Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Mijn jeugdboek: waarom valt herlezen me zo zwaar?

door Bob Hopman, 13 februari 2009

Recensieweb herleest favoriete jeugdboeken. Wat zijn de pareltjes die ons als kind of tiener slapeloze nachten bezorgden? En doen ze dat nog steeds?
Eveline Vink herlas Oorlogswinter, Bob Hopman vervolgt met Toontje Poland: een Alkmaarse jongen in de dagen van Napoleon.

Kinderen geven weinig om de taal waarin een boek oorspronkelijk geschreven is. Astrid Lindgren is een Zweedse, Roald Dahl een Brit en dat waren mijn twee favoriete jeugdschrijvers. Wanneer ik word gevraagd een kritiek te schrijven over mijn favoriete Nederlandse jeugdboek, voor Recensiewebs jeugdliteratuurrubriek – waar Tonke Dragt, ook een mooie, al eens behandeld is – wordt het moeilijk met een ‘eigen’ lievelingsschrijver te komen. Vooruit, ik herlees Johan Fabricius.

Het is niet zijn De Scheepsjongens van Bontekoe, toch het beroemdste werk, dat op mij de meeste indruk heeft gemaakt, maar het ruim vijftig jaar later verschenen Toontje Poland. Net als De Scheepsjongens een historische avonturenroman, ditmaal verhalend over de (zwaar geromantiseerde) jeugd van het historische figuur Theodorus Poland.

Theodorus (‘eigenlijk heet ik helemaal geen Toontje’), hoofdpersoon en ik-verteller, wordt geboren in Alkmaar, begin 1796. Zijn familie heeft een kruidenierszaakje aan een mooie gracht, en leeft er fatsoenlijk van. Hij heeft twee zussen en ‘O, voor ik het vergeet’, ook nog een broertje. De laatste verdrinkt in de gracht, de eerste stap op weg naar moeders krankzinnigheid. De tweede stap is het overlijden van de vader aan een ernstige longaandoening, en daarmee is de beginsituatie van deze geschiedenis geschetst. Derde stap is moeders relatie met kostganger Plasman, een Friese dronkaard. Toontje doet, nauwelijks twaalf jaar oud, nog wel een moordpoging door een brok lood uit het raam te gooien, op het hoofd, nee, mis, de schouder van Plasman. Daarop vlucht hij de stad uit, vastbesloten ooit terug te komen om het karwei af te maken, maar zonder veel toekomstperspectief.

Na allerlei omwegen komt Toontje een sergeant in dienst van de Franse keizer tegen. ‘Zijn’ sergeant, Grondeling genaamd, vertelt hem van de schoonheid en de romantiek van het militaire leven, en de jongeling laat zich overtuigen in dienst te gaan. Hier begint een verhaal van romantische dromen van oorlog, in feite gepresenteerd als raamvertelling: Toontje volgt zijn opleiding, dient een tijd als matroos, ontmoet keizer Napoleon, en marcheert van Den Helder tot Marseille. Nooit vuurt hij maar een kogel af. Grondeling daarentegen brengt de verhalen van het front, de stoere verhalen van vluchtende vijanden en verslagen Pruisische en Russische legers, en ten slotte, in de sleutelscčne van de roman, een verslag van de zwaar mislukte mars op Moskou, waar het grootse Napoleontische leger tot pakweg een tiende werd gereduceerd.

Het is die constructie, de verhalen van het front en de niksdoenerij van een naar actie hunkerende Toontje zelf, die me vijftien jaar terug diep wist te raken. Bij de ondergang, de ‘val’ van Napoleon, valt ook de militaire droom in duigen. Het beeld dat de hoofdpersoon, en daarmee de jeugdige lezer heeft van Franse rijk, blijkt vanaf het begin misleidend geweest. Het besef komt als een klap, het ‘vallen’ van Napoleon, Grondeling en Toontjes droom maken het verhaal triest en juist de ondergang van de droom geeft het tegelijkertijd iets romantisch.

Dat geldt helaas alleen voor de jonge lezer. Nu, geoefender lezer, zie ik vanaf de eerste pagina dat dit een nogal betuttelend antimilitaristisch pamflet is. Bij de vroegste aanraking met soldaten begint de discussie van goed en kwaad al, tussen oom en tante die dronken militairen over straat zien gaan:

‘“Ik moet zeggen: ’n vrij leventje, dŕt hebben ze wel,” verzuchtte hij. Waarop tante hem meteen vroeg of hij bij haar soms géén vrij en vooral geen goed leventje had? Of hij misschien liever dood op het slagveld wou liggen, allemaal voor het plezier van die Franse keizer?
Nee, dat wou Oom toch ook weer niet graag.’

Dit soort relativerende en toch ook ouderwets ogende passages komt in zo grote getale voor, dat mij al lang voor de omslag in het succes van Napoleon duidelijk is hoe de verteller over het leger en bijbehorende dromen denkt. De val is daarmee geen verrassing meer, een spanningsboog is er vanaf het begin niet. En om daar nog een bezwaar bovenop te geven: iets meer psychologische diepgang van de vermoedelijk toch getormenteerde personages was welkom geweest, zelfs voor de jeugdige en schijnbaar volgens Fabricius ‘tere’ lezers. Naar mijn mening moet die jonge lezers niet een hand boven het hoofd gehouden worden, maar hen ook de ruimte worden gegeven zelf wat over goed en kwaad, of over in dit geval verlies en verdriet in literatuur te reflecteren. Dat is tegenwoordig algemeen gedachtegoed: kijk bijvoorbeeld naar een auteur als Peter van Gestel, wiens jeugdroman Winterijs ik onlangs las, een boek waarin de heftige impact van de Tweede Wereldoorlog vol op het bord van het serieus genomen jonge publiek komt en dat desondanks massa’s literaire prijzen en mijn bewondering won. Fabricius lijkt hiermee vergeleken wat in de jaren twintig te zijn blijven hangen, is ouderwets en betuttelend.

Heb ik me vroeger zo voor de gek laten houden door dit boek dat ik niet door de eenvoud van de romantische schijn, naar de opvoedkundige ondertoon heen zag? In ieder geval ben ik nu wijzer. Zelden heb ik hiervoor mijn jeugdboeken herlezen, en ik zal het na deze ontgoocheling ook niet snel meer doen.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.