Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Verspreid werk 2: Een grotere wereld door Armada (nummers 49, 50 en 51)

door Daan Stoffelsen, 2 september 2008

Je wereld veranderen, dat is wat goede literatuur doet. Dat wil zeggen: jouw wereld, hoe jij naar de dingen kijkt, schokken, voor even of altijd een andere kant op sturen. Diepere inzichten, grotere verwarring, een geheel nieuw perspectief. Laat dat het uitgangspunt zijn, ook voor film, beeldende kunst, muziek, journalistiek , dan heeft Armada, in haar primair journalistieke vorm, dat voor mij gedaan.Bescheiden, sympathiek, maar een kleine paradigmawisseling was het wel. De week-bij-weekrecensent, de nieuweboekenboekverkoper heeft weer oog voor het onzichtbare boek. In deze aflevering van Verspreid werk: het tijdschrift voor wereldliteratuur (sinds 1995), nummers 49, 50 en 51: ‘Dikke boeken’, ‘Wereldliteratuur!’ en ‘New York – Plaats van aankomst’.

Een mens kan maar zoveel boeken lezen, en de afgelopen jaren heb ik me vooral gericht op nieuwe Nederlandse literatuur, met af en toe, in al te zonnige tijden of bij ijsvrij, een bekende klassieker. Dat is eenzijdig, dat is onterecht, dat wist ik al, maar dat is nu weer eens bevestigd, met name door de nummers 49 en 50. Ze zijn helemaal gevuld (feestnummer 50 zelfs ‘dubbeldik’) met essays over literatuur, veelal oude, niet meer in druk zijnde of zelfs onvertaalde literatuur. En dat is niet saai of overbodig. Het is leuk, een pleidooi voor het lezerschap.

De aanstekelijkheid van het enorme obscure: Armada 49
Het themanummer ‘Dikke boeken’ legt de ondergrens bij duizend pagina’s en duikt vooral in de obscuurdere gevallen. Wel eens gehoord van Samuel Richardsons Clarissa Harlowe? Of van het werk van Adriaan Loosjes, of dat van Pavel Melnikov-Petsjerski? Madeleine de Scudéry? Of gelezen? Nee? Dat is niet vreemd, want al hebben ze veel geschreven, een plaats in de canon hebben ze zich niet verworven. In de stukken, die overigens ook recht doen aan recentere dikke pillen als Norman Mailers The Executioner’s song, Thomas Pynchons Against the Day en De man zonder eigenschappen, worden verschillende verklaringen daarvoor gegeven.

Peter de Voogd stelt dat weinig collega’s het in hun hoofd haalden Tom Jones of Tristram Shandy op te geven voor college omdat andere boeken daarvoor dan moesten sneuvelen, Suzan van Dijk citeert de negentiende-eeuwer Jan ten Brink die verklaart waarom men in de zeventiende eeuw wel zulke enorme romans las. Dat komt namelijk

‘[door]dat de adel weinig bezigheden had, terwijl geene locomotieven, telegraphen en telephonen het leven onrustig maakten; dat er in de huizen of kasteelen nog geene klavieren werden aangetroffen; dat geenerlei sport-woede heerschte…’

Een uiterst zinnige opmerking, die naast de aanmerkingen van de auteurs van deze Armada komt die de lengte van hun gekozen onderwerpen nogal eens veroordelen. Richarson compenseerde zijn gebrek aan humor meer dan door zijn ijver, en Loosjes lezen is worstelen. ‘En worstelen is het zeker. Zo veel nationale zelfgenoegzaamheid, deugdzaamheid en moraal, dat zijn we tegenwoordig niet meer gewend.’

Maar toch weten de auteurs hun enthousiasme voor de reuzenromans over te brengen, door analyses waar het dan wel om draait. In Clarissa Harlowe bestaat de charme uit de meerdere perspectieven die de vier belangrijkste briefschrijvers en enkele tientallen minder belangrijke op een relatie met wrede intentie en droevige afloop geven, ‘een polyfonie zonder weerga’. En de held van Loosjes laatste deel van zijn reeks degelijke historische romans is meer een schelm dan een brave jongeman en zijn levensverhaal vermakelijk én leerzaam.

