elders op recensieweb
Graphic novels voor dummies (?)
opiniestuk
Nominate Legendres beeldroman terecht?
opiniestuk
opiniestuk
De nadelen van naar jezelf kijken
opiniestuk
opiniestuk
Een Wikipedia-artikel met plaatjes
opiniestuk
Een man alleen, alleen een woord... en een beeld
opiniestuk
opiniestuk
opiniestuk
Absurde avonturen van een beer en een soort aap-vogel
opiniestuk
opiniestuk
auteur
elders op internet
Nostalgie voert de boventoon in 100 Stripklassiekers
door Remco Wetzels, 24 november 2008
Het eerste gerecenseerde boek in onze nieuwe rubriek ‘Literatuur in kaders’ is geen graphic novel, maar een boek óver strips, en dan niet eens per se de literaire. 100 Stripklassiekers (die niet in je boekenkast morgen ontbreken) is een naslagwerk van de Vlaamse striprecensent Geert De Weyer, een verzameling van artikelen die eerder in De Morgen verschenen. Wat dit boek ook voor deze rubriek interessant maakt is het feit dat het een eerste poging is om een soort van canon voor het medium samen te stellen. Bovendien geeft het een redelijk accuraat beeld van wat er zoal gebeurd is in de strip en toont daarmee aan uit welke tradities de literaire strips, de we binnenkort hopen te bespreken, voortkomen. Het is een zeer leesbaar naslagwerk geworden dat veel, heel veel informatie biedt maar helaas nergens uitlegt wat nou een klassieker maakt en vooral waarom je die nou in je boekenkast zou moeten hebben.
De Weyers keuze voor de term ‘klassieker’ is een lastige, de drie pagina’s tellende inleiding richt zich dan ook vooral op het beantwoorden van de vraag wat zijn honderd stripklassiekers niet zijn. Het is niet per se het beste, of meest commercieel succesvolle werk, het is zeker niet een verzameling van De Weyers favoriete strips en het is bovendien regiogebonden. Met die uitsluitingen toont hij vooral aan dat een klassieker lastig te definiëren is, en dat maakt het natuurlijk ook wel weer gemakkelijk voor De Weyer. Zonder scherpomlijnde definities hoef je als samensteller ook weinig verantwoording af te leggen voor je keuzes. Terwijl enige kritiek op De Weyers selectie zeker op z’n plaats is.
De wel erg sterke nadruk op Franco-Belgische strip, en dan met name alles dat ooit in de weekbladen Kuifje en Robbedoes verschenen is, verdient een aantal vraagtekens, vooral omdat dit ten koste gaat van een aantal belangrijke niet-Europese strips. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat de Franco-Belgische strip, met titels als Kuifje, Asterix, De Smurfen en Guust Flater, niet van belang is geweest in de geschiedenis van de strip maar men kan zich afvragen waarom bijvoorbeeld Rodolphe Töppfer, de Zwitser die reeds in 1833 zeer modern aandoende strips produceerde en door sommigen als de vader van de moderne strip wordt gezien, ontbreekt. Dat terwijl titels als Bollie & Billie, Roze Bottel en Duifje Vleugelslag en Jommeke blijkbaar wel tot de klassiekers gerekend mogen worden. Een ‘klassieker’ is blijkbaar vooral te definiëren als ‘de strips die De Weyer en de experts die hij sprak in hun jeugd gelezen hebben’. Dat is vooral te merken aan het feit dat De Weyer nauwelijks materiaal bespreekt van na de jaren tachtig waardoor veel, heel veel, interessante graphic novels, zoals het werk van Lewis Trondheim, Chris Ware of Marjane Satrapi, onbehandeld blijven, iets dat De Weyer blijkbaar in een tweede deel zal goedmaken.
Niet dat er per definitie iets mis is met een subjectieve benadering, subjectiviteit is onontkoombaar in welke selectie dan ook en De Weyer is juist op zijn best wanneer hij titels bespreekt die hem aan het hart gaan. Zijn bespreking van titels als Frommeltje en Viola of Avontuur zonder helden zijn doordrenkt van een aanstekelijk enthousiasme, De Weyer lijkt het meer over oude vrienden te hebben dan dat hij daadwerkelijk recenseert. Het nadeel is echter dat hij slechts zelden in staat is om uit te leggen waarom deze strips de moeite waard zijn. Hij verliest zichzelf te zeer in uitgebreide plotbeschrijvingen en biografische details die wellicht leuk zijn voor fans maar de niet-ingewijde zelden zullen boeien. Het sterfverhaal van Winsor McCay, hij viel in coma nadat hij zijn tekenhand niet meer kon voelen, of het gegeven dat Kuifje in Tibet is gemaakt om Hergé uit een depressie te helpen, zijn zeker interessant maar de gemiddelde lezer had er meer aan gehad om te weten waarom McCay’s meesterwerk Little Nemo in Slumberland, terecht, als eerste behandeld word of wat er nou zo interessant is aan Kuifje.
Hier had het beeldmateriaal, een hele pagina voor elke besproken titel, een belangrijke bijdrage kunnen leveren, maar De Weyer heeft er helaas voor gekozen om deze pagina’s te vullen met vrolijke collages van tekeningen uit verschillende delen van de oeuvres in plaats van volledige pagina’s of strookstrips af te drukken, een strategie die veel informatiever was geweest.
Hoewel De Weyer zichzelf omschrijft als stripjournalist is dit boek vooral het werk van een zeer enthousiaste stripliefhebber die weinig moeite neemt om aansluiting te zoeken met de wereld buiten de stripwinkel. Het is daarom zeer de vraag hoeveel nieuwe lezers deze honderd strips zullen krijgen door De Weyers besprekingen. Desondanks is het zeker een interessant boekwerk geworden dat een mooi overzicht geeft van wat de strip te bieden heeft. Als handboek voor een bibliothecaris of iemand die een stripverzameling wil aanleggen is het zo al zeer geschikt, de meeste titels in dit boek mogen namelijk inderdaad niet ontbreken in iemands stripverzameling. Alleen jammer dat De Weyer niet in staat is om uit te leggen waarom dat zo is.
Geert De Weyer, 100 Stripklassiekers (die niet in je boekenkast mogen ontbreken) (2008), Atlas, 252 pagina’s, € 49.90 is te verkrijgen bij Athenaeum Boekhandel. 
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



