Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Het talent en de fonkelende pen: Gustaaf Peek en de kritiek

door Daan Stoffelsen, 16 september 2010

Wanneer begint een schrijversleven? Nee – wanneer wordt een mens een schrijver? Het moment dat hij de pen oppakt, de typemachine onder handen neemt, de computer aanzet? Het contract met de uitgever? De boekpresentatie van het debuut? Traceerbaar zijn ieder geval de kritische reacties op Gustaaf Peeks debuut Armin. Peek debuteerde in juni 2006 met Armin. 30 juni werd het boek voor het eerst gesignaleerd, in de Volkskrant. Trouw volgde 8 juli met een beargumenteerd signalement, en NRC Handelsblad en Recensieweb kwamen 21 en 22 juli met grote stukken. Pieter Steinz (NRC) noemt Peeks ambitie sympathiek, maar het boek een typisch debuut. Recensiewebs Lotte Brugman daarentegen noemt Armin een ‘prettig beklemmend boek om meer dan eens gulzig te verslinden’. Ruim een maand later velt Kees ‘t Hart het oordeel dat later bevestigd zal worden: ‘Peek is een groot talent en we gaan nog veel meer van hem horen.’ Een schrijversleven is begonnen. Gustaaf Peeks eerste twee romans door kritische ogen, in de aanloop naar De bronnen van Gustaaf Peek.
N.B. 21 september organiseert Recensieweb in Spui25 De bronnen van Gustaaf Peek.

Ik had willen schrijven: de kritische ontvangst van Peeks debuut is beperkt. Ik moet dat terugnemen. Drie volwaardige recensies en een deelrecensie voor een debuut, dat zie je niet vaak. De opvolger kreeg er vier en een kortje. Niet alleen kwalitatief, maar ook kwantitatief valt de ontvangst van Gustaaf Peek op.

Armin

‘ISBN’, in de Volkskrant op 30 juni 2006.
‘Nieuwe boeken, fictie’, in Trouw op 8 juli 2006.
Pieter Steinz, ‘De hele wereld samengevat in één boek’, in NRC Handelsblad op 21 juli 2006.
Lotte Brugman, ‘Prettig beklemmend: een verrassend debuut’, op Recensieweb op 22 juli 2006.
Kees ‘t Hart, ‘Afwezige vaders’, in de Leeuwarder Courant op 1 september 2006.
Elma Drayer, ‘Koketterie en straatrumoer. Keuze uit de debuten van het afgelopen seizoen’, in Trouw op 4 november 2006.

Dover

‘Nieuwe boeken, fictie’, in Trouw, op 19 januari 2008.
Pieter Steinz, ‘Wij vervingen een partij tomaten. Gustaaf Peek beschrijft in zijn tweede roman knap het Doverse illegalendrama’, in NRC Handelsblad op 22 februari 2008
Daan Stoffelsen, ‘Eenzaamheid in het gezelschap van velen’, op Recensieweb op 23 februari 2008.
Evert Nieuwenhuis, ‘In plaats van een lading tomaten’, in de Volkskrant op 21 maart 2008.
Jaap Goedegebuure, ‘Menselijk wrakhout in Dover’, in de GPD-kranten op 22 maart 2008.
Diana Chin-A-Fat in AD op 29 maart 2008
Hilbrand Rozema, ‘Dover uitgestoten magie. Wat er echt gebeurt in Rotterdam’, in Nederlands Dagblad op 2 mei 2008.
Wineke de Boer, ‘Doden met een stem’, in De Morgen op 4 juni 2008.
Thijs Kramer, ‘Willekeur zorgt voor beste verhalen’, op 8weekly op 2 juli 2008.
Elsbeth Etty, ‘De immigrant in al zijn facetten. De vier genomineerde boeken voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2008’, in NRC Handelsblad op 9 januari 2009.

Ambitieuze opzet, korte zinnen

‘Over dat boek waren Trouw en de NRC het goeddeels eens: de debutant wilde te veel,’ stelt de anonieme auteur van het signalement van Dover. Sterker, het signalement dat die krant al op 30 juni 2006 afgaf over Armin stelde dat al. Daarna zou NRC Handelsblad snel met een stuk komen over Armin. Trouw kwam in november met een uitgebreide recensie, maar het eerste signalement in Trouw had die kritieken bij voorbaat al goed samengevat:

‘Debutant Gustaaf Peek (1975) haalt zich heel wat op de hals door de keuze van zijn hoofdpersoon Armin. Die is geboren in een Lebensborn- ziekenhuis van de nazi’s (bedoeld om het ras Arischer te maken) en genoemd naar een SS’er. Later vlucht hij naar Nederland. Als hij volwassen is en vader wil worden, gaan de vragen over zijn afkomst pas goed knagen. Maar de manier waarop Peek deze Vatersuche in beeld brengt, heeft niets barok-Louis-Ferron-achtigs. Peek schrijft kaal en zakelijk, en gebruikt (zoals wel meer debutanten) veel korte zinnen, die tamelijk los van elkaar lijken te staan: “Paarden. Zwaarbeladen en traag. Dikke benen bibberend onder het gewicht. Ze liepen vooraan en trokken karren als muurloze huizen”.’

