elders op recensieweb
Schaduwjury: Stilte en saaiheid in de juiste handen
opiniestuk
De prijzen en de stuurlui aan wal: een uitslag en twee aankondigingen
opiniestuk
Wat doet de kritiek met de debutant?
opiniestuk
Schaduwjury: Een zomer lang op zoek naar het beste debuut
opiniestuk
Schaduwjury: Als film wordt het boek beter
opiniestuk
Schaduwjury: Porno, maatschappijkritiek en wetsartikelen in een bomvol, (over)ambitieus debuut
opiniestuk
Schaduwjury: Liefde en moord door de ogen van een meisje dat nooit huilt
opiniestuk
Schaduwjury: Een echte roman? Een meesterstuk van vertelkunst
opiniestuk
Schaduwjury: het oppervlakkige tijdsvacuüm van de bus
opiniestuk
Schaduwjury: ware vertelkunst wint
opiniestuk
Longlist Academica Debutantenprijs 2009 bekend
opiniestuk
Aankondiging schaduwjury: vijf maanden debat over debuten
opiniestuk
Schaduwjury: overbeladen met ellende
opiniestuk
Schaduwjury: menselijke relaties, broos als eierschalen
opiniestuk
Schaduwjury: De hele levencyclus, van bevruchting tot ontbinding, in een overvol debuut
opiniestuk
Schaduwjury: over de uitzonderlijke Vlaamsheid van een debutant
opiniestuk
Slotstuk schaduwjury Academica Debutantenprijs
opiniestuk
auteur
schaduwjury: Jardin mikt hoog
door Lotte Brugman, Laurens Ham, Karlijn de Winter en Bert Zuidhof, 19 september 2009
Wie schreef het beste fictiedebuut van 2008? De jury van de Academica Debutantenprijs selecteerde alvast vijf titels. De keuze voor wie de prijs op 27 september 2009 uiteindelijk ontvangt ligt nu bij de lezers. Recensieweb leest mee, en heeft daarvoor een schaduwjury in het leven geroepen. In vijf afleveringen wordt daarin gediscussieerd over de genomineerde boeken. In deze vierde aflevering bespreekt de schaduwjury Willem Jardins Monografie van de mond.
Lotte: mooi, maar te veel van het goede
‘Eten en drinken is proeven, maar ook spreken en zingen is proeven. Ritme, melodieën, woorden, voedsel en drank zijn slechts relatief van elkaar te onderscheiden. In de mond leiden zij een gemeenschappelijk bestaan dat, of de beweging nu inwaarts of uitwaarts is, onlosmakelijk verbonden is met de activiteit van onderzoeken en keuren, dat wil zeggen: confrontatie met de smaakzin.’
In Monografie van de mond wordt dit soort essayistische stukken over allerlei delen van het menselijk lichaam afgewisseld met het verhaal over de broers Paul en Frank, die hun vader verliezen aan kanker. In het begin is die afwisseling wel verfrissend: de ‘essays’ van Jardin bevatten wetenschappelijke gegevens die hij op een verrassende manier aan elkaar weet te schrijven. Zo stelt hij je voor nieuwe inzichten, hoewel je soms niet aan de indruk ontkomt dat een deel van zijn conclusies niet per se juist hoeft te zijn. Dat is waarschijnlijk ook niet de bedoeling van deze gedachtenstromen: hoewel er wetenschappelijk taalgebruik gebezigd wordt, doet de verteller geen pogingen om het geheel te structureren of nader te onderbouwen. Desalniettemin zijn de ideeën in deze stukken prikkelend en worden ze vlot en overtuigend gepresenteerd.
Meer moeite lijkt Jardin te hebben met het deel van het boek dat het tot een roman maakt: het verhaal over de twee broers en alles wat zich om hen heen afspeelt. Het eerste deel van het boek beschrijft hoe Paul tijdens de laatste levensdagen van zijn vader vooral moet denken aan het werk van zijn opa, die laborant was in een slachthuis. Hij ziet in de inrichting en werkwijze van het slachthuis parallellen met de concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog en besluit een maquette te maken van het slachthuis, waar hij in zijn jeugd vaak geweest is. Doordat hij bepaalde belangrijke punten op de maquette met touwtjes met elkaar verbindt, ontstaat een davidsster. Als hij de maquette met de davidsster aan zijn broer Frank laat zien, reageert die furieus. Dat is ook niet vreemd, want de Tweede Wereldoorlog ligt gevoelig in de familie: een deel van de familie is in concentratiekampen omgekomen en opa (de laborant) is dwangarbeider geweest. Niet lang na Franks afwijzende reactie op de maquette steekt Paul zijn bouwwerk in brand.
