elders op recensieweb
Verspreid werk 1: Tirade 422 en 423 (2008-1 en 2)
opiniestuk
Verspreid werk 2: Een grotere wereld door Armada (nummers 49, 50 en 51)
opiniestuk
Ik voorbij. Franke warm en analytisch geëerd (De Gids 2010.4)
opiniestuk
Aan mijn doodsbed geen cynisme
opiniestuk
Pseudo-debutanten en verlangen naar Borges
opiniestuk
auteur
auteur
auteur
auteur
auteur
auteur
elders op internet
Literaire tijdschriften als podium voor korte verhalen
door Karlijn de Winter, 11 mei 2010
Het korte verhaal staat weer sterk in de belangstelling. Half april vond in De Balie in Amsterdam een heel korteverhalenweekend plaats, en op 19 mei aanstaande organiseert Recensieweb er een discussieavond over. Een belangrijk podium voor het korte verhaal, zo niet het allerbelangrijkste, is het literaire tijdschrift. Als je deze tijdschriften doorbladert krijg je beter dan in de etalage van eender welke boekhandel, een indruk van de recente oogst van korte verhalen in Nederland. Daarom in deze aflevering van Verspreid Werk aandacht voor de nieuwste nummers van drie tijdschriften die vrijwel alleen maar verhalen publiceren: KortVerhaal, Tirade en Lava Literair. Wat is er op deze podia te zien? Waarin onderscheiden zij zich van elkaar en waarop leggen ze het accent?
KortVerhaal: een Amerikaanse twist
Is het omdat Nederlandse auteurs Amerikaanse korteverhalenschrijvers als hun grote voorbeelden beschouwen? Of is het genre in de Amerikaanse literatuur gewoon volwassener, en daardoor steviger verankerd, zoals Annelies Verbeke in haar openingstoespraak bij Hotel van Hassel stelde? (Om daar overigens wel de kanttekening bij te plaatsen dat ‘een Amerikaanse schrijvende collega onlangs [beweerde] dat ook in haar land korte verhalen als de underdogs van de literaire wereld worden beschouwd’.) Wat de precieze aanleiding ook is, het eerste nummer (Lente 2010) van het nieuwe tijdschrift KortVerhaal, een voortzetting van De tweede ronde ‘maar dan zonder essays en Nederlandse poëzie’, is opvallend America-minded.
Bij de auteurs die de pagina’s van KortVerhaal bevolken zitten een aantal Amerikaanse klassiekers in het genre. Behalve John Cheever ook James Thurber, Raymond Carver, T.C. Boyle – gemoedelijk naast bekendere en minder bekendere Nederlandse collega’s, onder wie redactieleden Thomas Verbogt en L.H. Wiener (voor een fragment zie Athenaeum Boekhandel), maar ook A.L. Snijders met zeven ZKV’s (Zeer Korte Verhalen) en Philip Snijder, wiens debuutroman Zondagsgeld (2007) door Recensieweb bejubeld werd (zijn verhaal staat integraal op de site van Athenaeum Boekhandel).
Recensieweb is natuurlijk vooral gespitst op de Nederlandse korte verhalen. Maar ook die hebben soms een Amerikaans tintje. Indrukwekkend is vooral ‘God bless America’ van Willem Jardin. Met zijn debuut Monografie van de mond (2008), waarin hij in een onalledaagse mix van verhalend en essayistisch proza een ongekende waaier aan thema’s te lijf gaat, baarde hij bij Recensieweb veel opzien. Maar van de ambitieuze en experimentele insteek van die roman is hier weinig meer terug te zien: het is een degelijk opgezet verhaal met een duidelijke lijn en – heel klassiek – een aanwijsbaar begin en einde. Wat in dit verhaal indruk wekt is de vakkundige wijze waarop Jardin spanning weet op te bouwen. Dit doet hij door vragen op te roepen en die heel geleidelijk, zonder al te snel te veel prijs te geven, af te wikkelen:
‘Dr. Walter Freeman en zijn lobotomobiel zouden zijn redding zijn, hoewel mijn vriend John Clayton bij vlagen zelf niet wist dat hij gered moest worden.’
Een van de eerste zinnen van het verhaal – je leest er niet snel overheen, je ogen moeten hier stilhouden. Wie is Walter Freeman en vooral, wat is een lobomotobiel? Waarvan moet John Clayton gered worden, en waarom weet hij zelf niet dat dat nodig is? Verderop wordt het een en ander duidelijk, al komen daarmee ook nieuwe vragen en twijfels in de lucht te hangen. Zo ontwikkelt zich de geschiedenis van een psychiatrisch patiënt, en van een omstreden behandelmethode die in zijn kliniek zal worden toegepast.