Peek haalde zich heel wat op z’n hals, en hij gebruikt korte zinnen. Steinz’ analyse breidt in een stuk van 600 woorden die kritiek uit. Eerst de te grote ambitie:

‘Gustaaf Peek verliest zich namelijk een beetje in alle verhalen die hij aan elkaar wil knopen: de kloonexperimenten en het mislukkende leven van Armin junior (Waskowsky genoemd), de eenzaamheid van zijn zoon Ben, de gevolgen van de atoombommen op Japan, het leven in Berlijn na de Val van de Muur, de laatste fotosessie van een drugssmokkelaar in de gevangenis van Singapore, en nog veel meer. Een beetje globalisering is aardig, maar het is niet nodig om de hele wereld in één boek te stoppen.’

Dan de stijl:

‘Peeks moeizame dialogen en kortademig proza zijn kenmerkend voor veel recente debutanten, die om de een of andere reden de lange zin schuwen. We moeten hem prijzen om zijn originele invalshoek en zijn lef om, anders dan veel debutanten, afstand te nemen van zijn eigen biografie. Maar verder is Armin niets meer of minder dan een voortgangsrapport: het boek dat je benieuwd maakt naar het volgende.’

Steinz constateert een veelheid aan verhaallijnen, en dat illustreert zijn opsomming goed. Maar voor Steinz’ stijlkritiek ware het citaat in het Trouw-signalement (‘Paarden. Zwaarbeladen en traag…’) geschikter geweest dan de zinnen die hijzelf citeert: ‘Een mens wil zichzelf overdragen aan de ander voordat hij zijn hart openstelt. [...] Mensen willen van zichzelf houden. We verwonderen ons te lang over onbekenden – we hebben te laat lief.’ Mooie treffende woorden, en zeker niet afgebeten staccato, zou ik zeggen, en dat tegengeluid komen we nog vaker tegen, in Kees ‘t Harts recensie én in de enige webrecensie.

Een activerende roman

Een dag na Steinz kwam Lotte Brugman met haar recensie op Recensieweb. In tegenstelling tot Steinz, die het motto ‘Humans never learn. They only find new ways to fail’ doortrekt, duidt zij de verhaallijnen concreter:

‘De verhalen sleuren je slingerend mee door een bewogen eeuw. In hoog tempo wisselt het verhaal van tijd, plaats en perspectief. De verschillende lijnen vertellen één verhaal over ontwrichte gezinnen, ontaarde moeders en geroepen vaders: de verschillende kanten van het ouderschap staan centraal zonder al te veel op de voorgrond te treden. In krachtig proza maakt Peek het pijnlijk duidelijk: vader (of moeder) zijn is meer dan het doorgeven van je genen.’

Bovendien voegt ze er een lezersperspectief aan toe: ‘Gustaaf Peek plant haast onmerkbaar kiemen van vragen onder je huid. Als je het boek uit hebt, jeuken ze nog na: wat maakt je een goede ouder? Hoe verantwoordelijk ben je als kind voor je ouders?’ De auteur activeert de lezer op meerdere manieren, stelt ze:

‘Peek neemt zijn lezers serieus en verwacht dat ze actief meelezen. Hij schept alle noodzakelijke voorwaarden om te zorgen dat zijn lezers meeleven, meevoelen en meedenken. Zijn metaforen zijn poëtisch, zijn vragen prangend, zijn dialogen scherp en aansprekend: zoals sommige tekenaars met enkele lijnen een compleet beeld op kunnen roepen, weet Peek in enkele woorden een verhaal te vertellen.’

Brugmans waardering berust vooral op de interactie die de roman oproept. Opvallend: over de problemen waar Steinz tegenaan liep geen woord; de structuur wordt niet bekritiseerd, de stijl juist geprezen.

