Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

Ontdekkingen 2010: oude bekenden en jonge talenten

door Carmen Meuffels, 30 december 2010

De kracht van Recensieweb, zo luidt ons motto, is dat we niet selecteren. We lezen en recenseren álle pas uitgekomen Nederlandse fictie. Dat zorgt er soms voor dat we boeken onder ogen krijgen die we liever niet zouden willen lezen. Gelukkig staan daartegenover boeken die ijzersterk zijn, romans die zowel stilistisch als inhoudelijk zo goed zijn dat we ze iedereen kunnen en willen aanraden. Voor zulke boeken en auteurs is het bijna jammer dat we niet méér kunnen doen dan vol lof over ze schrijven in een recensie. Om deze boeken toch nog eenmaal in het welverdiende zonnetje te zetten, volgen hier de zes van boeken en auteurs die ons afgelopen jaar, om verschillende redenen, aangenaam hebben verrast. Ook dit jaar leverde dat weer een bonte verzameling aan auteurs op. Vol trots stellen wij u, in volgorde van eerst tot laatst gepubliceerd boek, voor aan onze Ontdekkingen van 2010: Thomas Heerma van Voss, Daniel Rovers, Elmer Schönberger, Thijs de Boer, Daphne Huisden en Joost de Vries.

Thomas Heerma van Voss – De Allestafel
Dat Heerma van Voss kan schrijven ontdekte hijzelf per toeval, toen hij op negentienjarige leeftijd tijdens een vakantie ‘voor de lol’ aan een verhaal begon. Dit verhaal groeide uit tot een hartveroverende novelle over een wereldvreemde man, Mark Oldings, die slechts één wens heeft: een beheersbaar leven. Onvermijdelijk gebeurt het averechtse: Marks krampachtige pogingen om de controle niet te verliezen lopen op niets uit, en de situatie verslechtert totdat er geen enkele oplossing meer over lijkt. Toch verliest de protagonist uit De Allestafel nooit de moed en blijft hij onverstoorbaar doorzetten. Dit levert behalve ronduit hilarische taferelen ook verrassende passages op, waarin we moeten toegeven dat Mark ondanks zijn meelijwekkende handelingen tegelijkertijd bewondering oproept dankzij zijn misplaatste maar tevens ook onverwoestbare superioriteitsbesef. En Mark Oldings is niet de enige die bewondering oproept: Heerma van Voss bewijst met De Allestafel dat hij niet onderdoet voor gerenommeerde auteurs, en dat hij een ogenschijnlijk simpel verhaal kan vertellen dat nog lang bijblijft. De jonge auteur overtuigt, net als zijn hoofdpersonage:

‘Uiteindelijk zal hij mensen overtuigen. Later zal er gesproken worden van “voor” en “na” Mark Oldings. Niks zal ooit meer hetzelfde zijn.’

Welke boeken ontdekte Heerma van Voss op zijn beurt in 2010? ‘De mooiste twee die ik dit jaar heb leren kennen: De Vreemdeling van Camus en Disgrace van Coetzee. Allebei briljant. En de roman So Long, See You Tomorrow van de mij onbekende Amerikaan William Maxwell.’ Zijn plannen voor komend jaar zijn niet vastomlijnd, maar wel hoopt de jonge auteur tussen het studeren door tijd te hebben om nog enkele korte verhalen te produceren en zijn nieuwe lange verhaal te voltooien. Maar daarbij is geen enkele haast geboden. Kenmerkend voor de nuchtere Heerma van Voss, die eerder in een interview met Recensieweb verkondigde een afkeer te hebben van zelfpromotie en toegaf bij de eerste dertig pagina’s van zijn debuut ‘maar wat gedaan’ te hebben, zijn de woorden waarmee hij zijn plannen voor 2011 afsluit: ‘Ik zie wel.’

Elmer Schönberger – Vuursteens vleugels
In Vuursteens vleugels, de tweede roman van Elmer Schönberger, volgen we pianostemmer Erik Vuursteen. Onhandig, overgebleven, misantropisch: het leven lijkt hem niet goedgezind. Alleen al het portret van deze eigenaardige man, door Schönberger zorgvuldig opgebouwd door telkens een hebbelijkheid te openbaren, is de moeite waard. Maar er is meer: Vuursteen wordt verliefd op Pluis, studente filosofie die als bijbaantje in een striptent werkt. Clichés over bij voorbaat gedoemde relaties liggen op de loer, maar Schönberger weet het portret van Vuursteen in een ontroerende en prettig vreemde liefdesgeschiedenis te veranderen, met personages die de hele roman blijven boeien. Vuursteens vleugels getuigt bovendien van een scherp gevoel voor taal en verhoudingen. Zo blijft Vuursteen Pluis’ kwalificatie van hem als ‘rare man’ analyseren, en bedenkt hij zich later dat hij dat ook tegen een oudere vrouw had kunnen zeggen, of toch niet:

