Te belachelijk om gedrukt te worden! Oeroeg en het verlies van onschuld
door Wouter Bok, 18 november 2009
Dit najaar stond Oeroeg centraal in Nederland Leest. Het boek werd in een gratis oplage van bijna een miljoen exemplaren onder bibliotheekleden en onder scholieren verspreid. Bedoeling van Nederland Leest is dat lezers een boek lezen en erover met elkaar in discussie treden. In het geval van Oeroeg kan wel gezegd worden dat het in het verleden meer dan genoeg stof tot discussie gaf, en dat de gemoederen daarbij hoog opliepen. Een zo onschuldig boek over een vriendschap tussen twee kinderen gaf toch aanleiding tot controverse.
Dat is een van de bevindingen uit mijn scriptie, waarin ik de receptie en canonisering van Oeroeg onderzocht. De eerste inspiratie hiervoor kreeg ik op 7 juli 2007, toen de nieuwe hoofdvestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam feestelijk geopend werd. Hella S. Haasse was daarbij aanwezig omdat er een vergaderzaal naar haar vernoemd werd, net als Harry Mulisch – de bibliotheek heeft ook een Ontdekking van de Hemelzaal – en het nodige Koninklijke bezoek. Terwijl Koning Harry buiten in zijn driedelig pak (maar voor zover ik heb kunnen zien zonder zijn pijp) liep te paraderen om maar zoveel mogelijk bekeken en verafgood te worden door het gepeupel, zat Haasse in een hoekje wat te rusten. Het was doodeng om op mijn lievelingsschrijfster af te stappen alsof het niets was, maar ik verzamelde al mijn moed en vertelde dat ik Een nieuwer testament uit 1966 een prachtig boek vond. Nog nooit had ik bij iemand zo’n betoverend mooie en oprechte glimlach gezien; Haasse straalde. Ze bleek Een nieuwer testament namelijk zelf ook haar beste werk te vinden. Wat volgde was een kort maar leuk gesprek over die roman en haar schrijverschap. Eén opmerking uit dat gesprek zou me in het bijzonder bijblijven: ‘Ik hoor eigenlijk alleen maar mensen over Oeroeg en vaak nog Heren van de thee spreken, maar het is eigenlijk bijna altijd Oeroeg...’
Het klonk wat ontgoocheld, alsof ze zich tekortgedaan voelde dat ze steeds met een vroeg werk geassocieerd werd. Een paar maanden later las ik een oud interview met Haasse waarin een journalist die verbinding tussen Haasse en Oeroeg ook wel ‘de kleine tragiek van een groot schrijver’ noemde. Dat is op zich geen slechte typering waar het gaat om een auteur met een oeuvre dat tientallen jaren en evenzoveel titels omspant: je schrijverschap ontwikkelt zich, je hebt wel meer boeken geschreven.
Toch vroeg ik me af hoeveel waarheid er in die bewering school. Als het verhaal achter Oeroeg inderdaad een tragedie is, hoe is die tragedie dan opgebouwd – hoe is de receptie verlopen? Hoe is het zo’n succesvol stuk geworden? Wat vonden de toeschouwers (de literatuurcritici) ervan? Welke elementen spelen, hetzij als achtergrond hetzij op de voorgrond, een rol in die tragedie – wat droeg bij aan de receptie? En niet onbelangrijk: is het wel een tragedie – worden auteur en werk dus steeds maar weer in één adem genoemd? Of kunnen we in een ander opzicht over een tragedie spreken?
Dit soort vragen heb ik in mijn afstudeerscriptie onderzocht. Hoewel die scriptie ging over een dun boekje, is het toch een boekwerk van 120 pagina’s geworden. Ik zal me in dit artikelhoofdzakelijk richten op de ontvangst van Oeroeg bij de critici. Om de ontvangst van Oeroeg goed te kunnen plaatsen en te begrijpen waarom bepaalde reacties uit bepaalde hoeken kwamen, is een historische achtergrond nodig. Het verhaal achter Oeroeg is namelijk deels ook het verhaal van Nederlands-Indië. Daarom zal ik eerst ingaan op (onze na-oorlogse omgang met) voormalig Nederlands-Indië.