Adembenemend Duitsland, duizelende verhaallijnen

In september kwam Kees ‘t Hart met een stuk in De Leeuwarder Courant. De toonzetting is duidelijk positiever. Ja, ‘[w]anneer ik dit zo navertel begint het me alweer te duizelen en naarmate de roman vorderde raakte ik de verhaallijnen wel eens helemaal kwijt’, maar ‘Armin blijft fascineren’. Hij licht met name de Duitse episode eruit. Steinz schreef al dat het jammer was dat Peek het daar niet bij gelaten had:

‘... en niet alleen omdat in het reilen en zeilen van Operatie Lebensborn en de sfeer van Götterdämmerung een mooi boek had gezeten – een soort kruising van John Irvings weeshuisroman The Cider House Rules en Michel Tourniers onheilszwangere oorlogsmythe De elzenkoning.

‘t Hart gaat een stapje verder dan deze aanzet tot een Lezen Etcetera-schema, en ziet net als Brugman de ruimte tussen de korte zinnen:

‘De omzwervingen van de moeder van Armin I door Duitsland na de oorlog zijn adembenemend. Het heeft allemaal te maken met Peeks stijl die de geschiedenissen binnen dit boek ver uittillen boven wat we in de Nederlandse literatuur gewend zijn. Hij schrijft in een droge, bijna documentaire stijl, zonder literaire opsmuk; dus geen bloemrijke beeldspraak, maar wel veel suggestie tussen de regels door.
Emoties zitten bij hem in de kale beschrijvingen van de interieurs en de gebeurtenissen. Dan walmt je ineens uit een paar schrale beelden totale eenzaamheid tegemoet, of wanhopig verlangen naar geborgenheid.’

‘t Hart is enthousiast kortom. Het was een mooi slotakkoord geweest, maar de laatste kritiek voor Armin komt in november. Elma Drayers woorden, in een overzicht van debuten met verder Frénk van der Linden, Arjen Lubach en David Danish, vatten de negatieve kritieken samen.

‘Gustaaf Peek is niet van talent gespeend. De pagina’s die spelen in de nazi-Duitsland zijn ronduit voortreffelijk. Maar zijn stijl is soms wel erg precieus (“Voetstappen tikten een haastig pad vlak bij haar”), hij moet wel erg veel verhalenlijnen in de hand houden, en de verbindingen tussen de personages zijn wel erg nadrukkelijk. Had Gustaaf Peek wat minder alles in één roman kwijt gewild – het had dit debuut wonderen gedaan.’

Maar het was nog maar het debuut, en het woord ‘talent’ is gevallen. Twee jaar later volgde Gustaaf Peeks tweede roman, Dover.

Het overgangsrapport en de vergelijking

Dat Peek Steinz niet onberoerd had gelaten, blijkt wel uit de snelle recensie in NRC Handelsblad. En nu is hij een stuk positiever:

‘Dover begint ijzersterk, met een lyrische, in de wij-vorm gestelde beschrijving van de mislukte overtocht. [...] Zo is Dover knap opgebouwd en mooi geschreven, in staccato zinnen die worden afgewisseld met lyrische passages. Een zin als ‘Mr. Chow begreep de gouden gloed van verandering, herkende mensen die de schittering ervan niet konden weerstaan’ is maar een van de vele die je lang bijblijven.

Peek speelt bovendien slim met de wisseling van perspectief. Zo blijft het door het bijzondere begin van het boek tot het eind toe spannend – als je dat woord mag gebruiken – of Tony het zeereisje naar de haven van Dover overleeft.’

Peek is, besluit Steinz, inmiddels een auteur om rekening mee te houden. Van voortgangsrapport naar overgangsrapport? Of is hij al geslaagd? Het frustrerende in het bestek van dit overzichtsstuk is dat Steinz de voortgang niet analyseert. Waarom is Peek nu beter? Is het slechts een ander onderwerp dat Dover beter maakt, is de auteur onzichtbaar rijper geworden? Het zijn vragen waarop een doorsnee krantenkritiek helaas geen antwoord geeft – misschien iemand ooit in een literair tijdschrift?

Een dag later kwam ikzelf met mijn recensie. Waar Steinz consequent ingaat op stijl en perspectief, bekommer ik me – je bent toch een webrecensent – om de psychologie, intermenselijke thema’s en karaktertekening:

‘Ze zijn allemaal op de vlucht. Ze fingeren verledens, verzinnen nieuwe namen, zwijgen, aanvaarden, proberen te leven ondanks alles. De personages die Gustaaf Peeks tweede boek Dover bevolken, zijn ontworteld, eenzaam. [...] Het is een realisme dat past bij Peeks sobere, poëtische stijl.
[...]
Is de passiviteit van de andere [personages] nu zo passend voor het thema, of heeft Peek zijn personages gewoon te weinig kleur gegeven? Hoewel de asielproblematiek verstrekkender is, meer personen raakt – daarom is de mozaïekstructuur hier ook zo zinnig -, raakt Dover je minder dan Peeks eersteling Armin. Dat boek, over drie generaties wortelloze, geadopteerde mannen, was vol onbegrepen drijfveren, met frustraties gevulde eenzaamheid. Armin was tragischer, hoewel of misschien juist omdat ieder van de personages zijn dood aan zichzelf te wijten had, aan niemand anders. Armin was overzichtelijker, misschien.’