‘Wat ben jij een rare vrouw, zeg. Maar denk maar niet dat hij dat ooit had gedurfd. Geen sprake van. En opeens weet hij waarom. Het heeft te maken met de transpositie van nat lapje naar stemsleutel en van stemmer naar werkster. Het zit ‘m in het woord “vrouw “. Dus “man”. Met het woord “man” heeft Pluis als het ware haar hand op zijn knie gelegd. Heel even, louter symbolisch, maar toch. Ze had zelfs even in zijn knie geknepen.’

Wat vindt Schönberger van zijn uitverkiezing? ‘Ik kan geen beter argument bedenken voor de uitgever om tot herdruk van het uitverkochte Vuursteens vleugels over te gaan.’ De auteur deed dit jaar zelf twee aangename ontdekkingen: Plattegrond van een jeugd van Wanda Reisel en De Barbaren van Alessandro Barrico. In 2011 zal Schönberger zijn intrek nemen in het van Doesburghuis in Meudon, vlakbij Parijs, om daar een jaar lang te werken. Aan ambitie in ieder geval geen gebrek: Schönberger wil niet alleen een nieuwe roman produceren, maar ook een nieuwe compositie voltooien en een scenario voor een muziekvoorstelling over orkest De Volharding schrijven.

Thijs de Boer – Vogels die vlees eten
De verhalen uit Vogels die vlees eten, de debuutbundel van Thijs de Boer, zijn allemaal even beklemmend. In het eerste verhaal, ‘Loopdrang’, verblijft het hoofdpersonage (tevens de ik-verteller) in een psychiatrische instelling waar de gangen geen begin en geen einde hebben, en waar hij dus enkel rondjes kan lopen. Ook in alle volgende verhalen hebben de hoofdpersonages een wankele geest, wat een buitenissig scala van onbetrouwbare en onberekenbare vertellersstemmen oplevert. Neem het verhaal ‘Requim’, waar een jongen obsessief het overlijden van zijn vader bij elkaar fantaseert. In zijn gedachten pleegt zijn vader zelfmoord met een aardappelschilmesje in bad: ‘Dit gebeurt allemaal terwijl ik in de plaatselijke supermarkt de plank met witte bonen in tomatensaus bijvul.’ De Boers onderkoelde en onomwonden manier van vertellen, de scherpe wendingen en de schrille contrasten maken dat een ijzige rilling over je rug zo nu en dan niet te onderdrukken valt:

‘Soms liep ik over de straten met de baby hangend op mijn buik en dan legde ik mijn rechterhand op het hoofdje van het kleine ding en raakte ik de zachte plek aan boven op het kleine hoofd. Met mijn vingers ging ik dan over de plek heen en weer en voelde waar de schedel eindigde en het gat begin. En dan, op van die momenten dat ik gewoon even helemaal geen gedachten had en even helemaal niets voelde, hield ik mijn vingers stil boven op de zachte plek en duwde ik er zachtjes op. En daarna duwde ik er weer op, maar dan net iets harder. En daarna weer, harder weer, totdat ik van mezelf schrok.’

De Boer toont zich blij met zijn uitverkiezing: ‘Dat is fijn na al die tijd alleen in je kamer achter je bureau te hebben gezeten en na die momenten waarop je jezelf afvroeg of je misschien gewoon gek was dat je dit wilde doen.’ Zelf leest hij altijd veel buitenlandse literatuur, maar liet hij zich in 2010 verrassen door enkele auteurs van eigen bodem: ‘Mijn ontdekkingen: Janneke van der Horst, Walter van den Berg, Maartje Wortel, Sanneke van Hassel en Ton Rozeman. Lees hen.’ Wat 2011 De Boer zal brengen weet hij niet, maar zeker is dat hij ook het komende jaar weer achter zijn bureau zal zitten en met zinnen bezig zal zijn.

Daphne Huisden – Alles is altijd fictie
Sommige auteurs hebben een eigen site. Daar kijkt inmiddels niemand meer van op. Een volledige site die geheel in dienst staat van één roman is echter iets nieuws, des te meer wanneer er op die site niet alleen actiefoto’s van lezers staan, maar ook filmpjes waarin we de jeugd op straat horen zeggen: ‘Ik lees niet veel boeken, maar dit boek vond ik echt leuk.’