‘De Indische kwestie’: verzwijging en identiteitsbesef
Oeroeg speelt in de Nederlands-Indische kolonie, die een sterk hiërarchische maatschappij was. Er was een bovenlaag van Europeanen (zoals de ik-figuur uit Oeroeg), en een onderlaag van ‘inlanders’ (zoals Oeroeg): de oorspronkelijke Indonesische bevolking. De Europeanen hadden aanvankelijk de macht en de inlanders stelden zich in dienst van hen, bijvoorbeeld als tuinman, dienaar of huismeid. Naast de Europeanen en de inlanders was er nog een (niet officieel erkende) tussenvorm; de Indo-Europeanen of Indo’s, kinderen van een blanke man en een Indische vrouw. In het koloniale stelsel werden de inlanders achtergesteld, maar Indo’s konden zich opwerken, mits zij ‘verwesterden’, zich aanpasten aan de normen en waarden van de bovenlaag. Het tegengestelde, de dreigende ‘verindisching’ van jonge Europeanen, baarde velen (onder wie de ouders van de ik-figuur) zorgen. In 1942 bezette Japan Nederlands-Indië en werden vele mensen in de jappenkampen gestopt.
Toen Japan in augustus 1945 capituleerde, werd drie dagen daarna al de Republiek Indonesië uitgeroepen. Wat volgde was de bersiap, een geweldsgolf waarbij de nationalistische verzetsstrijders de straten met geweld onveilig maakten. In de periode 1945-1949 volgde een bloedige strijd tussen Nederland en de nationalistische beweging in Indië. Dat leidde in 1947 en 1948 tot twee politionele acties: grootscheepse pogingen van de overheid om het verzet letterlijk neer te slaan. De ‘Indische kwestie’, zoals de onafhankelijkheidsstrijd werd genoemd, hield de gemoederen flink bezig. Uiteindelijk werd Indonesië in december 1949 onafhankelijk verklaard – dit jaar dus zestig jaar geleden, misschien ook de reden dat Oeroeg centraal staat?
Indonesië was dan wel onafhankelijk, maar Nederland had moeite om zich een houding te geven ten opzichte van haar voormalige grootste kolonie. Er heerste een sfeer van verzwijging van het koloniale verleden. Indië werd in de doofpot gestopt, je sprak en schreef er niet over. Pas vanaf de jaren zeventig verschenen weer op grote schaal boeken over Indië. Kritische stemmen gingen tornen aan het traditionele tempo-doeloebeeld van Nederlands-Indië . De ‘tweede generatie’ Indische Nederlanders kreeg een stem en wierp kritische vragen op over de beeldvorming van de kolonie, wat de juiste ‘herinnering’ aan Indië is en ook speelden identiteitskwesties een rol. De bespreking van werk van (Nederlands-)Indische auteurs ging dan ook vaak over de beeldvorming in het werk en de karakterschetsen van de personages; het draaide vaak (maar niet uitsluitend) om het waarheidsgehalte.
Dat de CPNB juist Oeroeg uitkoos als Boekenweekgeschenk, is in het licht van het bovenstaande dapper: ‘Indië’ was in 1948 een gevoelig onderwerp, zoals ook blijkt uit een rel rond de Boekenweek. Het openingsstuk hiervan zou Coen van J.J. Slauerhoff zijn, een theaterstuk over Jan Pieterszoon Coen, een VOC-topman die met een agressief en inhumaan beleid de kolonie tot bloei bracht, een symbool voor slavernij en onderdrukking. Zijn reputatie was dan ook omstreden, al helemaal in 1948. In dat klimaat van politieke strubbelingen verscheen Oeroeg. Het verscheen anoniem. Uit een lijstje van twintig namen mochten de lezers raden wie de auteur was. Na de Boekenweek werd de auteur onthuld. Volgens de CPNB was het een veilige keuze en Hella Haasse sprak de hoop uit ‘dat haar novelle een bijdrage zal mogen betekenen in de verbetering der wederzijdse verstandhouding tussen de mensen, waarvan zij er alleen met dat oogmerk enige heeft beschreven’. Dat is een mooi streven, maar de ontvangst van Oeroeg laat zien dat Haasses wens niet overal zou worden ingewilligd. Opvallend zijn daarbij de verschillen tussen de Nederlandse en de Nederlands-Indische kritiek.
