Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

In 1942 was de Sint driehonderd jaar

door Bob Hopman, 5 december 2009

‘Die ene keer per jaar kon je commentaar op elkaar geven zonder elkaar te kwetsen’, schrijft Jeroen Krabbé, die vanwege zijn geboortedatum, vijf december negentien vierenveertig, middenin de Hongerwinter, de eer heeft een voorwoord bij deze bloemlezing te schrijven. Uit de gedichten blijkt zijn gelijk: niemand komt aan de hofnar, zelfs de bezetter niet en in de tijd van onderdrukking was Sinterklaas de satiricus.

Historicus Hinke Piersma, werkzaam als onderzoeker aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie verzamelde de gedichten. Via een oproep op de website van het NIOD kwam zij in het bezit van een grote hoeveelheid verzen geschreven door doorsnee burgers, uit allerlei lagen van de bevolking. Ook onderduikers, Engelandvaarders, en Hollanders uit Indië stuurden stukken. Overige fragmenten zijn afkomstig uit tijdschriften als het nationaalsocialistische Volk en Vaderland of van radio Oranje.

Dat zoveel Nederlanders aan de oproep gehoor hebben gegeven mag als heel bijzonder worden beschouwd. ‘Sinterklaas’ biedt een mooi masker voor de auteur om zich cynisch over familieleden en in dit geval de foute landgenoten en bezetters uit te laten. Maar Sinterklaas is slechts een ‘excuus voor satire’ en biedt een dichter geen bescherming zoals bijvoorbeeld een pseudoniem dat doet. De gedichten zijn veelal opgestuurd voorzien van een naam en van een korte toelichting, waardoor de auteurs en de aangesprokenen direct aanwijsbaar zijn. Nu geldt dit uiteraard in zekere mate voor elke dichtbundel die verschijnt, maar een belangrijk verschil is dat die gedichten bewust gemaakt zijn om gepubliceerd te worden. Sinterklaasrijmen zijn niet bedoeld het gezin te verlaten, en in sommige gevallen zijn het toch zeer persoonlijke onderwerpen die worden aangesneden.

‘Sinds onze lieve kleine land
is bevrijd uit Duitse hand
en wij verlost zijn van dit wrede gespuis
Is Betty geen enkele avond meer thuis
Ze is op stap in of buiten Amsterdam
met een of andere jongeman
Een Engelsman of Amerikaan of wat mag het wezen
maar meestal toch met Canadezen’

In niet minder dan vier behoorlijk lange strofen neemt Frans Geytenbeek in 1945 hier zijn scharrelende zus Betty op de hak, gedichten die geheel niet vreemd zijn van kleine schunnigheden en dus als gezegd heel persoonlijke documenten zijn. Betty Geytenbeek is in 2001 overleden, haar rol in dit gedicht – een bijzonder komische en voorzien van een dikke knipoog, zo moet wel worden gezegd – is deel van haar nalatenschap.

Om deze bereidheid zich bloot te geven mogen wij de auteurs en hun nabestaanden dankbaar zijn, want er zitten prachtige stukjes cultuurgeschiedenis tussen, steeds in de vorm van spotternijen en maatschappijkritiek. Het meest cynische en satirische gedicht is afkomstig van (waarschijnlijk) een zekere Dick van Dien, in 1943.

‘Of ik Sint wil komen vieren
In het jeugdstormkringclubhuis
dat ’k mijn mijter moet versieren
met een groot zwart hakenkruis
Ben ik lid van de kultuurkring?
Dat ik sonst tegen de muur ging.
En hoe is het met mijn knecht?
Is zijn grootmoeder wel echt?’

Dit is een twee pagina’s lang virtuoos Sinterklaasrijm, maar het is helaas, zoals bij de meeste ‘betere’ en scherper geformuleerde gedichten, geschreven in Engeland of, zoals in het geval van ‘Betty’ na de bevrijding. In relatieve vrijheid dus, terwijl de dapperste fragmenten, opgesteld door kampbewoners of onderduikers (ook van Anne Frank is een gedicht opgenomen) meestal wat milder of voorzichtiger van toon zijn, en ook niet altijd technisch en stilistisch even sterk.

De stijl van de gedichten, of feitelijk elk literair criterium is in deze bloemlezing irrelevant. Eerder dan een literair werk heeft Piersma een populair geschiedkundig boek samengesteld. Alle gedichten zijn van een korte inleiding voorzien, en in zekere mate van chronologie, of per stadium van de oorlog achter elkaar gezet. Oude foto’s met door Piersma opgestelde beschrijvingen van Sinterklaasvieringen in oorlogstijd komen hier tussendoor. In de inleiding wordt bijvoorbeeld verklapt hoe de Sint in 1942 op Sumatra een permit kreeg om kamp Poelau Brayan binnen te gaan, met daarop een aangegeven leeftijd van 300 jaar: een leuke rekensom voor nieuwsgierige kinderen.

Als geschiedkundig werk biedt Zou de goede Sint wel komen een tamelijk eenzijdig beeld, omdat de anti-Duitse blik in de bundel erg sterk vertegenwoordigd is en de pro-Duitse helemaal niet. Dit zal te wijten zijn aan de toch hoge mate van persoonlijkheid van de gedichten, en een gebrek aan bereidheid om zelfgeschreven, of in het geval van nabestaanden, door vroegere familie opgestelde gedichten voor publicatie naar het NIOD te sturen. Als de auteur anti-semitische of Duitsgezinde uitingen heeft gedaan, zal deze stap wellicht te groot geweest zijn.

En misschien heeft de Duitsgezinde Hollander de uitlaatklep van het Sinterklaasfeest gewoon niet zo hard nodig gehad als de mensen in onderdrukking, en is dat de boodschap die uit deze bundel spreekt. Een van de gevolgen is in ieder geval een inhoud zonder diepere morele oorlogsproblematiek; een humoristisch boek dat het meer dan waard is om in de kast te hebben, vol van persoonlijke en in deze vorm van publicatie zeer zeldzame egodocumenten.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.