De experimentele debuutroman van de tweeëntwintigjarige Daphne Huisden verrast in eerste instantie door de uiterlijke kleurloosheid van het vrouwelijke hoofdpersonage. Dit personage heeft noch naam noch leeftijd, haar- of huidskleur, maatschappelijke positie of opleiding. Ze werkt als uitzendkracht op een kantoor, een baan die haar geen genoegen schenkt, en probeert buiten kantooruren vergeefs een sterkere persoonlijkheid te ontwikkelen met behulp van haar vreemde huisgenoot Gizmo. Tot zover dus enkel misère. Maar het contrast tussen de weinig bemoedigende leefsituatie en de stijl van Alles is altijd fictie, die bijzonder fris en vrolijk is, pakt goed uit. Door speleffecten in te voegen in de schijnbaar zwaarmoedige gedachtengang, weet Huisden het verhaal een fijne lichtvoetigheid mee te geven:

‘Wie ben ik? Ik ben een vrouw van onopvallende lengte zonder opvallende wensen. Een gemiddeld postuur en een alledaags gezicht, dat draag ik bij me als ik naar mijn werk ga. Op mijn werk word ik door iedereen bekeken, maar niemand merkt me op. Er is niemand die mij ziet en dat is altijd zo geweest. Er is geen verschil tussen nu en toen en dan en gisteren en morgen en vandaag en straks en tijd is voor mijn leven van geen enkel belang. [...] Wie ben ik?’

Recensieweb was over Altijd is alles fictie niet zuiver jubelend, over de auteur des te meer. De plot van de roman is eenvoudig en vertoont hier en daar enkele zwakheden, maar het schrijftalent van Huisden is voor ons onomstreden. Ze bezit de zeldzame kwaliteit om niet expliciet te vertellen, maar juist subtiel te verbeelden en toch haar karakters een unieke levendigheid mee te geven: reden genoeg om haar als een van de grootste jonge talenten op te merken.

Voor Huisden was het nieuws dat ze een van de Ontdekkingen van 2010 dan ook onverwacht: ‘De uitverkiezing komt als een behoorlijke verrassing, ook omdat de bespreking van mijn boek door Recensieweb niet uitgesproken positief was. Neemt natuurlijk niet weg dat ik me vereerd voel tussen de Ontdekkingen van 2010 te staan.’ Welke boeken ontdekte zij zelf? ‘Ik heb een aantal schrijvers ontdekt wiens werk me inspireren: een daarvan is David Foster Wallace. Zijn essay A supposedly fun thing I’ll never do again (Superleuk, maar voortaan zonder mij) is een van de weinige boeken waar ik direct opnieuw in ben begonnen nadat ik het uit had. Sterke observaties en zelfspot. Een andere ontdekking is Tom Rachman. Zijn boek _De onvolmaakten _is ontzettend knap opgebouwd.’ In 2010 is Huisden van plan aan haar nieuwe boek te werken, een activiteit waarvan ze verwacht dat hij haar veel voldoening zal geven en waar Recensieweb met spanning naar uitziet.

Daniël Rovers – Elf

In Elf, de debuutroman van essayist en literatuurwetenschapper Daniël Rovers, zijn levensverhalen gebundeld van elf twintigers en dertigers, die woonachtig zijn in Brussel. Bij het beschrijven van zijn protagonisten, blinkt Rovers uit in details: hij toont inzicht in mens én taal. De details maken de mensen over wie Elf gaat geloofwaardig. Zo wordt de lach van Tessel, die al jaren probeert haar leven een andere richting op te sturen, als volgt omschreven:

‘Wanneer ze lachte, hield ze beide handen voor haar mond, alsof ze op het punt stond te gaan niezen. Als een anekdote of een grap echt hilarisch was, legde ze die handen op haar buik, boog voorover en ademde diep in, als in een geste naar degene die haar aan het lachen had gemaakt. Zoals bij iedereen van wie de lach zich laat beschrijven, leek ook Tessels lach soms geacteerd, wat er dan weer tezelfdertijd de charme van uitmaakte. Het was een intelligent, bewust “hahaha”; gecontroleerd verloor Tessel de controle over haar gezicht.’