Het tweede deel van het boek beschrijft hoe Frank, een filosoof in New York, na de dood van zijn vader in korte tijd zijn baan en zijn vriendin verliest. Frank heeft een bijzondere relatie met een bijna afgestudeerde studente, die op het punt staat naar Californië te vertrekken. Zij geven regelmatig college aan elkaar, waarbij de ‘docent’ zijn voordracht naakt in de slaapkamer houdt. Het zijn vreemde scènes, waarin zware filosofische beschouwingen overgaan in seks. Ze maken het moeilijk om je met Frank (of Naomi) te identificeren. Sowieso staat de lezer in dit tweede deel verder van de hoofdpersonen af, waarschijnlijk ook doordat het in de derde persoon geschreven is, terwijl Paul het eerste deel in de eerste persoon vertelt.
Al met al mist Monografie van de mond overtuigingskracht. Jardin gebruikt in het hele boek krachtige beelden (zoals Frank en Naomi die op een nacht uit liefde elkaars haar afscheren – al hun haar), maar die beelden zijn tegelijkertijd zó raar dat ze eerder bevreemding dan herkenning oproepen. De hoofdpersonen komen nauwelijks tot leven, misschien omdat ze allemaal een beetje monomaan zijn en daardoor vlak worden (Paul stort zich op zijn maquette en Frank via Naomi op de filosofie (of andersom); opa gaf zijn leven voor de microbiologie, vader leefde voor het gebit van zijn patiënten en moeder leeft ook lang na de oorlog nog in de oorlog). In de ‘essays’ is daarnaast al zoveel symboliek verwerkt, dat de verwijzingen in het verhaal er vaak te dik bovenop liggen en soms zelfs gekunsteld aandoen, als in de genoemde scheerscène. De monografie was vermoedelijk een beter boek geweest als Jardin een keuze had gemaakt voor één van beide vormen (mijn voorkeur zou uitgaan naar de essayachtige vorm), in plaats van een combinatie van beide, waarin de verhaalvorm ondersneeuwt.
Karlijn: te veel wetenschap, te weinig literatuur
Monografie van de mond toont van alle boeken op de shortlist waarschijnlijk wel de meeste ambitie. De vermenging van essayistiek en proza, het brede spectrum aan onderwerpen (van de medische wetenschap tot de relatie tussen Hannah Arendt en Martin Heidegger) en vooral de manier waarop dat alles een samenspel vormt lijkt erop te wijzen dat Jardin voor alles een onalledaags literair project heeft willen volbrengen dat boven het maaiveld uitsteekt. In veel opzichten lijkt Jardins werk inderdaad totaal niet op dat van zijn (debutanten)collega’s. Hij houdt zich niet bij een vertrouwde vorm of een eenduidige plotopbouw, en met het invoegen van uiteenzettende passages en beeldmateriaal rekt de grenzen van het romangenre flink op. Zo’n eigenzinnige aanpak mogen we, vind ik, best prijzen.
Dit boek was heel wat minder opgevallen als ofwel de verhalende gedeelten, ofwel de essayistische gedeelten ontbraken. Dat het het boek ten goede was gekomen als het maar een van beide vormen bevatte, ben ik dan ook niet met je eens, Lotte. Juist de combinatie van de twee zorgde ervoor dat Monografie van de mond mij fascineerde. Ik herken weliswaar wat je zegt over de symboliek die er op deze manier te dik op ligt, maar die terugkeer van symbolische elementen in de ‘essays’ en in het verhaal zorgt er ook voor dat ze van nieuwe, onverwachte kanten belicht kunnen worden. Uit de essayistische passages blijken lichaamsdelen als de mond en het haar vele verschillende culturele connotaties te hebben. Zonder dat feitenmateriaal zou ik toch minder bagage hebben om de verhalen over Paul en Frank, waarin die lichaamsdelen en de connotaties die daarbij horen veelvuldig terugkeren te interpreteren. Ik zou op die manier minder associaties hebben met bijvoorbeeld de scheerscène en er daardoor minder betekenis uit halen..Zo zie je ook hoe feit en fictie, wetenschap en literatuur elkaar aan kunnen vullen, ook binnen de kaften van een enkel boek.
