Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Schaduwjury: over de uitzonderlijke Vlaamsheid van een debutant

door Lotte Brugman, Laurens Ham, Karlijn de Winter en Bert Zuidhof, 2 september 2009

Wie schreef het beste fictiedebuut van 2008? De jury van de Academica Debutantenprijs selecteerde alvast vijf titels. De keuze voor wie de prijs op 27 september 2009 uiteindelijk ontvangt ligt nu bij de lezers. Recensieweb leest mee, en heeft daarvoor een schaduwjury in het leven geroepen. In vijf afleveringen wordt daarin gediscussieerd over de genomineerde boeken. In deze vierde aflevering bespreekt de schaduwjury Simone Lenaerts’ Zeewater is zout, zeggen ze.

Karlijn: het Vlaanderen van de jaren vijftig
Het valt me op dat Vlaamse romans vaak sterker maatschappelijk bewogen zijn dan Nederlandse. Chris De Stoop, Geertrui Daem, Dimitri Verhulst ( De helaasheid der dingen ), Louis van Dievel – allemaal schreven ze recentelijk romans die een beeld proberen te schetsen van ‘het Vlaanderen’ van de twintigste eeuw. Al dan niet gevuld met volkse types, luidruchtig cafébezoek en katholieke tradities lijken deze een antwoord te willen geven op de vraag wat Vlamingen bindt. Simone Lenaerts’ Zeewater is zout, zeggen ze past zeker binnen deze tendens. Haar debuut brengt ons terug naar het Antwerpen van de jaren ’50, naar een milieu dat ze – gezien haar geboortejaar (1947) en –plaats – zelf ook goed gekend moet hebben. Het ruikt er naar muffe schoolbanken en zwetende metaalarbeiders, naar een bekrompen katholicisme en een opkomend consumentisme.

Dit kleinburgerlijke en tegelijk aan moderniseringen onderhevige wereldje wordt in al zijn dagelijkse zorgen en kwezelarijen opgeroepen. Dat gebeurt via meerdere hoofdpersonen, die allemaal uit hetzelfde gezin komen. Het vertelperspectief wisselt tussen de personages: de vader, de communistische fabrieksarbeider Raymond; de moeder, de huisvrouw Rika die zich ontpopt als cafébazin; en hun dochter, een kind nog, de pientere en zachtaardige Rosa. Ze heeft ook een jonger broertje, Jean-Pierre, die geen vertellersstem heeft maar een geestige achtergrondrol als kleine, verwende lastpak.

Wat er onder de Vlaming die dagen allemaal speelde krijg je te zien via de bezigheden van dit gezin, van hun boodschappen in de kruidenierswinkel tot hun bezoek aan de wereldtentoonstelling van Brussel in 1958. Het wereldnieuws horen we bij monde van Raymond, een verwoed lezer van De rode vaan, de opstekende vrouwelijke ambities voelen we mee met Rika en van de degelijke katholieke opvoeding vangen we veel op via Rosa’s godsdienstige speelmaatjes. De kerk bepaalt nog hoe mensen zich dienen te gedragen, wat dit antiklerikale gezin in een lastig parket brengt. Zoals Raymond in een denkbeeldig gesprek met zijn vader stelt:

‘Veel is er helaas niet veranderd, het is nog altijd zo, als ge niet naar de pijpen van de paters danst, blijft ge een paria. De pijpen. De pijen. Va, oe gebeente luistert niet, ik weet het, maar tegen wie moet ik het zeggen, het onkruid heeft ook geen oren. Alaska. Met wat ge daar verdient, is al oe miserie in één klap van de baan.’

Wat mij nog sterker het ‘maatschappelijke’ belang van dit boek deed ervaren was de taal. Lenaerts schrijft in een krachtige spreektrant, met veel dialogen en gedachten die je in je ‘geestesoor’ zó hoort uitspreken. Om de haverklap passeren Vlaamse (Antwerpse) zegswijzen de revue: ‘oe miserie’, ‘nondeju’, ‘ge gaat verschieten’, ‘ik ga een pozeke pakken’. Die aandacht voor het dialect, die Lenaerts deelt met veel van haar Vlaamse collega’s, geeft haar tekst een sprankelend, authentiek geluid. Het is vooral door die taal dat het Antwerpen van de jaren ’50 in de roman opeens heel dichtbij lijkt.

Alles in dit boek lijkt in dienst te staan van de weergave van de Antwerpse samenleving in die tijd. Hoewel ik die weergave dus heel geslaagd vind, raakt daarmee wel het verhaal van dit individuele gezin ondergesneeuwd. De hoofdpersonen maken veel door, dat wel; Rosa krijgt zelfs twee zware jeugdtrauma’s te verduren. Toch lijkt Lenaerts daar nogal vluchtig overheen te gaan, waardoor de persoonlijke ontwikkelingen binnen het gezin bij mij geen diepe indruk achterlieten. Of komt hun verhaal volgens jullie wel goed uit de verf?