‘Van onmiskenbare litteraire waarde’: Oeroeg in Nederland
Oeroeg werd bij verschijning in 1948 in het algemeen goed ontvangen in de kritiek. Een bijzonderheid was dat de novelle anoniem verscheen, en dit is terug te zien in de recensies: veel critici speculeren over de identiteit van de auteur.
De eerste recensie, ‘Vriendschap in de tropen’, verschenen in de NRC van 21 februari 1948, doet dat bijvoorbeeld. Een echte recensie is het niet, want het is meer beschrijvend dan beoordelend. De recensent schenkt vooral aandacht aan de novellewedstrijd en wie de auteur toch kan zijn. Inhoudelijk gaat hij niet in op Oeroeg, hij geeft bijvoorbeeld geen synopsis; alleen uit de titel blijkt waar het boek over gaat. Opvallend is dat hij veronderstelt dat ‘het bekroonde werk best van een debutant zou kunnen wezen, met wiens stijl het publiek uiteraard niet vertrouwd kan zijn’. Dan vervolgt hij met de bewering dat als het inderdaad een debutant is, hij het geluk heeft een grote lezerskring te bereiken ‘met een debuut van onmiskenbare litteraire waarde’. Waarin die literaire waarde dan schuilt licht hij echter niet toe, en zo is het gissen naar zijn oordeel.
Wat duidelijker in zijn oordeel is H.M. van Randwijk in een grote recensie in Vrij Nederland. Ook bij hem zien we dat hij de auteur probeert te achterhalen. Een aantal schrijvers uit het lijstje van twintig namen vallen al voor hem af, en hij vermoedt bovendien dat de auteur een vrouw zal zijn. Van Randwijk heeft namelijk bewondering voor de manier waarop de schrijver ‘het ondramatische groeiproces van een vriendschap tussen twee knapen’ heeft weergegeven, waarbij hij tussen haakjes opmerkt dat ‘wij meer geneigd zijn te veronderstellen dat het een schrijfster is’. Zowel de criticus uit de NRC als Van Randwijk heeft het dus bij het juiste eind. Verder oordeelt Van Randwijk positief over Oeroeg. Het verhaal vindt hij boeiend, de hoofdpersonen met hun vriendschap en latere vervreemding worden ‘psychologisch knap en verantwoord’ beschreven en het groeiproces van de vriendschap wordt weergegeven ‘zonder enige sentimentaliteit of gepsychologiseer’ (waarbij je je kunt afvragen hoe Van Randwijk een vriendschap voor zich ziet die zowel psychologisch knap en verantwoord als zonder enige psychologisering wordt beschreven, maar dat terzijde). De karaktertekening is volgens Van Randwijk in ieder geval een sterk punt. Dat geldt ook voor de stijl: het verhaal is in een eenvoudige taal geschreven, ‘zonder de litteraire opsmuk die in Nederland sinds 1880 ook het proza vergiftigt’. Het is duidelijk: Van Randwijk heeft het niet zo op de Tachtigers en van al te gestileerde taal kan hij niet genieten.
Een bijzonder sterk punt vindt hij de actualiteit van Oeroeg, omdat de verhouding tussen een Nederlandse en een Indische jongen zo’n prominente rol speelt. Dat is mooi, want Indonesië komt weinig voor in de Nederlandse literatuur, wat Van Randwijk wijt aan ‘het algemeen tekort aan belangstelling en inlevingsvermogen van de Nederlanders voor Indonesië. Daarom verheugt ons de verschijning van Oeroeg des te meer.’ Het wegstoppen van ‘de Indische kwestie’, waarop ik hierboven wees, komt hier dus ter sprake. Naast lof heeft Van Randwijk ook een kritiekpunt. Dramatisch gezien is het niet altijd even sterk, en met name het slot komt niet goed uit de verf. Oeroeg heeft door de goede stijl dan ook meer een lyrische dan een dramatische waarde.