Jardin heeft zo’n dwingende verteltrant, dat ieder stukje nieuwe informatie als een harde klap op je afkomt. Met als ultieme dreun de slotzin:
‘”God bless America,” (…) Hij zei dat dit het enige was wat Mr. Clayton uit kon brengen sinds zijn operatie. “Mr. Clayton is invalide,” zei hij, “maar een ware patriot.”’
Tirade : kort verhaal en korte film
Het laatste nummer van Tirade (2010 Nr 2) staat helemaal in het teken van Hotel van Hassel, het korteverhalenweekend dat op 16, 17 en 18 april plaatsvond in De balie in Amsterdam. Gastredacteur van deze special is dan ook organisatrice Sanneke van Hassel. Hoewel ze zelf geen bijdrage heeft geschreven, staan wel veel van de auteurs die zij heeft uitgenodigd met een verhaal in deze Tirade, onder wie Petina Gappah, Gyrðir Elíasson en D. Hooijer, van wie de verhalenbundel Sleur is een roofdier eerder zo enthousiast ontvangen werd dat Recensieweb haar ook wilde interviewen. Daarnaast kun je in dit nummer ook de openingstoespraak van Annelies Verbeke, maar dan in uitgebreidere versie, nog eens nalezen.
Een van de terreinen die in Hotel van Hassel werden onderzocht was het grensgebied tussen korte verhalen en korte films. Waar raken deze twee korteafstandsgenres elkaar, en waarin onderscheiden ze zich? Deze Tirade nodigt de lezer (kijker) uit daar zelf op verkenning uit te gaan. Bij het nummer is een dvd gevoegd, met daarop zeven korte films. Van iedere film is de logline (een soort elevator pitch waarin in enkele zinnen wordt gezegd waar de film over gaat) voorgelegd aan een Nederlandse auteur. Van Jan van Mersbergen tot Vincent Overeem, van Elke Geurts tot Walter van den Berg. Zonder dat zij de bijbehorende film zagen, hebben ze aan de hand van de logline een verhaal geschreven.
Dirk van Straaten merkt in zijn inleidende artikel al op dat loglines niet erg bepalend zijn voor het eindresultaat: ‘Zelden ontwikkelen de verhalen zich op dezelfde manieren in film en op papier.’ Je zou zelfs kunnen zeggen dat die verhalen die de letterlijke tekst van de logline meer durven los te laten, geslaagder zijn. Ze komen over als een natuurlijker, meer op zichzelf staand geheel.
Dat geldt bijvoorbeeld voor ‘Een speciale dag’ van Maartje Wortel. Haar logline stelt dat een bejaard echtpaar tijdens een picknick in een bos overrompeld wordt door het optreden van een klassieke mimespeler. In haar verhaal blijken de dame en heer in kwestie zich zelf tot acteurs te ontwikkelen, waarmee ze – heel verrassend – juist elkaar een waanbeeld voorhouden.
Ook Lodewijk van Oord, de enige van de zeven auteurs die nog niet in boekvorm is gedebuteerd, heeft zich geen beperkingen laten opleggen door zijn logline:
‘Een rechercheur onderzoekt grondig het appartement van een overledenene. Door wat hij daar aantreft raakt hij zeer betrokken bij het leven van de bewoner, een man die door iedereen lijkt te zijn vergeten.’
Van Oords verhaal ‘Een lijk op tafel’ volgt inderdaad het uitgangspunt dat een man het appartement van een overledene, twee overledenen zelfs, betreedt en daar allerlei lades en kastjes opentrekt en zich een voorstelling van hun vroegere leven maakt. Maar deze hoofdpersoon is geen rechercheur; zijn identiteit is niet duidelijk, hij lijkt het zelf niet eens te weten en haalt zich van alles voor de geest.
‘Ik trok de tweede lade open. Waarheidsvinding, daar was het me nog altijd om te doen. Niets bij voorbaat uitsluiten, zelfs het meest onwaarschijnlijke niet. Mijn oog viel onmiddelllijk op de Saint Etienne, een 11 millimeter, modelletje 1873. Ik nam het pistool in de hand, ja, mijn vingerafdrukken zullen erop te vinden zijn. Ik controleerde of het geladen was, en overwoog op de man te schieten. Een vreemde opwelling, dat besef ik, aan een dode kan een kogel tenslotte niets meer toevoegen.’