Elk personage representeert die generatie van laat-twintigers, dertigers, veertigers, die iets onvervulds probeert te duiden; Willy, Leen, Loza, Mehrdad, Jette, Antoon, Emese, Mauro, Olivier, Daan en Tessel vechten elk hun eigen, uiterst realistische en bijzonder trieste strijd met hun verwachtingen en de omstandigheden. Ieder personage weerspiegelt bovendien een type in de huidige maatschappij, en daarmee geeft Elf een mooi beeld van de verscheidenheid aan figuren die Brussel rijk is. Allemaal hebben ze te kampen met een vorm van isolement: Olivier is een gluurder die zich bezighoudt met het stiekem fotograferen van stelletjes in de IKEA, en Mehrdad wacht vol smart op zijn vaste verblijfsvergunning. Hoewel de verhalen onderling verweven zijn doordat elk personage een ander in zijn of haar kennissenkring heeft, verhouden zij zich amper tot elkaar: Elf blijft een verzameling van losse portretten, een soepele, gedetailleerde levensbeschrijving van elf uiteenlopende en interessante types.

Welke boeken ontdekte Rovers in 2010? Hij geeft eerlijk toe het overzicht kwijt te zijn, en noemt eerst twee boeken uit 2009: Dagen van gras van Philip Huff en Vis van Anton Valens. Dit jaar las hij de mooie prozabundel Vliegtijd van Els Moors (‘maar dat is niet echt een ontdekking want haar kende ik al’) en het eerder ook al door Huisden genoemde Superleuk, maar voortaan zonder mij door David Foster Wallace. Rovers’ plannen voor 2011 zijn hoog gegrepen: niet alleen wil hij het kabinet laten vallen, maar ook wil hij piano leren spelen. Ook op letterkundig gebied heeft hij veelbelovende plannen: de auteur wil komend jaar een roman over het leven van een seminarist en een essaybundel publiceren.

Joost de Vries – Clausewitz
In 2009 bereikte de hype over 2666, de postume roman van de Chileense schrijver Roberto Bolaño, Nederland. Joost de Vries schreef toen een ijzersterke analyse over het boek in De Groene Amsterdammer. Nu, in 2010, is hij het zelf die een roman schrijft: zijn debuut Clausewitz werd door Recensieweb jubelend ontvangen. In een vlot veranderend tijdsgewricht start een jonge promovendus de zoektocht naar een verdwenen schrijver – net als de hoofdpersonen van het eerste deel van 2666.

In Clausewitz gaat Tim Modderman op zoek naar de mysterieuze Ferdynand LeFebvre – die doet denken aan een veelvoud aan schrijvers onder wie A.F.Th. van der Heijden en Herman Hesse – over wie hij zijn proefschrift schrijft. Een verdwenen cultschrijver – de Bolaño van 2666 lijkt in vele verwijzingen aanwezig te zijn, maar ook voor wie ze niet herkent is het schrijfplezier merkbaar en aanstekelijk. In Clausewitz tilt De Vries een ordinaire queeste naar een hoger niveau door allerlei alternatieve geschiedenissen en verklaringen te introduceren om vervolgens, zonder enige uitleg, ze weer te laten vervallen. Dat vermoeit echter geen moment, ook niet wanneer zogenaamde primaire literatuur en secundaire bronnen samen met de – wat verplicht aandoende – foto’s verhullen dat de zoektocht zowel nutteloos als vruchteloos is. Maar dat is niet erg: tussen de belevenissen van deze niet al te spannende promovendus door gebeurt er van alles, en dat maakt Clausewitz niet alleen een vol, maar ook een rijk boek.

Wat vindt De Vries van zijn uitverkiezing? ‘Ik ben zeer verheugd. Volgens mij was 2010 een goed debutantenjaar, met debuutromans die van de gewaande paden afweken zoals Peter Buwalda’s Bonita Avenue en Jamal Ouriachi’s De vernietiging van Prosel Morel. Daar zie ik mijn eigen Clausewitz graag tussen staan.’ Dit jaar (‘en dan beperk ik mij keurig tot boeken die dit jaar verschenen’) ontdekte De Vries twee romans: HhhH van Laurent Binnet, dat hij ‘een briljante non-fictie roman over de aanslag op Heydrich in 1943’ noemt, en The Privileges van Jonathan Dee over een steeds rijker wordend echtpaar wiens vermogen de familiedynamiek en de opvoeding van hun kinderen verandert. Dit boek, dat volgens De Vries beter is dan Jonathan Franzens Freedom, geeft een keihard beeld van de upperclass in New York, terwijl het verhaal tegelijkertijd liefdevol en warm is. In 2011 hoopt De Vries te investeren in een super-de-luxe, nieuw koffiezetapparaat en daarnaast hoopt de auteur – ook niet geheel onbelangrijk – tot een waardig tweede boek te komen.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.