Die mening is ook C.J. Kelk in De Groene Amsterdammer van 3 april 1948 toegedaan. Ook Kelk is te spreken over de stijl: ‘De auteur schrijft de eenvoudige taal der modernen zo doeltreffend mogelijk. Het gevoelsgeheugen werkt feilloos en de mooiste trekken komen het meest onverwacht.’ De typeringen zijn levendig en de auteur weet via natuurbeschrijvingen een onbekend land mooi neer te zetten. Het verhaal heeft een lyrische kracht, al is het ‘zwaar en schoorvoetend van overladen betekenis’, waarbij Kelk toevoegt dat dit vaak gebeurt bij Indische auteurs. Net als Van Randwijk vindt ook Kelk het einde (als de ik-figuur Oeroeg als verzetsstrijder in het oerwoud tegenkomt) wat zwakjes. Hij meent dat Haasse er een bepaalde boodschap mee heeft willen uitdrukken, maar dat die boodschap door de onverwachte wending aan het einde minder goed overkomt en bovendien ook niet ‘goed’ (dramatisch) genoeg is neergezet. Hij vindt dat Haasse zich veel dieper verliest…
‘... in de stemmingen van het moment dan [dat zij] zich openstelt voor de haast symbolische betekenis van het gebeuren. [...] Het enige wat de auteur wezenlijk wil is ons meevoeren in zijn (of haar) herinnering. Doch heet is ook om ons Oeroeg te doen kennen, dat het verhaal wordt verteld [...] een kinderlijke liefdesverklaring van blank aan bruin, tegelijk een bezonnener en verborgener liefdesverklaring en onafhankelijkheidsverklaring van het Westen aan het vreemde, heimweewekkend mysterieus-vertrouwende geboorteland.’
Kelk hanteert in zijn recensie andere typen argumenten om tot zijn oordeel te komen dan Van Randwijk en de anonymus. Hij gebruikt niet alleen esthetische argumenten, maar ook morele (hij haalt de actualiteit erbij) en intentionele (hij probeert te achterhalen wat de boodschap van de auteur was en vervolgens oordeelt hij of die boodschap wel overkomt). Daarnaast hebben Van Randwijk en Kelk ook verschillende interpretaties van het verhaal. Waar Van Randwijk Oeroeg vooral lijkt te zien als een psychologische roman, ziet Kelk het breder, zoals bovenstaand citaat al laat zien. Kelk legt in zijn interpretatie een verband met de actualiteit van het boek, de verbroederende boodschap van Haasse wordt eruit gehaald, al komt die dan niet helemaal over.
De actualiteit van Oeroeg komt ook terug in twee andere recensies. Een (anonieme) recensie in het Algemeen Dagblad ziet in Oeroeg vooral een gebrek aan zelfinzicht en identiteitsbesef verbeeld, ‘ondanks hetgeen in de oorlogsjaren en daarvoor de Indische bevolking beroerde’. De vervreemding van de geboortegrond en de daarmee gepaard gaande identiteitscrisis vindt de criticus het hoofdthema van Oeroeg, ook omdat het woord ‘oeroeg’ zoveel betekent als instorting of verschuiving van grond. De criticus constateert dan ook dat Oeroeg qua betekenis uitstijgt boven de verhouding tussen een Nederlandse en een Indische jongen. Opvallend daarbij is trouwens dat de criticus in NRC het juist bij die verhouding hield in zijn bespreking. Net als de andere critici is ook deze recensent positief over de stijl, het ‘strak, uiterst beheerst proza van heldere schoonheid’.
Een laatste recensie is van Jef Last in het socialistische tijdschrift De Vlam (waar Henriëtte Roland Holst trouwens redacteur van was). Toen deze recensie verscheen was de auteur al bekend. Jef Last verbaast zich er in positieve zin over dat een vrouw de auteur is: ‘Wie zou gedacht hebben, dat een vrouw in staat was, op zulk een diepgaande wijze, en dan nog in de ik-vorm, een typische mannenvriendschap te beschrijven?’ Opvallend is verder dat Van Randwijk al wel dacht dat een vrouw het boek geschreven had, terwijl Last er juist door verrast is. De bespreking van Last wijkt ook op andere punten af van andere kritieken. Waar de meeste critici vooral oordelen op basis van literaire criteria, zoekt Last het meer in het maatschappelijk engagement, dat hij waardeert in Oeroeg:
‘Nee, deze beide boeken [Last bespreekt ook Lyriek der natuurvolkeren, een bloemlezing uit 1947, WB] kunnen aan geen enkele groep ergernis geven, maar tegelijkertijd zijn zij een kostbare gave voor hen, wien de vrijheid der onderdrukte gekleurde klasse ter harte gaat [...] Oeroeg doet ons de ziel van de Indonesische revolutionair begrijpen.’
