elders op internet
Het Multatuli Studiepakket
Het handschrift bij de universiteitsbibliotheek van de UvA
De tekst bij DBNL.org
Meer over de hertaling bij NRC
Het gehele stuk is ook printbaar in pdf.
Max Havelaar of De opiniepeilingen van de Nederlandsche hertaalmaatschappij
door Fred Baggen, 21 februari 2011
Na het (her)lezen van ‘s Neerlands meest monumentale roman Max Havelaar verbaasde ik me over het feit dat ik dit boek, dat in mijn jeugd verplicht op de leeslijst van de middelbare school stond, destijds zo langdradig vond, saai zelfs. Gelukkig weerhield mijn al te adolescente oordeel me er niet van het ruim vijfentwintig jaar later nog eens te proberen. Ik moet eerlijk toegeven: ik las eerst de in modern Nederlands hertaalde uitgave die vorig jaar verscheen. Toch bleef ik daarna met een halfslachtig gevoel achter. Was dit nu de vermaarde Max Havelaar? Ik besloot onmiddellijk ook de oorspronkelijke versie te lezen, en werd toen pas echt geraakt. Mijn bevindingen pende ik neer in een opiniestuk, waarin een centrale rol is weggelegd voor de vergelijking tussen de oorspronkelijke roman uit 1860 en de hertaling, specifiek gericht op de vele uitweidingen die in de nieuwe editie het veld hebben moeten ruimen.
Inhoudsopgaaf
Eerste hoofdstuk
Terwyl ik dit stuk schryf
Tweede hoofdstuk
‘Mijn leven bestaat in tussenzinnen’
Derde hoofdstuk
Schrappen of snappen?
Vierde hoofdstuk
Uitweiden over uitweidingen
Vijfde hoofdstuk
‘Es-say’, een interview met Gijsbert van Es
Geraadpleegde literatuur en verantwoording illustraties
Eerste hoofdstuk
Terwyl ik dit stuk schryf
Ik ben sprakelaar in koffi, en woon op no 33. Het is myn gewoonte niet, opstellen te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging de toetsen van myn klavier te beroeren, en het werk aan te vangen, dat gy, lieve lezer, zo-even op uw scherm hebt getoverd, en dat ge lezen moet als ge sprakelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt.Ik ben naar ’t console gegaan, liet mijn pen en papier even, en schreef:
Dat ik my voorgenomen had dat ik, terwyl ik dit stuk schryf, uitsluitend Max Havelaar koffi zou drinken…
’t Is de zuivere waarheid!… die breed geassortimenteerd is, en zodoende verkrijgbaar in pads, bonen en snelfiltermaling…
’t Is de waarheid!… verhandeld onder waardige omstandigheden en voor eerlyke pryzen…
’t Is de zuivere waarheid!… dat is tenminste zuivere koffi, en byzonder smakelyk bovendien…
’t Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid!… en waarvan de aanschafprys in zeer redelyke verhouding staat tot de firma’s die de arme plantageboeren onder heel wat erbarmelykere omstandigheden werken laten — makelaars in koffi, zogezegd, die aan dat alles maling hebben.
Dit alles is de zuivere waarheid, lezer!
Zo zou Droogstoppel hebben geschreven — met behoud van de karakteristieke Griekse y — als hij nu had geleefd (en als hij, wat menslievendheid betreft, tot inkeer was gekomen), om de omslagtekst van de hertaalde editie van Max Havelaar te parafraseren.
2010 was op literair gebied een gedenkwaardig jaar: Multatuli kwam, Mulisch ging. Nu het deze maand een jaar geleden is dat hertaler en bewerker Gijsbert van Es de Nederlandse lezer opnieuw Max Havelaar ‘gaf’, wil ik stilstaan bij de honderdvijftig jaar jonge roman die geen roman wilde zijn, bij de auteur die geen mooischrijver wilde zijn.
Centraal in dit opiniestuk staat de vergelijking tussen de oorspronkelijke roman uit 1860 en de vorig jaar verschenen hertaling, specifiek gericht op de vele uitweidingen die in de nieuwe editie het veld hebben moeten ruimen. Voorts probeer ik een antwoord te vinden op de vraag of het geoorloofd is een kunstwerk naar hedendaagse maatstaven om te vormen, ook als daarmee de belangstelling voor het kunstwerk in kwestie een nieuwe impuls zal krijgen.
By het schryven van dit opstel heb ik myzelf en myn klavier niet ontzien, en heb ook veel koffi gedronken. Dit heeft my niet weerhouden, lieve lezer, voor u myn best te doen, en gelieve by het lezen van dit stuk de schryver indachtig te zijn… de schryver Multatuli meen ik, en het magistrale meesterwerk dat hy geschapen heeft.
Ik bedank nu de lezer dat hy zich door dit begin heeft willen byten, en ik beloof nu weer iets van meer soliede aard.