In mijn recensie van 29 juli 2008 schreef ik dat Monografie van de mond inderdaad ingenieus geconstrueerd is, maar dat het wel te veel gebukt gaat onder de intellectuele lading. Met andere woorden, naar mijn idee gaat de fictie te veel gebukt onder de feiten en de kennis die het boek tentoonspreidt over het lichaam, de concentratiekampen, het Amsterdamse abattoir enzovoort. Misschien komt het ook daardoor, Lotte, dat jij vindt dat de personages niet goed uit de verf komen?
Dat die personages eerder bevreemding dan herkenning oproepen lijkt me overigens niet het probleem: bevreemdende personages zijn juist het verrassendst. Omdat zij niet in een bekend kader te plaatsen zijn, omdat ze zich gedragen naar onnavolgbare patronen kunnen ze vaak onverwachte inzichten opleveren. Maar verrassen, dat doen Paul en Frank, zoals je terecht al opmerkt, niet. Hun monomanie is daarvoor inderdaad te sterk doorgevoerd. Ze lijken eerder ideeën uit te dragen of in praktijk te brengen (zoals Paul die gelijkenis tussen het abattoir en het concentratiekamp uitbeeldt), dan dat ze zelf een eigen leven leiden.
Wetenschappelijke kennis en de lotgevallen van individuele personages samenbrengen, elkaar laten aanvullen, vind ik een bewonderenswaardig streven. Maar in Monografie van de mond domineert de wetenschap, wat het literaire karakter niet ten goede komt.
Laurens: niet uit op herkenning
Met je opmerking dat Paul en Frank wandelende ideeën zijn dan levende wezens ben ik het helemaal eens, Karlijn. Kenmerkend voor dit boek is dat het niet om de personages en hun zielenroerselen gaat. Ik denk dat Lottes ergernis over het gebrek aan herkenbaarheid dan ook niet helemaal gegrond is; dit boek lijkt er niet op uit om personages van vlees en bloed te presenteren.
Wat ik in jullie bovenstaande opmerkingen nog een beetje miste was een analyse van wat er nu feitelijk gebeurt in de roman. Welke thema’s snijdt het boek aan, waarom heeft het al die essayistiek en die omslachtige filosofie nodig? Is het alleen maar dikdoenerij van Jardin? Dat geloof ik niet. Juist doordat het boek een ideeënroman is, gaat het om het web van verwijzingen, analogieën, motieven en thema’s dat in de roman wordt opgetrokken. Toen ik dat web na het lezen probeerde te construeren of onder de knie probeerde te krijgen, werd ik een beetje licht in mijn hoofd. Dit boek heeft, van alle nominaties voor de Debutantenprijs, het meest met me gedaan: ik vond het af en toe ergerniswekkend, maar vaak ook heel intrigerend en meeslepend.
Liefde, daar gaat het de hele tijd over: de liefde tussen Naomi en Frank, het gebrek aan liefde binnen de familie Heineman, de liefde tussen Bill Clinton en Monica Lewinsky, tussen Martin Heidegger en Hannah Arendt, Adolf Hitler en Eva Braun; maar ook de liefde voor het vaderland, de liefde voor God, zelfs de liefde voor het werk. Daar tegenover (hoewel, tegenover? Het is er feitelijk sterk mee vervlochten) staat de dood: de dood die te vinden is in de concentratiekampen en de andere slagvelden van de twintigste eeuw, in het slachthuis, de dood die vader Heineman overkomt… En als Naomi een abortus blijkt te hebben ondergaan, komen dood en liefde erg dicht bij elkaar te liggen.
De essayistische gedeeltes van de roman dienen om de culturele betekenis van mond, haar en huid uiteen te zetten, zodat die gaat meeklinken in het fictieve verhaal van Paul en Frank. Ook wordt telkens het verband gelegd met de motieven van dood en liefde.