Wat betreft Nederland heeft de literaire kritiek Oeroeg positief ontvangen. Er waren de nodige reserves, met name waar het gaat om de dramatiek van het verhaal, maar de oordelen vielen in het algemeen goed uit. De genoemde sterke punten daarbij waren de stijl, de karaktertekening en de actualiteit van het verhaal, de setting in Indonesië. Ook het feit dat een vrouw een boek schrijft over een jongensvriendschap werd in sommige kritieken als knap ervaren. Het is opvallend dat de Nederlands-Indische kritiek deze ‘sterke punten’ juist veroordeelde. En ook Jef Lasts bewering dat Oeroeg ‘aan geen enkele groep ergernis kan geven’ blijkt niet waar als we ons naar Indië verplaatsen.
‘Laat het onwetende Hollandse volk dit boek maar slikken met huid en haar’
De respons vanuit Indië kwam vooral van het culturele tijdschrift Oriëntatie, beginnend met de bespreking ‘Gegeven paard in de bek gezien?’(een verwijzing naar het Boekenweek geschenk) van Dirk de Vries. Aan het begin van die bespreking werpt De Vries eerst de kritische vraag op of het Indische onderwerp de keuze van de jury soms heeft beïnvloed, omdat hij een toenemende literaire belangstelling voor Indië waarneemt (en dat is opvallend, want Kelk vindt juist dat Nederland zich maar weinig interesseert in Indië). Verder stelt hij dat Oeroeg ‘elck wat wils’ brengt: de groei van Oeroeg naar Indonesisch nationalist moet naar het hart zijn van Nederlandse progressieven, terwijl ‘Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot enige theorieën bevestigd zal menen.’
Het grote bezwaar van De Vries is dat Oeroeg niet realistisch is: ‘Oeroeg komt niet uit de verf omdat hij niet wáár is.’ Zijn bezwaren richten zich verder ook op de stijl (sommige woorden zijn verkeerd gespeld of uit hun context gehaald) en op de onjuiste weergave van bepaalde zaken. Hij verwijt Haasse dan ook dat ze te onbekend is met de Indonesische nationalistische beweging om een goede karakterschets van Oeroeg te geven.
Een maand later geeft Tjalie Robinson (pseudoniem van Jan Boon), prominent voorvechter van de Nederlands-Indische letteren, een uiterst felle en geestige reactie op de bespreking van De Vries. Om te beginnen heeft De Vries volgens hem maar weinig van het boek begrepen en heeft hij nauwelijks de moeite genomen om zich te verdiepen. In plaats daarvan heeft De Vries…
‘... het gebit nauwelijks bekeken van dit paard, maar slechts wat grasjes tussen de rommelige tanden weggepeuterd: de hoofdfouten zijn De Vries ontgaan.[...] Het boek is FOUT. De opzet is ondoordacht gekozen, de intrige daardoor verkeerd uitgesponnen en het einde is zelfs politiek gevaarlijk.’
Robinsons oordeel komt erop neer dat Oeroeg onrealistisch en dus ‘fout’ is. De ‘ondoordachte opzet’ is dat een ook nog eens Hollandse vrouw een jongensvriendschap beschrijft; dat kan volgens Tjalie echt niet. Het bewijs is dat er diverse zaken niet kloppen met zijn eigen ervaring, zoals de passage waarin de jongens gaan jagen. Ook de racistische opmerkingen van de klasgenoten van de ik-figuur naar Oeroeg toe zouden ook niet geuit zijn; inlanders werden volgens Robinson niet achtergesteld. Er klopt dus maar weinig van. In zijn woede gaat Robinson ook op de man (of in dit geval: vrouw) af, want hij valt ook Haasse persoonlijk aan. Ze heeft er maar weinig van begrepen volgens hem, en daar gaat het ook fout in de intrige:
‘Waar is jouw “gatsjoek”, Hella? Hoe was jouw geheim van het beste glastouw van de wereld? [...] Neen, alles wat ik las, was vals en nog eens vals!’
