Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Verspreid werk 1: Tirade 422 en 423 (2008-1 en 2)

door Daan Stoffelsen, 30 juli 2008

Tirade bestaat sinds 1958 en biedt een podium voor poëzie, proza en essayistiek van Van Oorschot-auteurs, maar ook, zoals het een literair tijdschrift betaamt, voor jong ongevestigd talent. Tot zover niets nieuws. Wel nieuw zijn de uitgebreide, aantrekkelijke website, tirade.nu, en de redactie die per dit jaar is aangetreden: Ester Naomi Perquin (dichteres, debuteerde in 2007 met Servetten halfstok), Menno Hartman (redacteur Van Oorschot, voorheen NLPVF en hoofdredactie LiterairNederland), Jeroen van Kan (nieuwspresentator en redactielid LiterairNederland) en secretaris Merijn de Boer. In nummer 422 entameert Jeroen van Kan een discussie over literaire kritiek die erg interessant is, zeker nu hij in nummer 423 is opgepakt door Catharina Blaauwendraad. Beiden staan, op hun eigen manier, een niet-traditionele vorm van kritiek voor. Mijn vraag voor deze recensie is of die niet-traditionaliteit zich naar het proza in Tirade uitstrekt.

De toekomst van de literaire kritiek
Maar eerst de essays van Van Kan en Blaauwendraad. Deels reageren ze op Elsbeth Etty’s recensie van Gail Pools Faint Praise, die tevens een alarm wilde zijn over de stand van de Nederlandse literaire kritiek. Etty pleitte daarin voor hogere ethische standaarden in de kritiek, geen vriendjespolitiek, vijanden kapot schrijven of goedkoop columnisme. Van Kan verdedigt daarentegen in ‘De krakende kritiek’ (geheel online op tirade.nu), mits openlijk beleden, de partijdigheid die Etty afwijst. Partijdigheid ligt in het hart van de literaire kritiek, de beste critici paren dat met onbevangenheid. De toekomst van de literaire kritiek zoekt Van Kan dan ook niet in de door journalistieke mores steriel geworden kranten, maar online.

Het is een stelling die Blaauwendraad in haar stuk ‘Gezag zonder sokkel. De toekomst van de gelijkvloerse kritiek’ nog grondiger uitwerkt. Ze analyseert de teloorgang van het gezag van de literaire kritiek (ook in reactie op het panel van afgelopen 5 maart, ‘Wiens gezag?’) in de toename van ondeskundige meningen in talkshows en straatinterviews en zoekt de redding in een persoonlijke vorm van vertrouwen. Literaire kritiek zou een meer artistieke, persoonlijke vrijheid moeten krijgen, zoals die zich al in verschillende vormen op internet manifesteert. Daarbij zou het voor iedereen duidelijk moeten blijven wat de motieven en achtergronden van de recensenten zijn. Eerlijkheid en oog voor de eigen subjectiviteit zijn levensvatbaarder dan te vertrouwen op de sokkels van gevestigde grootheden die niet meer gelezen worden.

Van Kan en Blaauwendraad brengen behartenswaardige ideeën naar voren, al willen ze – met name Van Kan – iets te veel aspecten van de problematiek beschrijven en is de kritiek op Etty en andere vertegenwoordigers van het establishment af en toe al te venijnig. Je kunt een dagbladcritica moeilijk verwijten dat ze over dagbladkritiek schrijft en het is eigenaardig een hoogleraar afkeer van internet aan te wrijven die haar studenten op internet laat publiceren. Daarnaast mis ik serieuze reflectie over de verhouding tussen de traditionele dagbladkritiek, de literair-kritische gezagsdragers enerzijds en de bloggers en vrij recenserende geesten anderzijds. Van Kans terechte enthousiasme over The Complete Review past wat dat betreft niet in zijn betoog: daar delen citaten uit de internationele pers het podium met eigen recensies. En is er nog plaats voor literaire kritiek in de literaire tijdschriften? Genoeg, kortom, om in nummer 424 aan bod te laten komen.