De mond is het lichaamsdeel dat primair met de liefde wordt verbonden, namelijk met zoenen, misschien wel de meest intieme manier om met iemand in contact te komen. Tegelijk wordt er (mede) door de mond geademd en is de mond dus een zaak van leven en dood. Doordat er via de mond gepraat wordt, is het lichaamsdeel ook nog verbonden met het spreken, de filosofie, maar ook met de toespraak en de (politieke) beïnvloeding (denk aan Adolf Hitler).
Huid en haar worden in de roman mana-dragers genoemd: ze hebben een magische culturele betekenis. Daarom is het kaalscheren ook zo’n belangrijk motief in de roman. Ik zie dit vooral als een symbool van overgave aan de macht. De nazi’s die hun joodse slachtoffers kaalschoren voordat ze ze ter dood brachten probeerden zich superieur te maken; de overgave aan de dood van vader Heineman wordt ingeleid door haaruitval; Frank en Naomi scheren elkaar kaal om helemaal ‘naakt’ te zijn voor de ander. Kwetsbaarheid, dat wil die kaalheid uitdrukken.
Maar hoe slaagt Jardin er nu in ’s hemelsnaam in om al deze nogal uiteenlopende ideeën in 340 pagina’s te bespreken? Vooral door de analogie als het centrale structuurprincipe van de roman naar voren te schuiven. Een van de redenen waarom Monografie van de mond soms een wat vermoeiende leeservaring biedt, is dat het niet volgens principes van tijd en ruimte is gestructureerd – het is niet chronologisch en ook de behandeling van de ruimte is nogal complex – maar volgens een nogal associatief web van analogieën.
De personages, vooral Paul, zijn door analogieën geobsedeerd; niet voor niets legt Paul de gewaagde verbinding tussen het slachthuis van zijn opa en een concentratiekamp. Sterk vond ik de analogie tussen de verschillende liefdeskoppels die in de roman worden aangehaald. Allemaal hebben ze met elkaar gemeen dat er een ongelijke verhouding is tussen een oudere man en een jongere vrouw (Frank/Naomi; Heidegger/Arendt; Hitler/Braun). Jardin slaagt er in via zulke analogieën een prikkelende visie op de geschiedenis te geven en nodigt de lezer ertoe uit met hem mee te denken.
Niet al deze verbindingen, lijnen en thema’s vind ik sterk uitgewerkt. Met name het tweede gedeelte van de roman (het verhaal van Frank) is tamelijk langdradig en er worden zaken aangehaald die weinig toevoegen aan de algemene thematiek. Waarom wordt er zo uitgebreid stilgestaan bij de Amerikaanse veteranenoptocht? Het houdt wel enig verband met andere gebeurtenissen in de roman, maar hier gaat Jardin volgens mij te ver met associëren. Wat dat betreft overtuigt het verhaal van Paul me veel meer. Hierin worden een aantal beweringen gedaan die me verbluffen. In iets meer dan honderd pagina’s weet Jardin heel overtuigend het slachten van dieren, de rassenleer, het hygiënisme van begin twintigste eeuw en nog een aantal andere zaken met elkaar te verbinden. De grote centrale vraag die daardoor opdoemt: hoe moeten we ons de verhouding tussen lichamelijkheid (de liefde) en geestelijkheid (het praten en filosoferen) van de mens voorstellen? Is de vergeestelijking van de mens, de ratio, niet te ver doorgeschoten? Op de achtergrond speelt voor mij telkens het idee van (onder meer) Adorno mee dat het nazisme als een radicalisering en pervertering van de Verlichtingsratio kan worden gezien. Hoewel beide gedeeltes van de roman deze centrale thematiek behandelen, vind ik dat Franks verhaal eigenlijk niet zoveel meer toevoegt aan wat er eerder te berde is gebracht.
Maar het mag dan zo zijn dat Jardin af en toe teveel uitweidt of zich vergaloppeert, ik vind dit een bijzonder knap boek. Waar de meeste andere nominaties voor de prijs weinig van de lezer vragen, durft Jardin te prikkelen en te provoceren. Dat vind ik voor een debuutroman zeer te prijzen.