Zijn laatste punt van kritiek richt zich op het ‘te belachelijk om gedrukt te worden einde’: de scène waarin de ik-figuur en Oeroeg lijnrecht tegenover elkaar staan in het oerwoud, een tafereel dat Tjalie omschrijft als een ‘Sardinisch struikroverstoneel’. Hij legt hier uit waarom het einde politiek gevaarlijk is: er wordt in zijn ogen ook hier een volledig verkeerd beeld geschetst, nu van de verhouding tussen Nederlanders en Indonesiërs, en impliciet lijkt hij bang te zijn voor de mogelijke politieke gevolgen van die verkeerde beeldvorming in het massaal gelezen Oeroeg. Vooral de volgende zinnen maakten hem kwaad: ‘Ik kende hem, zoals ik Telaga Hideung kende – een spiegelende oppervlakte. De diepte peilde ik nooit.’ Zijn ergernis steekt Robinson niet onder stoelen of banken:
‘Laat het onwetende Hollandse volk dit boek maar slikken met huid en haar. En kijk niet om naar die paar duizend Hollanders die werkelijk vrienden hebben gemaakt zonder zelfs maar een moment te zitten peilen!’
Wanneer we de ontvangst in Nederland en Indië met elkaar vergelijken, dan valt op dat er verschillende maatstaven zijn: literaire criteria in Nederland, realistische (‘het moet kloppen’) in Indië. Waar Dirk de Vries nog wel op stijl ingaat, schenkt Tjalie Robinson helemaal geen aandacht aan de taal. Hij lijkt van literatuur vooral te verwachten dat zij de werkelijkheid goed weergeeft. Daar valt weliswaar tegen in te brengen dat literatuur per definitie een persoonlijke en individuele vertekening van de werkelijkheid is en dus onmogelijk aan Tjalies wensen kan voldoen, en ook lijkt het hier zo te zijn dat Tjalie literatuur en journalistiek met elkaar verwart. Hij was echter zo betrokken bij ‘de Indische kwestie’ dat hij dat onderscheid niet leek te willen (of kunnen) maken. De agressie van Tjalie zou nog een staartje krijgen in 1993, toen Rudy Kousbroek en Tjalies kleindochter Siem Boon met elkaar gingen polemiseren. Jaren na het verschijnen van Oeroeg zouden ze een heftige polemiek voeren die verder ging dan alleen het boek. In het verhaal verliest Oeroeg langzaamaan zijn kinderlijke onschuld; ook het boek zou zijn onschuld verliezen en inzet worden van een fel debat.
Op 11 oktober 1993 werd ter gelegenheid van Hella Haasses 75ste verjaardag een tentoonstelling over haar leven en werk gehouden in het Letterkundig Museum. Bij de opening daarvan hield Rudy Kousbroek een toespraak waarin hij Oeroeg politiek interpreteert: Haasse was profetisch geweest over de vijandigheid van de Indonesiërs naar hun voormalige kolonisators toe. De zinnen ‘Ga weg, je hebt hier niets te maken’ aan het einde ziet hij als een bevel van de Indonesiërs aan de Indo’s en totoks om maar zo snel mogelijk te verlaten. Oeroeg symboliseert in zijn ogen ook het monddood maken van de Indische Nederlander: de ik-figuur is op het eind immers bijna sprakeloos.
