Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

alle categorieën

De tien geboden van de kritiek en andere discussiepunten

door Rein Swart, 10 februari 2011

In de reeks bijeenkomsten, die als ondertitel ‘maandelijkse en vernieuwende onderzoeksshow van de SLAA’ meekreeg, komt op de negende van deze maand het thema nut en onzin van de literaire kritiek aan de orde.
Jeroen van Kan leidt het programma in met de vraag of de kritiek dood is dan wel leeft. Wat is er wel en niet goed aan de literaire kritiek? Wat te denken van de uitgedunde boekenbijlage van de Volkskrant, wat van het sterren- of ballensysteem, wat van de bespreking van Kluun in zo’n beetje alle bladen?

Aan de bar zit een lezerspanel van drie jonge vrouwen klaar om hun mening te geven over de uitspraken van de heren critici: Arjen Fortuin (NRC), Arie Storm (Het Parool), Joost de Vries (De Groene Amsterdammer) en de schrijver Binnert de Beaufort.
De vrouwen geven alvast een schot voor de boeg. Fleur, medewerkster bij Athenaeum, vindt het moeilijk om zich niet door het sterrensysteem te laten leiden, maar heeft het liever niet. Theatermaakster Marjan slaat recensies van onbekende auteurs over als die weinig sterren krijgen en docente Nederlands Mirjam moet haar leerlingen dwingen om recensies te lezen.
Arjen Fortuin zegt in zijn State of the union dat de literatuurkritiek bloeit als nooit tevoren. Zes weken na het uitkomen van Freedom van Jonathan Franzen stonden er al driehonderd recensies op Amazon. Met de opmerking dat het altijd goed staat om te verwijzen naar het buitenland gaat hij in op de artikelen serie ‘Why critisism matters’ in de New York Times, die ik eerder op mijn blog besprak http://reinswart.blogspot.com/2011/01/over-de-functie-van-literaire-kritiek.html. Meestal sombert de criticus, zegt Fortuin, omdat niemand nog naar hen luistert. De criticus is vaak een wereldvreemde die buiten zijn vakgebied weinig te melden heeft. Fortuin schreef in de NRC over Kluun en Koch. Toen hij uitgeverij Podium belde over de verkoopcijfers van Kluun kreeg hij als reactie dat men het zorgelijk vond dat de NRC zich met verkoopcijfers inliet. Als doemscenario ziet hij voor zich dat over vijf jaar de literaire wereld commercieel geworden is.

Het geluid van de critici in de NY Times viel overigens mee. De teneur was opgewekt. Fortuin haalt Sam Anderson aan die vindt dat de criticus een evangelist moet zijn voor de literatuur als geheel omdat men steeds minder leest. De recensent moet aangeven dat er verschillen in kwaliteit zijn en heeft daartoe stelregels nodig. De evangelist haalde die op van de berg en kreeg tien geboden mee op zijn ipad.

  1. onderscheid wat kunst is en wat niet
  2. wees oprecht; houd afstand van de schrijver
  3. onderscheid oordeel van literair oordeel
  4. maak de lezer deelgenoot van je eigen leeservaring
  5. oordeel met argumenten
  6. schrijf voor de lezer en niet voor de schrijver
  7. behandel de schrijver met respect
  8. grijp de lezer bij de kladden door zelf goed te schrijven
  9. wees niet gemakzuchtig (lees ook Kluun)
  10. schrijf alsof je de enige criticus ter wereld bent

Helaas ziet de evangelist van Arjen Fortuin na zijn afdaling dat men alleen nog boeken leest uit de CPNB top honderd zoals die van De Rosnay en Stieg Larson.

Arie Storm en Joost de Vries, beiden ook schrijver, buigen zich vervolgens over de stelregels.
Jeroen van Kan vraagt hun tegen welke regels zij gezondigd hebben.
De Vries kijkt met een schuin oog naar Storm en wijst hem op het zevende gebod. Zelf heeft De Vries wel eens ge-emaild met een schrijver. Storm zegt dat het niet om de energie gaat die een schrijver in een boek steekt, maar om de kwaliteit. Hij haalt Mulisch aan die zei dat een meesterwerk binnenkomt via de achterdeur. De grootse zonde van De Vries was om namen door elkaar te halen en een plot verkeerd uit te leggen.
Over het combineren van recenseren en schrijven zijn ze het eens. De Vries zegt dat hij door zijn debuut beter weet hoe het werkt en voelt als je wordt besproken.
‘Ondermijn je je eigen gezag als criticus niet als je een slecht boek zou schrijven,’ vraagt Van Kan.
De Vries denkt van wel, Storm maakt het niets uit. Hij vindt recenseren, net als lezen, een leuke bezigheid. Schrijvers recenseren anders dan niet-schrijvers.
Van Kan vraagt of er iets mis is met de literaire kritiek.
De Vries zegt dat de serieuze kritiek te lijden heeft onder het internet. Storm ziet daarop ook mooie stukken verschijnen. Nadeel is wel dat daar geen poortwachters zijn. Vaak ziet een amateur niet dat literatuur een constructie is. Hetzelfde overkwam hem overigens bij het lezen van een recensie in de Volkskrant.
Van Kan stelt dat er enerzijds redactionele filters bestaan bij de krant, maar dat men anderzijds afdaalt naar de lezer, door een sterrensysteem te hanteren.
De Vries vindt dat de verpaupering toeslaat door recensies van tweehonderd woorden.
Uit de zaal komt als reactie dat op internet ook goede stukken te vinden zijn zoals op DeReactor.org.
Op de vraag van Van Kan of het mogelijk zou zijn om wekelijks een supplement samen te stellen van recensies op internet, antwoorden De Vries en Storm bevestigend.
De Vries zeg dat de literaire kritiek in de V.S. op een hoger plan staat. De uitgebreide recensies van James Wood zijn soms beter dan het boek, al vindt De Vries de man te veel een schriftgeleerde en mist hij het humanistische aspect.
‘Waarom kan zoiets niet in Nederland?’ vraagt Van Kan.
Storm benadrukt altijd de stijl en de stroom waarin het boek is geschreven. Hij zegt dat veel recensenten zich daarvoor niet ínteresseren. De Vries relativeert zijn eigen stelling met de uitspraak dat James Wood slechts eens in de twee maanden een lang stuk schrijft.
Storm vindt het voordeel van een beperkte omvang dat hij snel tot zaken moet komen.
De Vries vraagt Storm waarom hij Koch besprak. Storm antwoordt dat Koch een schrijver was met een goed waarnemingsvermogen tot hij bestsellers ging schrijven. Aan de hand van diens ontwikkeling kan hij uitleggen wat er mis ging.
Van Kan vraagt of zij alleen boeken recenseren die ze mooi vinden. Storm vindt dat hij een opvoedkundige functie heeft en wil graag het verschil in kwaliteit laten zien.