De auteurs van dit nummer hebben de sterke prestatie geleverd inleidend te schrijven, maar niet op de knieën te gaan, academisch gegrond, maar toch aangenaam, en verleidelijk. Het lezen van Pavel Melnikov-Petsjerski moet uitgesteld worden tot ik Russisch ken, en Loosje is nog niet hertaald, maar Against the Day staat voortaan hoog op de leeslijst.

Wereldliteratuur! Persoonlijke verhalen, maar over boeken
Hetzelfde effect hebben de maar liefst tweeëndertig essays in het vijftigste nummer, maar het uitgangspunt – de auteurs zal iets gevraagd zijn als ‘wat is volgens jou de crème de la crème van de wereldliteratuur? Schrijf daar eens over’ – resulteert in een wat ongelijkwaardige mix van bekentenis, analyse en inleiding. De persoonlijke aanpak kan door de prioriteit van de auteur het zicht op de lezer nog wel eens benemen; niet elk stuk is even interessant.

Maar tegenover Fouad Laroui’s iets te absolute reactie op de vraag van de redactie – ‘Ik vind het moeilijk, zo niet onmogelijk, om me tot één titel te beperken’ – staat de intrigerende frase ‘Sinds ik dit boek lees’ van Michiel van Kempen. Alsof hij het boek aan een stuk herleest. Het bijbehorende enthousiasme opent het boek ook voor ons. Hier spreekt niet de academicus, hier spreekt de lezer, en niet over zichzelf, maar over een boek dat we allemaal moeten lezen. Schaamteloze, belangeloze, maar niet inhoudsloze reclame.

Daarmee onderscheidt dit blad – en het is daar, voor alle duidelijkheid, niet alleen in in het landschap van literaire tijdschriften, sterker, het is denk ik het bestaansrecht van deze groep periodieken – zich: oog voor boeken, niet producten, niet hypes; aangenaam naar binnen gekeerd voor een groter publiek.

New York: de vernieuwing verliteraturiseerd
In het 51ste nummer behalve de essayistiek (ditmaal over onder andere Paul Auster en Eduard Limonov) die de eerdere twee nummers alleen maar vulde, ook origineel proza. Niet alleen een buiten-thematisch hoofdstuk uit het nieuwe boek van Ingrid Hoogervorst, maar ook ‘impressies’ en literair proza, al is de scheidslijn tussen beide niet altijd even duidelijk. De impressies zijn van de hand van Frank Ligtvoet, Stan van Houcke, Michael Krondl en Peter Vermaas, terwijl er (zeventiende-eeuwse) poëzie is van Jacob Steendam en proza van de Franse Céline Curiol, van exspunker Raoul de Jong en van Jowi Schmitz. Een mengsel van enthousiasme over de Amerikaanse droom en afgrijzen over de materialisering daarvan.

Maar het nummer begint met Hoogervorsts hoofdstuk, ‘Vogels aan zee’, en goed ook:

‘Door een scheur in het gordijn zweeft een streep zonnestof de kamer binnen, likt aan de deken op het bed dat precies past tussen de drie muren, de nis is als een retabel, van hoofd tot voeteneinde behangen met idolen, verweesd glimlachend kijken ze tussen hun haren door op haar neer. Ze heeft haar lievelingen over het oude behang geplakt, geen plek vrijgelaten.’

Zij, dat is de bijna zestienjarige Maja, en ze gaat naar het strand met Mariska, de mooiere, brutalere hartsvriendin. ‘De’ hartsvriendin, zo staat het er, Hoogervorst weet hun relatie vanaf het begin te abstraheren, te verkillen tot de ongelijke machtsverhouding tussen twee pubermeisjes: wie durft er meer? Schrikbarend snel komt het tot een overschrijding van grenzen, eigen grenzen, maar meer nog de grenzen tussen jeugd en volwassenheid, tussen het aanbidden van popidolen en het genomen worden door de vroegoude roadie van de band. Veelbelovend. Polsslag komt in het najaar uit.

Raoul de Jongs bijdrage, vier pagina’s over zijn ontmoetingen met een indiaan en een sjamane, is van een ongelooflijke lichtheid. Een citaat volstaat, het begin van zijn bijdrage.