Kousbroeks toespraak leidde tot een discussie die zich vooral richtte op de identiteitsproblemen van de verschillende groepen Indische (re)migranten. Siem Boon reageerde op Kousbroek; ze vond het ongepast dat een totok als Kousbroek ineens de underdog ging spelen, terwijl de Indo’s dit eigenlijk al jaren waren; de tweede generatie had lange tijd geen recht van spreken, de totoks wel, dus waar maakte Kousbroek zich zo druk om? In 1993 en 1994 zouden Kousbroek en Boon nog veel met elkaar polemiseren. Omdat die discussies vooral over de identeitsproblematiek van de uit Indië vertrokken mensen ging en minder over specifiek Oeroeg laat ik het hierbij. Wat zowel de woede van Tjalie Robinson als de polemiek tussen Kousbroek en Siem Boon in ieder geval wel laat zien, is dat de betekenis, interpretatie en waarde die aan Oeroeg is toegekend in hoge mate afhangt van de betrokkenheid en het standpunt van de criticus wat betreft de Indische kwestie, die ook vele jaren na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië nog steeds gevoelig bleek te liggen. De Nederlandse critici zaten vooral op een afstand en waren vrij zacht in hun oordeel; Tjalie Robinson maakte het van dichtbij mee en was veel harder. De wens van Haasse dat Oeroeg verbroedering zou bewerkstelligen is dan ook niet helemaal ingewilligd. Verder kan de receptie van Oeroeg enigszins paradoxaal worden genoemd: hoewel het boek helemaal niet controversieel bedoeld was, heeft het toch het nodige stof doen opwaaien. De actualiteit van het onderwerp en de politieke boodschap die (niet) in Oeroeg gewaardeerd wordt, blijken daarbij een belangrijke rol gespeeld te hebben. Wat de ontvangst van Oeroeg ook duidelijk maakt: literaire teksten kunnen niet los staan van de tijd waarin zij ontstaan.
Oeroeg als cultuurgeschiedenis
Die gedachte volgt ook Pamela Pattynama, bijzonder hoogleraar Postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de UvA. In haar oratie gaat zij ervan uit dat literaire teksten over Indië eigenlijk ‘herinneringsteksten’ zijn: ze dragen de herinnering aan de Indische tijd met zich mee. Onze beeldvorming over het leven in Indië ontlenen we, volgens Pattynama, aan die herinneringsteksten: ze maken deel uit van ons cultureel geheugen, ze zijn als het ware ons ‘reisarchief’. Eenvoudig gezegd: via Max Havelaar, De stille kracht en Oeroeg krijgen we een beeld van het Indische leven.
Mogelijk heeft de CPNB juist daarom in 2009 – Indonesië zestig jaar onafhankelijk – voor Oeroeg gekozen: Nederland Leest heeft daarmee ook een literaire herdenking kunnen worden. Zeker op scholen kan dat een belangrijke aanvulling zijn: leerlingen leren op die manier ook iets over de kolonie Nederlands-Indië. Er valt aan Oeroeg wat te verbinden, en misschien is dat ook de reden dat het zo’n succes is geworden. In de loop der jaren is het ook deel gaan uitmaken van onze cultuurgeschiedenis en dat is misschien wel hét teken dat Oeroeg tot de canon behoort. En dat nog wel jaren zal blijven doen.
In die jaren zal ook duidelijk kunnen worden hoe men in het huidige Indonesië eigenlijk over Oeroeg denkt. Recentelijk is Oeroeg namelijk in het Bahasa Indonesia vertaald. Of er in de kritische geluiden in de Indonesische pers een echo van Tjalie Robinson zal doorklinken? De tijd zal het leren…
Gebruikte recensies
[Anoniem], ‘Vriendschap in de tropen’. In: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 21 februari 1948.
H.M. van Randwijk, ‘Oeroeg: een bekroonde novelle’. In: Vrij Nederland, 28 februari 1948.
C.J. Kelk, ‘Oeroeg, een begin of een einde?’. In: De Groene Amsterdammer, 3 april 1948.
Anoniem, recensie over Oeroeg, in Algemeen Dagblad, opgenomen in een promotiefolder van Querido (1960), documentatie Nederlandse Letterkunde, PC Hoofthuis UvA
Jef Last, ‘Werk van Hella Haasse’. In: De Vlam, 23 april 1948.
Dirk de Vries, ‘Gegeven paard in de bek gezien?’ In: Oriëntatie 1 (1948), 8 (mei), p. 58-59.
Tjalie Robinson, ‘Nogmaals Oeroeg‘. In: Oriëntatie 1 (1948), 9 (juni), p. 56-58.
Pamela Pattynama, ‘...de baai… de binnenbaai’: Indië herinnerd. Amsterdam: Vossiuspers 2005.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