Laurens: reflectie op de rol van taal in Vlaanderen
Je hebt gelijk dat er nogal vluchtig over Rosa’s trauma ’s wordt heengegaan, Karlijn. De spaarzame woorden die eraan worden besteed staan in contrast tot de overdadige aandacht voor ruimtelijke details. Veel auteurs denken nog steeds dat een lezer veel verhaaldetails nodig heeft om zich een beeld van de fictieve wereld te vormen. Voor mij geldt dat bepaald niet; de ruimte wordt des te schimmiger wanneer van iedere sofa wordt verteld in welke kleur en stof hij is uitgevoerd. Laat mij mijn eigen wereld maar vormen aan de hand van spaarzame aanwijzingen.

De familieverhoudingen zijn dus te weinig ingekleurd, terwijl de ruimtelijke werkelijkheid dat teveel is. Ik heb het idee dat dat geen toevalligheid of een vergissing is, maar dat het samenhangt met de thematiek van het boek. Eigenaardig aan Zeewater is zout – jij wees er ook al op, Karlijn – is dat de taal op de voorgrond komt te staan. Het taalgebruik wordt ten eerste erg scherp naar voren gebracht door het gebruik van dialect en spreektaal. Je bent je als lezer voortdurend bewust van de woorden waarmee de personages zich uitdrukken. Opvallend vond ik bovendien de weergave van kleine eigenaardigheden in het taalgebruik van personages. Zo wordt Raymonds uitspraak van ‘u’ steevast als ‘oe’ weergegeven. Bij Rika wordt er verschillende keren op gewezen dat ze vaak het woord ‘jij’ gebruikt, een erfenis van haar Nederlandse moeder. Interessant hieraan is dat de taal dus tot een ideologisch strijdmiddel wordt; de spanningen tussen de door en door Vlaamse Raymond en de ‘half Nederlandse’ Rika zijn al op het vlak van de taal zichtbaar.

Niet alleen in de dialogen komt de taal echter op de voorgrond te staan, maar in de hele roman. Dat heeft met het eigenaardige vertelperspectief te maken. Achtereenvolgens bekijken we de verhaalwereld vanuit Rika, Raymond en (vooral) Rosa. De verschillende perspectieven vloeien naadloos in elkaar over. Feitelijk is het verhaal te lezen als de verknoping van drie ‘streams of consciousness’: aan het gebruik van korte zinnen, het vóórkomen van gedachtesprongen, associaties en woordspel is te zien dat we in het hoofd van de personages zitten.

Wat ik nu opvallend vind is dat de taal zo’n belangrijke rol gaat spelen, dat hij de werkelijkheid zelf gaat beheersen. Ik bedoel dat er nauwelijks aandacht wordt besteed aan de beschrijving van gebeurtenissen, en dat terwijl er genoeg dramatisch gebeurt: een dodelijk ongeluk, een moord, een zelfmoord. Die gebeurtenissen komen enkel tot de lezer via (verbloemende) dialogen die er na afloop over worden gevoerd. Dat illustreert aan de ene kant het feit dat de personages hun informatie vaak van horen zeggen hebben. Ik denk nu ook aan de titel van de roman, waarin het belang van het spreken en het gerucht wordt benadrukt. Tegelijk toont dat aan dat er een interessante discrepantie bestaat in de weergave van de ‘stream of consciousness’: bijna dwangmatig denken de personages in taal na over hun leefwereld (om er grip op te krijgen en te houden?), terwijl ze niet of nauwelijks nadenken over de gebeurtenissen die in hun omgeving afspelen. Twee dingen kunnen hier aan de hand zijn: ofwel de personages denken echt niet na over die gebeurtenissen (verdringing?), ofwel de lezer wordt op het verkeerde been gezet en wordt in de positie van toehoorder geplaatst, iemand die alleen achteraf en van een afstand met de verhaalwerkelijkheid in aanraking komt.