Misschien. Twijfelend tussen ‘goed’ en ‘beter’ komt de recensent duidelijk niet uit zijn woorden. De uitdaging om de twee boeken te vergelijken was misschien ook beter aangegaan op elementen als stijl en verhaalstructuur.

De fonkelende pen en de actualiteit van de asielzoeker

In de Volkskrant komt Evert Nieuwenhuis een kleine maand later met een dubbelrecensie, waarin hij zowel De gelukszoeker van Marcel van Engelen als Dover bespreekt. Gemene deler: asielzoekers. Van Engelens boek, non-fictie, ‘leest als een goede roman’, en Dover vergelijkt hij met Probeer het mortuarium van Eva Maria Staal, want ‘beide boeken spelen in criminele milieus, en ze delen een realistische, harde stijl’.

‘“Wij vervingen een lading tomaten”, zegt Tony over zijn reis naar Dover. Maar de fonkelende pen van Peek is veel subtieler dan het repeteergeweer van Staal. In enkele bladzijden weet Peek te ontleden hoe in 1997 de Indonesische rassenrellen tegen Chinezen ontstonden en hoe Tony en zijn familie eigenlijk altijd al wisten dat dit zou gebeuren. Of hoe Bas als 14-jarige soldaat met een rubberen slang zijn eerste bekentenis uit iemand sloeg, en waarom juist hem dat zo gemakkelijk af ging. Of waarom Aylin de mooie jongen Samir, het lokaas van mensensmokkelaars, wel moest geloven toen hij haar vroeg mee te gaan naar Londen.’

De fonkelende pen, dat komt bekend voor, maar uit zich dat het meeste in het vermogen van Peek om complexe gebeurtenissen te schetsen? Ik zou die kwalificatie eerder verbinden aan stijl, al zou Peeks stijl minder vreugdeloos definieren als Diana Chin-A-Fat een week later in het Algemeen Dagblad: ‘Het is al enkele jaren bon ton om verhalen te schrijven zonder frivoliteiten. Als er één schrijver die stijl beheerst, is het Gustaaf Peek. [...] Ook in zijn nieuwe roman Dover staat geen letter te veel. [...] [Peek schrijft] in een sobere, bijna steriele stijl en schept daarmee verwijdering tussen lezer en plot.’

Het is een korte recensie – 149 woorden, minder dan een NBD-Biblionstuk – en daardoor laat Chin-A-Fat ons met vragen achter. Hoe zit die verwijdering? Dat klinkt behoorlijk negatief, terwijl ze met een term als ‘beheersing’ en het uitlichten van Peek als beste toch positief leek te beginnen.

Bewijsstuk #127 in mijn pleidooi tegen de korte kritieken.

Het lef van de auteur om dit onderwerp aan te snijden keert overigens ook regelmatig terug. Wineke de Boer in een lovende kritiek in De Morgen: ‘Nederlandse schrijvers wordt weleens aangewreven dat ze zich weinig laten inspireren door de grote boze buitenwereld en liever over hun eigen sores schrijven. Voor Peek geldt dit in ieder geval niet. [...] Dit loodzware onderwerp werkt Peek met souplesse uit.’

Het actuele materiaal an sich is overigens niet lovenswaardig, stelt Jaap Goedegebuure in zijn stuk voor de GPD-kranten: Peek ‘volgt wel degelijk een trend: die van het literaire ramptoerisme’. En ‘Dover is getoonzet volgens een register dat de geserreerde stijl van de journalistiek combineert met
een half ingehouden, half bewogen lyriek. In zijn poging het beste van twee werelden te verzilveren, vergaloppeert Gustaaf Peek zich af en toe lelijk.’ ‘Van de bedompte mensenlucht die je tegemoet komt uit een hermetisch afgesloten laadbak, kun je [namelijk] niet zeggen dat hij op rijp lijkt.’

