elders op recensieweb
auteur
auteur
auteur
auteur
auteur
auteur
De ontdekkingen van 2008
door Bob Hopman en Daan Stoffelsen, 30 december 2008
En nu zijn wij ook gezwicht voor het gemak en het overzicht van eindejaarslijstjes. Maar de illusie van objectiviteit die dit soort optelsommetjes van gemiddelde favorieten in kranten en tijdschriften geven, zult u niet bij ons vinden. We zijn subjectiever en stelliger dan we ooit in onze recensies kunnen zijn, over wat literatuur vermag, over wat schrijvers kunnen bereiken, over wie u niet moet vergeten, naar wiens werk u uit moet blijven kijken in de volgende jaren. We presenteren u een bizarre mix van jarenlange ervaring en jeugd, met één debuut, drie tweede romans, een derde roman en een zeventiende prozawerk, een Vlaming, een Irakees, een tijdelijke Amerikaan en uitstapjes naar Groningen, Venetië en Verona, en Den Haag. Recensieweb ontdekte in 2008 Rhodaan Al Galidi, Bert Natter, Vincent Overeem, Eelco Runia, Erik Vlaminck en Christiaan Weijts, en vroeg ze om een reactie.
Rodaan Al Galidi, Dorstige rivier
Goede literatuur spreekt zich uit over het vreemde, over elders en de ander, en schept een intieme afstand. Subtiel of nadrukkelijk, in stijl of plot- en karakterontwikkeling of in beschouwing. Goede literatuur verlaat perspectieven, verrast en verschrikt. Was in Victor Hugo’s Notre Dame de Paris de kathedraal het hoofdpersonage, zo draait in Dorstige rivier het verhaal rond een landschap bij de rivier uit de titel. De familie De Vogel huist hier, en het voedt het dorpje Boran, en het verder op afstand bestaande Irak van Saddam Hoessein. Het landschap is sprookjesachtig, met proporties die op momenten buiten de Westerse logica vallen, en met vreemde eigenschappen die het enkele generaties De Vogel mogelijk maken te midden van ware schoonheid te leven.
Want de werkelijkheid is zo mooi niet. Saddam Hoessein en zijn ‘partij’ laten het land ten onder gaan aan corruptie, oorlog en overige verschrikkingen. Het is een werkelijkheid die steeds dichter bij de dorstige rivier komt, en die in schil, schrijnend contrast staat met de toverrijke omgeving aldaar. Vooral het laatste, het toverrijke, houdt het boek leesbaar. Het maakt de harde geschiedenis van een verscheurd land tot het even lyrische als trieste relaas van enkele bewoners ervan.
‘Hij bracht middagen lang door tussen de bomen van de schilderijen, op de oevers van de meren, onder de bewolkte hemel, waar de brandende zon niet bestond. Hij liep over beschaduwde paden, klom in de takken, vree met de vrouwen, nadat hij de engelen had verjaagd en de ramen en gordijnen had gesloten om alleen met hen te zijn en met hun slapende gezichten, die waren gevuld met rust en niet met angst.’
Dorstige rivier is ook internationaal niet onopgemerkt gebleven. In 2009 zal het dankzij een Engelse uitgever in Amerika, Engeland, Australië en zelfs Zuid-Afrika leesbaar zijn. Hoewel dit voor een schrijver meer dan voldoende erkenning moet zijn, toont Al Galidi zich vereerd om als Recensieweb ‘ontdekking’ beschouwd te worden. Vooral door een website, die in zijn woorden ‘een beetje vrij van organisaties’ opereert. Dat wil zeggen dat het niet de mening van het geheel, van het publicatieplatform, maar van de betreffende recensent, de eenzame lezer weergeeft. En wie zijn Al Galidi’s ontdekkingen van 2008? ‘Eerlijk gezegd ben ik niet een goede lezer. Ik pak een boek, lees een paar zinnetjes, leg het weg en zeg: “o, ik weet waar het over gaat”’. Zelfs Shakespeare kon hem niet boeien dit jaar. Tolstoj, die wel: ‘de eerlijkste schrijver ooit. Een meester.’
Bert Natter, Begeerte heeft ons aangeraakt
Goede literatuur spreekt zich uit over de werkelijkheid en hoe we die zien: wat is werkelijk, wat is verbeelding? Goede literatuur vraagt zich af, ondermijnt het vanzelfsprekende. Bert Natter doet dat door zijn door de vuurwerkramp getraumatiseerde kunsthistoricus te confronteren met een prachtige, verleidelijke klavecimbeliste (de jij in het boek, een constructie die wonderwel werkt) die gek verklaard is, door hem te laten verzeilen in absurde gesprekken met ‘normale’ mensen en ongelooflijke situaties. En door tegelijk de lezer echt te raken, hem aan het lachen te brengen en dieptriest te maken. Natter overtuigt, als hij de grenzen van het geloofwaardige opzoekt en ze daarmee im frage stelt.