Juist die labiele toestand van deze man maakt het verhaal luguber en bevreemdend. Zo’n idee komt in een kort verhaal als dit prachtig tot uitdrukking, wat in een korte film wellicht nooit zo gelukt was.
Lava Literair: aanstormend talent
Veel minder dan in KortVerhaal en Tirade bots je in Lava Literair op de bekende namen. Dit viermaandelijkse tijdschrift laat zich dan ook het best omschrijven als een podium voor met nog niet doorgebroken jonge verhalenschrijvers.
Eenmaal per jaar trekt het tijdschrift de aandacht met de verhalenwedstrijd De brandende pen. Nederlandse en Vlaamse auteurs kunnen hiervoor oorspronkelijk, nog niet eerder gepubliceerd werk insturen. Uit de bijna driehonderd inzendingen die in de loop van 2009 binnenkwamen, selecteerde de jury bestaande uit Arie Storm (criticus Het Parool), Bart Kraamer (redacteur Meulenhoff) en Martijn Knol (schrijver van Aphinar. Een romantische tragedie) een shortlist. Deze twaalf verhalen werden allemaal gepubliceerd in Lava 16.1, het eerste nummer van 2010.
Op de shortlist stonden onder meer dezelfde Lodewijk van Oord als uit Tirade, caberetier Ronald Goedemondt, dichter Maarten Inghels en Turing Nationale Gedichtenwedstrijd-winnaar Gerwin van der Werf. Maar de winnaar, voor het eerst in drie jaar weer een Nederlander, was een nieuwe naam uit Apeldoorn: Jos Jansen.
De titel van zijn verhaal ‘Ockham’s scheermes’ verwijst naar de filosofische methode om alle ‘overtollige aannames’, alles wat de waarheid onnodig ingewikkeld maakt, te verwijderen. Op een literaire manier is dit verhaal zelf ook kaalgeshoren, tot de essentie teruggebracht. De zinnen zijn hard, onomfloerst en kernachtig geformuleerd. Ze schetsen een ijzingwekkende scène van twee puberbroers in een kille badkamer die haast van de buitenwereld afgesloten lijkt. Het is net of een ijzeren hand de lezer onherroepelijk naar het einde toe leidt:
‘Vanaf het wc-deksel kijk ik al die tijd zwijgend toe. Als mijn broer zijn visioenen beschrijft, is dat wat ik doe. Zwijgend toekijken.
[…]
Hij opent zijn ogen en gaat verder. ‘In dat godvergeten hete vuur heb ik ons samen gezien. Hier, in deze badkamer, op deze dag. Jij deed je onderbroek uit en je deed het. En ik, als oudere broer, hielp je daarbij. Dus doe je onderbroek uit en laten we beginnen.’
Onder het mom van broederlijke liefde verplicht de een de ander zijn bevelen op te volgen. Ze worden onontkoombaar, zoals ook alles wat in dit verhaal gebeurt onontkoombaar voor de lezer wordt, die niets kan doen dan lijdzaam toekijken terwijl de rillingen over zijn rug lopen.
Naar aanleiding van dit even beklemmende als krachtige verhaal is Jansen inmiddels door twee uitgeverijen benaderd. Hij werkt nu aan een verhalenbundel. Daarmee is het podium dat Lava geboden heeft voor deze auteur een opstapje geweest naar het professionele schrijverschap.
Podia van verkenningen en experimenten
In hun opzet en ambities zijn de tijdschriften drie totaal verschillende podia. Waar Lava de kwaliteit van jonge auteurs probeert te stimuleren en ontdekken, slaan in Tirade vooral de meer gevestigde auteurs aan het experimenteren met nieuwe manieren van schrijven. KortVerhaal hanteert misschien nog wel de breedste benadering door zowel auteurs te publiceren die met korte verhalen groot zijn geworden (Raymond Carver, L.H. Wiener) als jonge debutanten.
Waar de tijdschriften zich in onderscheiden is dan ook meer de fase van auteurschap van auteurs (gevestigd, debuterend) die erin publiceren, dan de stijl waarin ze schrijven. In dat opzicht lijken de tijdschriften nog nauwelijks onderscheidende eisen te kennen. Een auteur die nu gedebuteerd is in Lava kun je je over een paar jaar makkelijk voorstellen in Tirade of KortVerhaal.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