Tijdens het lezen moest ik voortdurend denken aan een ander Vlaams boek dat is te lezen als één grote dialoog, een monsterlijk reservoir aan taal: Hugo Claus’ meesterwerk Het verdriet van België. Net als Zeewater is zout is het een coming of age-roman waarin het politieke en het religieuze Vlaamse leven met elkaar in botsing komen. De hoofdrolspeler in Het Verdriet, Louis Seynaeve, is te jong om de ideologische spanningen in het Vlaamse interbellum te begrijpen. Hij ziet niet hoe zijn familie door al dan niet verborgen sympathieën voor het opkomende fascisme verdeeld raakt. Wel is hij constant toehoorder van gesprekken – gesprekken in dat eigenaardige Vlaams dat heel authentiek aandoet maar dat Claus zelf voor deze roman uit verschillende dialecten gedestilleerd heeft. Op sommige pagina’s in het tweede deel van het boek volgen paginalange gespreksflarden, zonder dat ook maar duidelijk is wie er voor de tekst verantwoordelijk is. Louis is voor zijn begrip van de wereld afhankelijk van de verbloemende taal waarmee collaboratie goedgepraat wordt. In Het Verdriet is de positie van de hoofdpersoon én van de lezer daarmee dezelfde als in Zeewater is zout: lezer en hoofdpersoon zijn afhankelijk van dialogen om een indruk te krijgen van de gebeurtenissen.

Bij Claus heeft deze techniek als effect dat hét Tweede Wereldoorlogtrauma van België inzichtelijk wordt gemaakt. Veel Vlamingen raakten gemakkelijk in collaboristisch vaarwater, doordat het Vlaams-nationalisme de overstap naar het fascisme erg gemakkelijk maakte. Lenaerts heeft minder grote ambities, maar ik denk dat ook bij haar getoond wordt hoe geladen (gesproken) taal kan zijn in een Vlaams-Belgische context.

Lotte: Zoeken naar emotie
Taal, familie en het Vlaanderen van de jaren ’50 staan inderdaad centraal in dit boek, dat ben ik met jullie eens, Karlijn en Laurens. In het verhaal is een centrale plaats ingeruimd voor de verregaande desintegratie van het gezin Lahaut en de ontwikkeling van de individuele gezinsleden die daarmee gepaard gaat. En ja, ik vind wel dat het gezin goed uit de verf komt. Steeds meer en steeds pijnlijker wordt duidelijk hoe slecht de gezinsleden elkaar begrijpen. Ieder van hen onderneemt pogingen om de impasse te doorbreken waarin het gezin is terechtgekomen, maar die pogingen worden door de andere gezinsleden onbewust gedwarsboomd, genegeerd of als ‘onoprecht’ terzijde geschoven. Zo gaan ze allemaal steeds meer hun eigen weg: Rosa vlucht in school en filosofische overpeinzingen, Rika in haar werk en Raymond in een communistische droom. Jean-Pierre is ‘the odd one out’, omdat hij geen eigen vertelstem heeft en zich bovendien steeds aan het zicht van de vertellers ontrekt: spelen bij een vriendje thuis. Als hij wel in beeld is en in de buurt van de familieproblemen, strooit hij op gepaste momenten zout in open wonden en speelt hij met verve de rol van een vervelend, zeurderig moederskindje.

Lenaerts zet de personages op twee manieren heel sterk neer. In de eerste plaats door zoals gezegd ieder van de drie vertelpersonages zijn eigen stem te geven. Dankzij de eigen stijl en woordkeus weet je direct in wiens hoofd je zit. Elk personage heeft ook zijn eigen ‘kleur’: je kijkt mee door hun donkerbruine of juist roze bril. Door de wijze waarop ze in gedachten op bepaalde gebeurtenissen reageren, leer je ze kennen, vermoed je iets van hun emoties en ervaar je de fricties binnen het gezin des te sterker. Die verschillende brillen tonen verschillende accenten en contrasten, waardoor je als lezer een steeds completer beeld voor ogen krijgt van de ruïne die het voortploeterende gezin vormt. Dit effect is het sterkst op de momenten dat gezinsleden elkaar tegenkomen en het perspectief snel wisselt.
Door de ruzies, goede bedoelingen en frustraties heen sijpelen ook steeds meer gegevens over de geschiedenis van de verschillende hoofdpersonen, zodat langzamerhand duidelijk wordt waarom ze bepaalde nukken of voorkeuren hebben, of waar die obsessie met verliefdheid, dat sensatiebeluste of die niet aflatende honger naar kennis toch vandaan komt.

Dat Lenearts vaak over belangrijke gebeurtenissen heen springt om ze later via een omweg aan het licht te laten komen, is mij ook opgevallen, Laurens. Ik vind dat dit in Zeewater is zout, zeggen ze heel goed werkt. De manier waarop belangrijk nieuws wordt gebracht, zegt namelijk heel veel. Niet zozeer over de ontvanger van de boodschap, als wel over de brenger ervan. Raymond brengt voor Rosa verpletterend nieuws over haar beste vriend en jeugdliefde haast achteloos, tussen neus en lippen door. De dreun komt daardoor des te harder aan, juist omdat niet direct zeker weet over wie het verhaal gaat en omdat je, zodra je beseft over wie het gaat, je direct realiseert hoe verschrikkelijk dit nieuws moet zijn voor Rosa. Zo word je meegezogen in Rosa’s ‘het zal toch niet…’ Ik vind dat een heel sterke vorm, die op een aantal momenten in het verhaal heel goed werkt.

