaire stijl, de fictieve non-fictie, bijna verleid tot een greep naar het naslagwerk. Had Antwerpen niet inderdaad een wolkenkrabberwijk aan de Schelde? Hadden de Jet-cats niet inderdaad hun fifteen minutes of fame? In Joe Speedboot vindt de vormrevolutie op bescheidener en lager niveau plaats: stilistisch sprankelend voert Wieringa ons van de ene schier onmogelijke gebeurtenis naar de andere. De oer-Hollands nuchtere toon is een meestergreep, maar verhindert niet dat Joe Speedboot daadwerkelijk meeslepend wordt. Van Loy en Wieringa verdienen de prijs wat ons betreft meer dan Verhelst, Brijs en Van Woerden. Als het om vorm gaat.

We mogen de inhoud echter niet vergeten. De alles doordringende melancholie, de droeve liefdesgeschiedenis die Henk van Woerden ons in de laatste roman voor zijn overlijden bracht, beklijft, blijft hangen, verlaat je niet meer. Bovendien staat Ultramarijn voor een kant van de grote groep eerste-generatieërs uit alle windhoeken – Van Woerden was er zelf ook één – die te vaak onbelicht blijft: de heimwee, waar je ook bent, naar een onreconstrueerbaar verleden. De engelenmaker daarentegen toont niet de onbegrenste – doch ongewenste – mogelijkheden van de herinnering, maar van de wens, de ambitie om goed te doen, om niet bij het kwaad stil te staan, om mensenlevens te geven, om niet bij stervensgevallen stil te staan. Ook dat is tragisch, in die zin dat de hoofdpersoon blind is voor andere overwegingen. Engagement komt ook heel duidelijk naar boven in Alfa Amerika, dat de Amerikaanse Droom als hybris ontmaskert, en bovenal in Zwerm, dat de menselijke geschiedenis en het huidig tijdsgewricht ambitieus samenvat als een blind toerennen op een apocalyptisch einde.

Bij dat alles vallen de eveneens onnederlandse levens van Fransje en Joe bijna in het niet: is dit niet niet meer dan een boek dat constante energie uitstraalt? Het is meer. Het is een boek dat staat voor de wens boven jezelf uit te groeien, voor de kop boven het maaiveld. Joe Speedboot is, meer dan de andere genomineerde boeken, een lofzang op de individuele ontworsteling, uit lichamelijke beperkingen, uit provinciale achterstanden, uit Nederlandse nuchterheid. Het is internationaler en tijdlozer dan de andere boeken omdat het eigen is, Nederlands, los van die droevige datum in 2001, los van immigratie, los van welke referentie aan Amerika is. Joe Speedboot staat over vijftig jaar nog op literatuurlijsten van middelbare scholieren.

Joe Speedboot verdient de Gouden Uil 2006.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.