‘Ik probeerde me te herinneren hoe je heette. Op zoek naar Dembeck was ik de salon ingegaan. Ik hoorde gekras en gekraak, kreukelige akkoorden en jij zei: “Hoi Lucas!” Een paar uur eerder had Dembeck me aan je voorgesteld, maar ik kon me niet herinneren hoe het was gegaan. Je droeg nu andere kleren. Iets zonder capuchon, maar met een hoofddoekje. Verdwaalde klederdracht. Zeeuws meisje in Groningen. Was dit de dochter van een verse dode, die ik kort daarvoor bespied had toen ze door de knieen ging op de plek waar haar vader was gestorven?
“Leuk,” zei ik.
“Wat leuk?” wilde je weten.
“Dat doekje in je haar.”
“Vind jij dat leuk, Lucas?” Je toch al lage stem zakte een half octaaf bij mijn naam.’
Volgens Natter zullen wij het komende jaar niet veel van hem vernemen: 2009 zal geheel in het teken staan van het schrijven van een nieuwe roman. Die zal waarschijnlijk gaan onder de titel Hoe staat het met de liefde en pas in 2010 verschijnen.
Wat was voor hem de ‘ontdekking’ van het afgelopen jaar? Hij noemt twee titels: Van Coeverings Sneeuweieren en Willem Jardins Monografie van de mond. Vooral over laatste klinkt hij lyrisch: ‘vol encyclopedische kennis en groots opgezette scènes, soms bloedserieus en plastisch, dan weer lyrisch of geestig en vol mededogen met ons arme mensen.’ Beide titels zijn overigens, tot Natters genoegen, genomineerd voor de Academica Debutantenprijs.
Vincent Overeem, Misfit
Goede literatuur spreekt zich uit over de mens, over wat hij doet en waarom. Goede literatuur laat ons ons kennen, met ons meeleven en gaat verder, laat ons van een vreemde houden, laat ons een vriend haten. De openingszin van Vincent Overeems tweede boek Misfit mag direct als opvallend worden opgemerkt: ‘Het was al weken over de dertig graden en we neukten niet meer.’ Maar geneukt wordt er wel degelijk, in de eerste pagina’s zelfs met haast onwerkelijke frequentie. Het is warm, plakkerig, zelfs een beetje vies, op het matras waar de hoofdpersoon en zijn vriendin Kaat hun liefde beleven.
De liefde is voelbaar. De roman is stilistisch niet puntgaaf, maar de personages, hun menselijkheid en hun herkenbaarheid maken dit met gemak goed. De vrolijke Kaat, de naamloze hoofdpersoon en zijn dieptrieste broertje Krijn, het zijn mensen waarmee men kan meevoelen. En anders dan in de zovele romans de afgelopen jaren waarin vooral leegte en slechtheid een rol spelen, bestaat in Misfit de troostende gedachte aan schoonheid, die steeds zoveel eenvoudiger blijkt dan wij ons voorstellen.
‘Kaat met haar felle ogen. Kaat die op haar stoel met een geconcentreerde blik haar teennagels lakte. “Kijk wat een grappig kleurtje”, en stak haar voet naar me toe, wiebelde met haar tenen. Kaat die zomaar een kwartier naar het plafond kon staren. “Wat zie je toch?” vroeg ik en ze schrok op uit haar gedachten. “O, niks, gewoon een spinnetje. Hoe die loopt.” Die binnenkwam en zei: “Dag ouwe man in een jong lichaam.” Die het liefst wilde zoenen als je een ijsje aan het eten was. “Lekkere koude tong heb je nu. Met een smaakje eraan.” […] Kaat met haar commentaar bij alles wat ze deed. Ik ga nu dit… Ik ga nu dat…’
Vincent Overeem toont zich desgevraagd gevleid gekozen te zijn tot de beste boeken, temeer omdat het door een jonge generatie is gedaan: ‘Mijn grootste wens is altijd dat een of andere jongen uit Appelscha mijn boek leest en denkt: verrek, dat ben ik! Dat is het allerhoogste wat je kunt bereiken.’ Overeems eigen ontdekking van 2008 is Gustaaf Peek geweest, met zijn Dover, een schrijver waar we volgens hem nog veel van horen gaan.
Wat kunnen we in 2009 nog verwachten? Overeem broedt, los van de verhalen die hij her en der publiceren wil, op een grote roman in het genre van Donna Tartt’s A sectret history. Veel groter had het verschil met zijn Misfit niet kunnen zijn, maar juist daarom wachten wij met smart.