Helaas ontbreekt daardoor ook vaak de emotie die met die gebeurtenis gepaard gaat. Je krijgt het gevoel meestal namelijk niet te zien: in plaats van in te zoomen, draait de camera vaak weg van degene die voelt. Het blijft daardoor bij gissen naar de emoties van het moment, vanuit de kennis die je van het personage hebt gekregen. Dit past wel bij de personages, die vrijwel allemaal hun gevoelsleven als privé beschouwen, maar het maakt het wel moeilijker om je in hen in te leven. Het lijkt wel of Lenaerts bang is geweest een al te sentimenteel boek te schrijven. Dat gevaar schuilt inderdaad in dit plot, waarin zich een groot aantal dramatische gebeurtenissen afspeelt, maar een tikje meer emotie het boek ongetwijfeld goed gedaan.

Bert: Sprankelende taal, personages zonder woorden
Lotte, ik weet niet of het ik volledig eens ben met je opmerking over de duidelijk onderscheidbare perspectieven. Afgezien van de stopwoordjes, de stokpaardjes en de terugkerende onderwerpen vond ik de stemmen erg op elkaar lijken. Dat ligt hoogstwaarschijnlijk in de staccato, gedachtestroomachtige formulering die nu eenmaal inherent is aan de personale perspectieven. Waar je wel gelijk in hebt, is de meerwaarde die de perspectiefwisseling biedt. Meer nog dan alleen het bieden van contrast, brengt Lenaerts’ vertelwijze het verhaal opmerkelijk tot leven. De menselijke communicatie wordt op een zeer natuurlijke manier geschetst:

‘“Wat kijk je om, Raymond, ben je bang dat je Skoda er in zijn eentje vandoor zal gaan?”’
‘Alles kwijt. We zitten aan de grond. Gaat ze me een beetje jennen. Is het te verwonderen dat ik soms denk: Wat loop ik hier nog te doen? Ik zou me beter van kant maken.’
‘Zijn blik. “Een geiiintje, nijnagel. Het kost me alle moeite van de wereld om mijn zenuwen te beheersen.”’

In plaats van een auctoriale verteller die becommentarieert, zijn het hier slechts de personages die hun kant van de dialoog belichten. Geen overbodig commentaar, puur de stemmen, en de stemmingen.

Het perspectief draagt bij aan de geïsoleerdheid van de karakters, met hun onuitgesproken gevoelens en ergernissen. De dinerscènes, thuis, aan de keukentafel, zijn wat dat betreft exemplarisch. Vader en moeder zetten de situatie op scherp, Jean-Pierre wakkert het aan. Onder andere door dit soort passages komt de ontwikkeling van het gezin richting ondergang wel degelijk goed tot z’n recht, vind ik. De traumatische gebeurtenissen blijven in hun grootsheid bijna links liggen, zoals jullie terecht opmerken, maar op de achtergrond is te zien hoe het gezin uiteindelijk volledig instort, als ook het laatste, grote project van Rika, haar eigen café, op een debacle uitloopt; een eenzame oudejaarsavond, in stilte doorgebracht. Het verhaal van de familie vind ik daarmee sterk.

Wat echter nadelig is, is dat de gekozen perspectieven niet altijd even goed in balans zijn en dat een personage soms voor lange tijd als enige aan het woord is, waarmee de andere karakters (derhalve) alleen indirect zichtbaar zijn, door de ogen van de ander. Dit draagt ook bij aan de oppervlakkigheid van de emoties die spelen rond de traumatische gebeurtenissen die jullie al noemen. Dat die gebeurtenissen verdrongen lijken te worden, zoals jij suggereert Laurens, vind ik geen gekke gedachte. Er wordt niet over gepraat, en dat past natuurlijk prima in de gezinssituatie, waarin niet over dit soort dingen (of wat voor soort dingen dan ook) wordt gerept. In huize Lahaut is spreken geen oplossing; in stilte wordt geleden.

De afstand tot de personages blijft hiermee in stand. Als lezer raak je de wereld, maar de mensen in die wereld sluiten zich voor elkaar en voor jou af. Paradoxaal genoeg is dat misschien wel winst. Niemand lijkt zichzelf te willen kennen: alle personages vluchten ergens voor, zoals jij terecht aangeeft Lotte. Raymond, Rika en Rosa wenden hun gezicht niet alleen voor de lezer af, maar draaien hun blik ook steeds van zichzelf af. Wat uiteindelijk overblijft is de taal, de sprankelende woorden in het hoofd, die een kritische zelfreflectie in de weg staan.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.