Bert: Jardin maakt dingen los
Ik heb ook zitten twijfelen, Laurens, over de plaats van het tweede verhaal, dat van Frank, en de bijdrage ervan aan het hele boek. Maar als je het hebt over de vraag hoe lichamelijkheid en geestelijkheid, lichaam en ratio, zintuiglijkheid en theorie met elkaar samenhangen, denk ik dat juist in het contrast tussen de broers Paul en Frank deze spanning tot uiting komt. Paul, met zijn maquette, met zijn Wissenschaft besiegt Microben van de Duitse bacterioloog K. Fritz, met zijn haast manische fotografeerdrang tijdens de Veteranenoptocht, zoekt steeds naar het waarneembare, het concrete, om grip te krijgen op geschiedenis. ‘Ik had mijn uiterste best gedaan, ik had mijn behoefte aangepast aan mijn capaciteit, gesproken en geslikt, mijn verlangen gesmoord met mijn vermogen. Ik was tevreden, in mijn werk ervoer ik vreugde.’ In zijn werk, zijn handenarbeid ervaart hij voldoening, aan het feitelijke en waarneembare ontleent hij betekenis.
Hoe anders is Frank, de man van de ideeën, de filosoof die zich afvraagt: ‘Konden teksten bedwelmen? Konden teksten als muziek zijn? Was er een taal die niet bemiddelde, maar een ervaring was op zichzelf?’ In de i.d.’s met Naomi, intimate dialogues, zoekt hij naar theorieën en woorden die de liefde meer diepte geven; filosofie en literatuur kunnen voor hem fungeren als afrodisiacum. Zijn bouwwerk is geen maquette, maar een huis van woorden.
De dichotomie van de broers staat symbool voor de tweeledige manier om grip op het leven en de geschiedenis te krijgen: maak je het concreet en aanschouwelijk, of zoek je naar betekenis in het onwaarneembare, de indirecte taal? Dat de personages in die zoektocht monomaan zijn, zoals jij zegt Lotte, schept inderdaad een afstand, maar de fascinerende denkpatronen van Paul en Frank dwongen mij om te proberen die afstand te overbruggen, door te dringen in hun gedachtewereld. En als de herkenning niet komt en het onbegrip blijft, maakt dat juist duidelijk hoe ook de lezer zélf moet zoeken naar een eigen manier om de werkelijkheid te portretteren, als de portrettering van de broers tekortschiet.
Iets waar ik jullie overigens nog niet echt over heb gehoord, is de afstandelijke toon in de essayistische boekdelen. Jardin gebruikt daar niet alleen een andere, minder verhalende invalshoek, maar hanteert ook een hoogdravende stijl – steeds net wél net níét over the top – wat op mij een diepe indruk achterliet. Waarom? Niet omdat het de meest diepgaande of stilistisch sterke zinnen zijn, maar wel omdat die opmerkingen bijna even choquerend zijn als Paul vergelijking van een abattoir met een concentratiekamp. Als Jardin schrijft over de verschrikkelijkheden van de Duitse concentratiekampen, en het verhaal vertelt van een joods meisje, lijkt hij zijn toevlucht te zoeken in een afstandelijk, wetenschappelijk taaltje. Op het moment dat de geschiedenis te pijnlijk wordt, neemt hij als schrijver zelf zijn toevlucht in beschouwelijke taal, van alle empathie gespeend, die de confronterende werkelijkheid op afstand houdt. En op die momenten ervoer ik een sterke verontwaardiging én fascinatie. Door eerst de persoonlijke verhalen op te voeren, en me als lezer daarin mee te trekken, is de kille essayistiek een klap in het gezicht. Een kilte die uiteindelijk duidelijk maakt dat ook Jardin de taal nodig heeft om grip te krijgen, de monografie van de mond, en de monografie van huid en haar als zijn instrumenten om het menselijke leven en de menselijke liefde te begrijpen.
Monografie van de mond is hoogdravend, monomaan en overvol betekenis, maar ondanks alle bombast weet Jardin heftige emoties bij de lezer los te maken. Met zijn literatuur weet hij te verontwaardigen, en dat was de auteur niet gelukt als hij slechts een verhaal over twee broers verteld zou hebben; daarvoor heeft hij meerdere registers tot zijn beschikking gehad.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