Nummer 422: Elisabeth Eybers 1915-2007, tweemaal internetproza
Zo dominant als ik ze nu presenteer waren Van Kans en Blaauwendraads essays echter niet. Het eerste nummer van 2008 was vooral gewijd aan de enkele maanden eerder overleden dichteres Elisabeth Eybers, met beschouwingen van Willem Jan Otten, Anneke Brassinga, Zandra Bezuidenhout, Tomas Lieske, Ester Naomi Perquin, Willem van Toorn, Eva Gerlach en Alfred Schaffer. Verder nog een essay van René Huigen over ‘zuivere poëzie’, het met de Jan Hanlo Essayprijs (klein) bekroonde essay van Jan Hendrik Bakker en drie korte verhalen, van Martin Vesseur, Mohana van den Kroonenberg en Arjen van Veelen.

‘Op dit moment mensen… ja, precies op dit moment, dit… dit… ik spreek het expres een paar keer uit om me er goed bewust van te maken, om het zo mogelijk te rekken, want op dit moment namelijk… kijk ik recht in de hazelnootbruine ogen van Mar-gha-ri-ta. Ze staat voor het raam, of beter gezegd, ze hangt hijgend tegen het raam en heeft haar beide handen stevig tegen haar borst gedrukt. Plotseling strekt ze haar rug, slaat haar ogen op en kijkt me aan! Ja, Margherita kijkt me recht aan!’
‘Erwin in Wonderland’ is de jachtige afscheidsdroom van de naïeve, door zijn cheffin geobsedeerde en (letterlijk) gevleugelde Erwin. Intrigerend, interessant om te volgen, maar de vergaande verwarring blijft door het droomachtige weinig specifiek, waardoor het verhaal van Mohana van den Kroonenberg niet blijft hangen.

Vesseurs stuk, ‘F*cking sumo’, beschrijft de verminking tot in het extreme van een jongen die het verlies van zijn op een sumoworstelaar verliefd geworden vriendin met allerhande verminkingen compenseert. In de vorm van een websitebekentenis, iets te bizar om schokkend te zijn. Het begint met tatoeages, piercings, maar dan een gespleten tong, ‘littekensculpturen’, een transplantatielever en amputaties:

‘Op deze foto is het allemaal al lang geheeld. Het is netjes afgewerkt, vindt u niet? Op de foto geef ik u de middelvinger. FUCK YOU! – zonder middelvinger. Nog geen dag gemist, die dingen. Mensen doen ook heel aardig als ze het zien. Zo van ach gut arme stumper. Soms kun je daar goed van profiteren. Gratis drank.’

Ten slotte Arjen van Veelens ‘De wereld is je bingokaart’ waarin Leendert, deeen loser die bedrogen, genakt werd in Suriname, zich presenteert op een datingsite, en het meisje dat hem belazerde vertelt hoe. De stijlen – hij opzichtig drukdoenerig in clichétaal, zij rustig, berekenend – botsen, net als hun versies van het gebeurde. Goede stijlbeheersing, interessante ontwikkeling.

‘“Seks?” vroeg ik.
Hij knikte. Ik bestelde een taxi. In de taxi vroeg ik waarom hij dronk. Hij zei dat hij te vaak belazerd was. Dat-ie veel problemen had gehad met zichzelf, maar dat het nu al een tijdje beter ging. “Vrouwen,” zei hij, “yu sabi toch, je weet toch”. Ik vond het schattig dat hij Surinaams sprak. “Yu na a boy fu mi dreng,” fluisterde ik in zijn oor, “je bent de jongen van mijn dromen”. De taxichauffeur glimlachte naar mij.’

Zowel Vesseur als Van Veelen presenteert websiteproza, het bewijs dat de term ‘schrijftaal’ achterhaald is geworden, met zijn mengeling van clichés, lage en hoge registers, met websiteachtige inhoud, die verbijsterend openhartig is over het intiemste en het pijnlijkste. Het internet heeft ons zicht gegeven op de gedachten van miljoenen mensen die voorheen nooit schreven, en hoewel die meestal verre van lezenswaardig zijn, bieden ze de kans op een sterke karaktertekening. Deze auteurs grijpen dat aan. Van Veelen weet aan zijn internetverteller meer diepte te geven door de tegenstem van de Surinaamse, iets meer tragiek, dan Vesseur aan zijn geamputeerde dommekracht.

Internet heeft de toekomst, althans als inspiratiebron.