Eelco Runia, Breukvlak
Goede literatuur spreekt zich uit over zichzelf, over hoe persoonlijk ze is, of algemeen geldend, over hoe ze gevolg is of oorzaak van herinnering, verbeelding, eenzaamheid. Goede literatuur staat stil bij zichzelf en gaat verder.
Thrillerachtige en romantische gemakslectuur prijkt even makkelijk met de term ‘roman’ als een essayistisch dagboekexperiment als Eelco Runia’s Breukvlak. Dit (bewerkte) weblog over een verblijf in Californië als gastdocent, opgetrokken uit observaties van de periferie, ontbeert seks en sensatie, whodunnit-spanning, zelfs ontboezemingen in de relationele sfeer (waarvoor is de hoofdpersoon op de vlucht? Hoe zit het met de scheiding en de grote liefde?), op een manier die de door de hoofdpersoon zelf getrokken vergelijking met Augustinus’ Belijdenissen ook op de meer monastieke vlakken terecht maakt.
Maar Breukvlak is niet minder, het is vooral meer: een metaroman, over aanwezigheid, afbeelding en afleiding, geschreven op een manier die een geheel andere intimiteit opwekt, een heel andere spanning. Het is een samenzweerderige intimiteit, de wetenschap in een experiment te delen, het is een subtiele spanning, de verwachting niet wanneer b op a zal volgen, maar of het wel b zal zijn.
‘Geen cheque vandaag. Ja, jullie, lezers, hadden dat natuurlijk wel zien aankomen. Dingen die zo aangekondigd worden, en waar zoveel van afhangt, gaan in een gemiddeld plot gewoonlijk inderdaad niet door. Jullie zijn boekenlezer, filmkijker of soaphabitué genoeg om te weten dat in de genres waar jullie aan verslingerd zijn de dingen niet worden aangekondigd om vervolgens doodleuk te gebeuren zoals ze zijn aangekondigd. Dan zouden ze net zo goed niet aangekondigd kunnen worden. Maar wat voor jullie, lezers, een genre is, is voor mij werkelijkheid. Wat jullie, lezers, al wel wisten, kwam voor mij – fundamenteel onkundig over de regels van het spel – toch als een verrassing: ik heb nog steeds geen geld en kan Lane dus nog steeds de huur niet betalen. Of misschien kwam het voor mij ook wel niet als een verrassing en anticipeerde ik met mijn aankondiging op een plotwending die het echte leven stellig zou voltrekken.’
Het lag in de lijn der verwachting dat juist deze schrijver de ontologische status van zijn ontdekking in twijfel trekt: ‘het is een illusie om te menen dat dingen “ontdekt” kunnen worden.’ Elke weergave, elke benaming komt verder van de werkelijkheid te staan. Met een citaat uit Breukvlak: ‘Doordat ik begonnen ben de werkelijkheid van mijn verblijf hier weer te geven, heb ik die werkelijkheid zodanig veranderd dat ik hem alleen nog maar weer kan geven door hem nog verder te veranderen.’
Hij is van zins een boek te schrijven over de onmogelijke liefde tussen twee roofdieren. ‘Het ene roofdier heeft zachte poten en scherpe tanden, het andere heeft zachte lippen en scherpe klauwen. Het ene roofdier doet het andere pijn als hij hem aanraakt,het andere roofdier doet het ene pijn als zij hem kust. Maar ze houden erg van elkaar, willen hoe dan ook aanraken en aangeraakt worden, kussen en gekust worden.’ Vooralsnog kunnen we teren op zijn ontdekking van afgelopen jaar: De graaf van Monte Cristo, van niemand minder dan Alexandre Dumas.
Erik Vlaminck, Suikerspin
Goede literatuur kan zuiver mimetisch zijn zonder na te bootsen. Het kan de ons de wereld laten zien, in al zijn doortraptheid en al zijn schoonheid, maar vooral met oog voor dat detail dat wij wellicht zelf gemist zouden hebben.
De grote kracht van Suikerspin zit in de kunst van het vertellen. Meerdere generaties kermishandelaren, door en door rotte figuren, worden afgewisseld met het verhaal van een Siamese tweeling, attractie in een ‘freak show’. De misbruiker en de misbruikte, beide komen aan het woord, de agressieve tegenover de droeve, het naargeestige tegenover het zachtaardige. Het is uitstekend uitgebalanceerd, het is bijzonder aangenaam leesbaar.