‘Ik voelde ze onmiddelijk, tijdens die eerste vijf minuten in New York. Ik was op Time Square en ze waren overal: de sterretjes! Het ritme, de beat, die enorme energie die zei dat alles wat je wilde hier was, dat al het onmogelijke hier kon gebeuren. Die lucht vol beloftes!’

De Jongs tomeloze en weinig kritische enthousiasme krijgt tegenspraak in de impressie van Stan van Houcke, die de lege beweeglijkheid van New York schetst en (mij iets te) zeer nadrukkelijk een verband legt tussen een monument voor de koloniale oorlog op de Filippijnen (tweehonderdduizend doden) en het nabije Ground Zero, en in Peter Vermaas’ droeve verhaal over zijn fiets die gevandaliseerd wordt, en nuance in een andere impressie, die van Frank Ligtvoet: ‘Zwarte ogen. Persoonlijke anekdotes van een witte man’. Hij is sinds 1996 cultureel attaché in de stad en adopteerde met zijn man twee donkere kindjes. Hij legde de botsing tussen goede bedoelingen en wrange werkelijkheid vast in een serie krachtige anekdotes. Ze doen juist dat wat anekdotes vermogen: in kort bestek, in detail iets tonen, een groot verhaal – in dit geval dat van de scheiding tussen blank en zwart –, en het meteen nuanceren.

‘Als ze [een Liberiaanse vriendin die bij het VN-hoofdkantoor werkt – DS] iets exotisch moet vertellen, heeft ze het over Noord-Brabant, waar haar vader zaken heeft gedaan en vrienden heeft gemaakt. Ze moet erom lachen als ze ‘s-Hertogenbosch probeert uit te spreken, en wij lachen ook. Als ze naar huis wil, lopen we ongevraagd met haar naar de Avenue om een taxi aan te houden. Geen enkele taxichauffeur stopt voor een zwarte man, bijna geen enkele stopt voor een zwarte vrouw. Wij zijn wit, elke taxi stopt voor ons, ook als we in het gezelschap van een zwarte vrouw of man zijn. N. en wij wijden nooit een woord aan deze korte avondwandelingen.’

Niet journalistiek, minder confronterend, maar wel erg sterk, is de bijdrage van Jowi Schmitz. Ze studeerde in 2004 in New York en probeert zich aan te passen. Waaraan, en hoe snel dat gaat, is verrassend.

‘Als mijn ouders op bezoek komen trekt de winter weg. Ik toon ze de winkels waarvan ik ben gaan houden. “Dit is New York,” zeg ik steeds, tot ik besef dat alles wat ik ze toon spullen zijn. ‘s Nachts lig ik wakker, geschokt door het inzicht dat New York voor mij blijkbaar uit winkels bestaat. En dat ik dat nu pas ontdek.’

Maar ze geeft de strijd op, en wordt uiteindelijk een van de geharde consumenten die in hoog tempo door de straten lopen, van winkel naar winkel. Dit bescheiden thema krijgt reliëf door subtiele opmerkingen – ‘Het is -17, dat is kou die in je neus bijt’, ‘New York is de plek waar iedere obsessie een tehuis vindt’, ‘Niet in je eigen land wonen maakt dat je je iedere dag net iets bewuster bent van wat je doet. Dat bewustzijn levert tijd op’ – en de romantische verhaallijn die eigenlijk over schoenen kopen gaat.

Samen met de andere impressies, essays en poëzie en proza levert het een uiteenlopende mix op van cliché, kritiek, enthousiasme, berusting en nuance, een totaalbeeld van New York – als plaats van aankomst.

In het volgende, 52ste nummer van Armada essays over ‘De literaire verbeelding van ’14-‘18’.

Recensieweb zal maandelijks in de opinierubriek Verspreid werk aandacht besteden aan de nieuwe literaire tijdschriften, met nadruk op de korte verhalen van de auteurs van straks. Deze eerste afleveringen zullen we nummers van individuele tijdschriften bespreken die in het eerste halfjaar van 2008 zijn verschenen.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.