In lezerspanel stelt docente Mirjam dat het storend is dat iedereen tegenwoordig maar zijn mening kan geven. Haar leerlingen kunnen goed en slecht niet van elkaar onderscheiden.
Na een leuk bedoelde powerpointpresentatie van Marie Louise Eysbaerdt, die schrijvers als Siebelink, Enquist en Haase ondervroeg over hun zelfkritiek, krijgt Binnert de Beaufort het woord. Hij heeft zich geërgerd aan de kritiek op De kalief van Amsterdam, een satire over de angst in Nederland voor de islam. Jeroen Vullings vond het in Vrij Nederland een page turner en technisch goed geschreven, maar gaf toch maar tweeënenhalve ster omdat hij het niet eens was met de inhoud. De Beaufort vraagt zich af in hoeverre een politiek oordeel een rol mag spelen in een literaire kritiek.
Hij voelt zich als Jeanette Winterson, die in de jaren negentig critici agressief toesprak over hun negatieve oordelen. Zijn debuut Blauw bloed kreeg goede kritieken in Het Parool en in VN en lag bij Scheltema in de toptien, maar werd door de Volkskrant neergefakkeld. De Beaufort vraagt zich af hoe dat kan en geeft zelf het antwoord: literatuurkritiek is geen wetenschap maar heeft te maken met smaak. Hij vond het trouwens nog erger dat geen van zijn boeken in de NRC werd besproken. Dan liever een slechte kritiek.
Er volgt een dader-slachtoffer confrontatie met Arjen Fortuin, die zijn afwegingen uitlegt om boeken wel of niet te recenseren. Fortuin maakt wekelijks een keuze uit vijf boeken en steeds zat De Beaufort daar niet bij.
Van Kan vraagt De Beaufort of een recensent verantwoording verschuldigd is aan een schrijver.
De Beaufort vindt het leerzaam om te weten waarom hij niet werd besproken. Hij zette Facebook aan het werk om De kalief van Amsterdam te promoten maar dat werkte contraproductief. De Vries wilde niet op zijn vriendschapsverzoek ingaan omdat het moeilijk is een boek te beoordelen van iemand die je kent. Het is maar een klein wereldje hier, zegt De Vries.
Fortuin zegt dat hij zo objectief mogelijk schrijft maar dat hij ook maar een mens is. De Vries beaamt dit en zegt dat elke keuze voor een recensie arbitrair is. In piekperioden ligt er wel een meter boeken op de redactie van De Groene waaruit de critici moeten kiezen.
Kijken de verschillende bladen naar elkaar?
Fortuin: het is een correctiemechanisme om te zien of ze niets over het hoofd hebben gezien. Weer gaat het over De kalief. Een politiek oordeel moet je er buiten houden, zegt Fortuin, omdat zoiets persoonlijk is, wat betwist wordt door de afgevaardigde van DeReactor.org. Die vindt dat een recensent een politiek oordeel mag meewegen in zijn literaire kritiek en daarop ook een boek kan afkeuren.
Van Kan: werkt dat geen pamflettisme in de hand?

De discussie is nog lang niet afgelopen maar de tijd gaat voort. Het laatste woord is aan Fleur die vindt dat de heren het onderwerp erg wetenschappelijk hebben benaderd en meer hun eigen positie zouden kunnen thematiseren. Fortuin reageert daarop door een onderscheid te maken tussen wat persoonlijk is en wat particulier. Hoewel die soms moeilijk uit elkaar te houden zijn, gaat het in ieder geval niet over de persoon van de recensent.
De Reactor ziet graag dat men de eigen positie expliciteert, maar Fortuin wil in zijn kritiek niet verder gaan dan tonen en dat is wat anders dan objectiviteit suggereren.
Een discours was het zeker. De verhouding tussen ethiek en esthetiek zou een interessant onderwerp kunnen zijn voor een volgend treffen op 24 maart a.s.

Dit is een licht gewijzigde doorplaatsing van Rein Swarts verslag op zijn weblog.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.