Onder de belangrijkste taken van de criticus valt het ontdekken van nieuw, jong talent. Erik Vlaminck (1954) valt niet onder nieuw talent: hij publiceert al ruim dertig jaar romans. Op Recensieweb zijn twee recensies te vinden, één uit 2006 van zijn gebundelde roman fleuve, één uit 2008 van Suikerspin. Beide boeken ontvingen het uitzonderlijke aantal van vijf sterren, waarmee Vlaminck voor Recensieweb een auteur van buitencategorie is. Met deze verkiezing tot ‘ontdekking van 2008’ krijgt hij de aandacht die hij verdient.
‘We hadden dat aaneengeklonken wijvenstel in de barak moeten zetten vooraleer we de façade plaatsten. Nu zal het een groot gesukkel worden om ze binnen te krijgen.’ Het is Jean-Baptist die het zegt.
Richard antwoordt met een reeks verwensingen en vloeken. Richard vloekt voortdurend. Alle duivels uit de hel. Joséphine heeft dan telkens de neiging om, zoals het haar geleerd werd, een kruisteken te maken maar ze voelt dat het beter is om die neiging te onderdrukken.
“Wie kettert en vloekt, tekent er zelf voor om tot het einde van de dagen te branden in de meedogenloze vlammen van de hel. En het ergste is dat zulke heidense zondaars, en bijna altijd zijn het mannen, dat zelf niet beseffen,” zei Soeur Marie-Françoise vaak. En dat allemaal omdat de tuinman in Sint-Barbara heel af en toe “dedju” zei. In vergelijking met deze Richard kan die tuinman toch geen grote zondaar geweest zijn. Er ontbrak bij die tuinman een pink aan zijn ene hand. En soms gaf hij hen een appel of een peer en dan knipoogde hij. Joséphine vraagt zich af of hij nog steeds stiekem appelen en peren weggeeft. En naar wie hij nu zou knipogen.’
Erik Vlaminck gaat de komende jaren vooral life. Zijn nieuwe theaterstuk Dulle dulle griet gaat in januari in première. Ook gaat hij aan het werk aan een theaterversie van Suikerspin, naar verwachting voltooid in 2010. En hij broedt op een nieuwe roman, waar hij verder nog niets verraadt. ‘Om niemand op slechte gedachten te brengen.’
Christiaan Weijts, Via Cappello 23
Goede literatuur spreekt zich uit over taal, over hoe we spreken en waarom, over cultuur, over hoe we doen en waarom. Ze toont botsing en onbegrip, beschouwing en beleving. Weijts’ personages, ondergedompeld in de oude wereld, kenners van hoge cultuur, komen in aanraking met overweldigende representanten van het nu, van de media, het internet. Ze raken geïnspireerd, geobsedeerd, maken een misstap, vallen.
Via Cappello 23, het reële adres waar de fictieve Romeo en Julia elkaar op het balkon troffen, is Weijts’ tweede roman. Het is met enorme vaart geschreven, realistisch en beklemmend in de realisatie dat intimiteit, ontbloting en privacy geen vanzelfsprekende combinatie meer is. Dat, belangrijker, authenticiteit een construct is. Maar de kwaliteit van Weijts’ werk is een andere. Prostitutie, sensatie en gewraakte eergevoelens zijn niet iets nieuws, niet alleen iets van web2.0 en een door waterstijging en toerisme bedreigd Venetie, het is ook Shakespeare en Titiaan. De mens die zich mee laat slepen is en blijft zijn eigen beul en slachtoffer. In leven, dood en lust.
‘”Film je jezelf wel eens naakt?”
Felicia komt de douche uit. Hij hoort haar blote voeten nat over de plavuizen van het appartement stappen nadat de douchedeur met een harde tik terugviel.
Ze draagt alleen een handdoek, als een tulband om haar hoofd gewikkeld. Haar borsten deinen op haar blootvoetse tred. Haar onverwacht kaalgeschoren kutje is adembenemend. In het licht van deze alledaagsheid is ze verrukkelijk mooi.
“Soms.”’
Weijts belooft van alle aangeschreven schrijvers misschien wel het meeste voor 2009. Een column in De Groene Amsterdammer, een in Autoweek, over de vorderingen met zijn rijlessen, en als grote ‘traktatie’ een roman of novelle aan het einde van het nieuwe jaar. dat is een primeur (‘een unicum’) in de Nederlandse letteren, een project in samenwerking met het Danstheater. En zijn roman Art. 285b wordt vertaald naar het Duits: een compliment voor de schrijver, een opsteker voor de Nederlandse literatuur. Zijn grootste ontdekking was Thoméses Vladiwostok!, een ‘krankzinnig sterke roman’, die voor hem aanleiding was Nergensman: autobiografieën te lezen: ‘een autobiografisch ideeënboek dat zich moeiteloos kan meten met de klassiekers uit dit genre’ van Mulisch of zelfs Pessoa.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