‘Gustaaf Peek mag dan een relevant, want nijpend en actueel onderwerp te pakken hebben, dat wil nog niet zeggen dat hij het goed weet te brengen.’ Lees eerst Koos van Zomeren of Renate Dorrestein maar, zegt Goedegebuure. Tja. Als bedompte mensenlucht niet op rijp lijkt omdat het ene warm en het andere koud is, kun je Peek zeker niet vergelijken met Van Zomeren of Dorrestein. Potten en ketels, dat ze zwart zien.

Tot nadenken stemmend, de lezer serieus genomen

Het is geruststellend dat ‘men’ het nog niet helemaal eens is. Maar de analytische krantenstukken worden aangevuld met wat invoelender stukken. Eerder al mijn eigen webrecensie, maar nu, we schrijven 2 mei, ook in het Nederlands Dagblad. Hilbrand Rozema is vol lof:

‘Met Dover maakte hij een gewaagde keuze voor een dramatisch en hoogst actueel thema. Zijn opvallende verwerking ervan, in een roman die niet dik is maar wel vol inhoud, helder van taal maar complex van structuur, plaatst hem in een categorie apart. Dit is een afwijkend, jong schrijftalent met een sterke betrokkenheid bij de actualiteit; een schrijver die je in de gaten moet houden.’

Met kanttekeningen (‘Zijn stijl is echter soms te gestileerd en bewust-beeldend. Dat zorgt voor koddige formuleringen: “Na het heffen van de handen
borrelde een applaus omhoog”. Een applaus dat borrelt?’), die Rozema relativeert als zout op slakken, voor hij eindigt in: ‘Deze roman gaat over wat er écht gebeurt in Rotterdam. Is dit trouwens de eerste keer dat mensensmokkel in Nederland in romanvorm belandt? Het boek stemt hoe dan ook tot nadenken.’

Dover informeert en activeert. We kwamen die tweede analyse al eerder tegen bij Lotte Brugmans recensie van Armin, en ook in de 8weekly-recensie van Thijs Kramer, in juli alweer, wordt de lezer niet vergeten. Eerst de duiding van de grote thema’s…

‘Maar het gaat in dit boek niet om de sensatie. Peek is er niet op uit ons te laten huiveren of te verbazen. Het gaat hem om de personen, stuk voor stuk ontheemd. Niemand heeft nog de naam die hij of zij bij geboorte meekreeg of spreekt nog zijn of haar moedertaal. Iedereen is op drift en is in verwarring over de eigen identiteit. [...] Er is geen thuis, voor niemand.’

... dan de ruimte voor de lezer.

‘Peek schuwt de grote lijn niet en heeft een scherp oog voor details, zou het komen omdat hij ook fotograaf is?
De mindere schrijvers hameren vaak: Lezer, kijk hiernaar! Mis dit niet! Begrijp vooral dat…! Peek hoeft dat allemaal niet te doen. Hij hanteert een vanzelfsprekendheid en terloopsheid, waardoor je als lezer voelt dat je serieus wordt genomen. Allemaal geconstrueerd door de schrijver, natuurlijk, maar zeer overtuigend.’

Ook nu weer vormt een nagekomen kritische noot een mooie samenvatting van de ontvangst. Begin 2009, de BNG Nieuwe Literatuurprijs staat op het punt uitgereikt te worden, schrijft Elsbeth Etty over de vier genomineerden. De grote gemene deler is immigratie, stelt ze vast, maar ‘het moet raar lopen wil Gustaaf Peek, auteur van twee formidabele romans, de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2008 niet in de wacht slepen’. Ze noemt hem een ‘geëngageerd auteur die grote maatschappelijke thema’s niet schuwt’, en Dover een stilistisch en compositorisch ijzersterk [fonkelende pen] verhaal waarmee hij zijn medegenomineerden ver achter zich laat’. Overigens won haar laatste keus de prijs uiteindelijk.

Op naar Ik was Amerika

Dezer dagen zal de ontvangst van Peeks derde roman losbarsten. Marleen Louter schreef al het Recensiewebstuk – nu eens vóór de bespreking in NRC (al heeft Pieter Steinz al wel een radiorecensie uitgesproken) – en het zal de komende weken vast weer veel gaan over stijl en compositie, of over psychologie, grote thema’s en ruimte voor de lezer. We kijken uit naar de krantenrecensies en webkritieken, naar de fonkelende pennen in alle hoedanigheden.

Bij dezen alvast gratis en voor niets een suggestie voor een opening. Pieter Steinz opende vier jaar geleden met ‘Nazi’s en seks, het is een explosieve combinatie – zoals het ook een onweerstaanbare opening is van een boekbespreking.’ Ik stel voor: ‘Nazi’s en negers, het is een explosieve combinatie.’ Idee?

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.