Nummer 423: traditionelere verhalen in de schaduw van Kehlmann
Het tweede nummer van 2008 bevat gedichten van Jan-Willem Anker, Pieter Boskma, Thomas Blondeau, Iris Brunia en Evelien Chayes, een essay over Berlijn van Jurriaan Benschop, foto’s van televisiebeelden door Johan van Maasbracht en een vertaling van een verhaal van Daniel Kehlmann. Drie oorspronkelijke prozastukken, van Ton Rozeman, John Toxopeus en Bianca Boer. En zo relevant als mijn gelegenheidsvraag voor nummer 422 bleek, zo weinig van toepassing blijkt het hier. De prozaïsten van dit nummer schrijven traditioneler. Dat dat een slagen niet in de weg staat, blijkt helaas vooral uit het vertaalde verhaal. Eerst de oorspronkelijk Nederlandstalige.

‘En dus de ene nacht: “Ik wil dood. Je moet me troosten.” De andere: “Maak me een kind.” Verhalen over vroeger, over haar vader met losse handjes. ”Iedereen met zo’n vader wil zichzelf verhangen.” De volgende keer: “Iedereen met zo’n vader wil een kind om een beter leven te geven.” Soms luister je. Soms neem je haar. Omdat het je nachtrust kost zeg je dat je morgenvroeg naar je werk moet. Niet dat ze daarvoor gevoelig is: “We moeten allemaal morgenvroeg naar ons werk.”
Een relatie op hoogspanning. Alleen kalmeringsmiddelen werken misschien nog. Ton Rozemans ‘Zwarte Weduwe. Een ode aan Dalton Trevisan’ is schematisch in zijn beknoptheid (slechts twee pagina’s, een ultrakort verhaal zoals de Braziliaanse Trevisan ze schreef), maar de wending is sterk.

Als zijn zus Dorothy na veertig jaar uit Australië schrijft, stelt hij alles in het werk om haar over te laten komen. Maar de jaren hebben haar niet goed gedaan.

‘Je herkent me zo, had ze teruggeschreven en dat klopte wel. In de aankomsthal van Schiphol werd ze door medepassagiers nagekeken: een dikke vrouw met een grijze paardenstaart en een lange, beige regenjas die tot op haar schoenen hing. Afgetrapte, bruine schoenen die zelfs in een bejaardentehuis niet meer worden gedragen.’
De gezinsverhoudingen worden snel helder, en het demasqué zit hem in de details van John Toxopeus’ ‘Dorothy’.

‘Het is liefde op wedstrijdniveau,’ en dat die twee grootheden, liefde en wedstrijd, niet samengaan in de duivenhouderij blijkt uit Bianca Boers ‘Vleugeltheorie’. Duidelijk moet je zijn, tegen het gewelddadige aan, anders win je niet.

‘Mijn vader zegt dat ik altijd al een mietje was. Jij hebt te veel voorstellingsvermogen, zegt hij dan. Dat ik al in huilen uitbarstte van een merel die zijn nek brak tegen het raam van de kamer. Vroeger vertelde hij niet wat hij met ze deed. Dan verdwenen ze gewoon. Als ze opgebruikt zijn, zijn ze in feite nutteloos geworden. Sport is hard, je hebt winnaars en verliezers.’
Boer leidt je binnen in een niet al te zachte wereld en juist wanneer je precies denkt te weten hoe het in elkaar zit, gaat het mis. Sterk!

Het nummer besluit met het korte verhaal van de Duitse auteur Daniel Kehlmann (schreef in 2005 Die Vermessung der Welt), een beklemmend zomerdagverslag over een jongetje in een buitenwijk. Verveling en onmacht, en dan het besef dat hij álles in eigen hand kan hebben.

‘Het moest het juiste moment zijn, precies bepaald en ingeschat. Hij kneep één oog dicht. De weg leek dichterbij te komen. Op het dak van de auto zweefde de zon. Nog even en hij was er. De baksteen was ruw en behoorlijk zwaar. Hij wilde vallen. Bijna was het zover, nog niet helemaal, bijna. Hij dacht aan zijn zuster, en, vreemd genoeg, aan de man van de televisie… Nog niet, bijna… Nu!’
In een kort verhaal kan de wereld veranderen. In een kort verhaal kan je perceptie, van de werkelijkheid, van de taal, totaal gewijzigd worden.

Kehlman geeft het voorbeeld. Zo kan het dus wel degelijk.

Recensieweb zal maandelijks in de opinierubriek Verspreid werk aandacht besteden aan de nieuwe literaire tijdschriften, met nadruk op de korte verhalen van de auteurs van straks. Deze eerste afleveringen zullen we nummers van individuele tijdschriften bespreken die in het eerste halfjaar van 2008 zijn verschenen.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.