Tweede hoofdstuk
‘Mijn leven bestaat in tussenzinnen’
Max Havelaar — een lange voorgeschiedenis
Gedurende de jaren die Eduard Douwes Dekker (1820—1887) als controleur en later als assistent-resident in Indië doorbracht, oefende hij zijn schrijvershand door zijn observaties op papier vast te leggen, en door gedichten, korte verhalen en vele brieven te schrijven. Verscheidene van deze teksten kregen later een plaats in Max Havelaar of De Koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy. Als gevolg van de wrange nasmaak die Douwes Dekker aan zijn ambt had overgehouden, wist hij al in een vroeg stadium dat hij zijn bevindingen te boek zou stellen, om de wantoestanden te beëindigen waaraan ‘de roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde’ zich schuldig maakte.De stijl waarin hij dat wilde doen, stond hem reeds jaren voordat zijn meesterwerk ontstond, helder voor ogen, getuige onderstaand fragment uit een brief die Douwes Dekker in 1851 aan de uitgever Arie Kruseman schreef:
‘(Beste Kruseman, neem mijn manier van schrijven voor lief. Verg niet dat ik elke zin afspin, elke mening toelicht: ik kan het wel, maar eerst sedert ik de moed heb mij aan niets te binden in mijn schrijven, kan ik aan U schrijven. (… )
Vergeef mij mijn tussenzinnen, — de parentheses in de tussenzinnen zelfs, let er zelfs niet eens op of ik de draad weer juist aanknoop waar hij brak, —
Het leven bestaat in tussenzinnen, — het mijne althans.) (… )’
Nadat Douwes Dekker tijdens een bijna driejarig verlof in Nederland gokschulden had opgebouwd, keerden hij en Tine in 1855 berooid naar Indië terug. Deze terugkeer was van korte duur: het gezin, inclusief de pasgeboren zoon Eduard, zou er nog geen twee jaar blijven. Meteen bij aanvang van het jaar 1856 werd Dekker benoemd tot assistent-resident van Lebak, een bestuursafdeling die was gelegen in de residentie Bantam op West-Java, maar omdat de pasbenoemde assistent-resident zich niet kon verenigen met de wantoestanden ter plaatse — waaraan zowel de Nederlandse bevelhebbers als de plaatselijke regent en zijn districtshoofden zich schuldig maakten —, vroeg hij al in het eerste kwartaal van zijn nieuwe ambt ontslag uit de Indische bestuursdienst aan. Zijn beslissing had verstrekkende gevolgen: zonder vooruitzicht op vaste inkomsten keerde Douwes Dekker in het voorjaar van 1857 terug naar Europa. Pas twee jaar later zou hij met vrouw en kinderen worden herenigd.
De armoede liet haar sporen na op het gezinsleven: Douwes Dekker moest berusten in het feit dat donaties van Tines familie ervoor zorgden dat ze het hoofd boven water hielden. Toen deze geldelijke steun uiteindelijk werd ingetrokken, bewoonde hij al geruime tijd de zolderkamer van een goedkoop hotel in Brussel, waar hij een oplossing voor alle problemen hoopte te bedenken.
Max Havelaar — in drie weken ontstaan
In de nazomer van 1859 schreef hij in nog geen maand tijd, als laatste wanhoopspoging zijn huwelijk en zijn eer te redden, zo’n 239 bladzijden vol, soms zelfs de inkt met water verdunnend vanwege zijn erbarmelijke financiële toestand. Over zijn pogingen geld te verdienen met zijn schrijfsels, en het ontstaan van de roman schreef hij aan Tine:‘[…] Nu vraag je wat ik schrijf. […] Het is een protest tegen onze positie als De Hut van Oom Tom tegen de Slavernij. Het moet overal gelezen worden als lectuur van vermaak, en dat besef moet de regering dwingen erop te letten, omdat men geen boek dat in aller handen is terzijde leggen kan als een brief. Als mijn werk goed opgenomen wordt en goed gerecenseerd, is elke gunstige recensie een bondgenoot voor mij tegen de regering, en wellicht doet zij dan uit vrees wat zij niet zou hebben gedaan uit rechtvaardigheid.’

Het originele handschrift
Precies drie weken later schreef hij weer een brief aan zijn vrouw, en in zijn woorden jubelde een onverholen blijdschap:
‘Lieve hart, mijn boek is af, mijn boek is af! Hoe vind je dat? Ik moet nu kopiëren, maar het boek is af. En ik sta U borg dat het opgang maakt. Het zal als een donderslag in het land vallen, dat beloof ik je.’

De eerste druk
Derde hoofdstuk
Schrappen of snappen?
Die donderslag heeft nog lang nageëchood, maar klonk allengs steeds minder luid. Totdat in 2010 een uitgave van de roman verscheen die zich in modern vocabulaire tot de lezer van nu richtte. En, zoals ons tijdsgewricht lijkt voor te schrijven, bleek deze editie flink ingekort. Want tegenwoordig tikt de tijd gevoelsmatig heel wat sneller dan in de negentiende eeuw.
Op de website van het Expertisecentrum Literair Vertalen benoemt vertaalster en docente Gerda Baardman in haar column een aantal relevante vragen over hertalen in één kernachtige alinea:
‘Gaan de mensen die boeken dan ineens wél lezen? Hoe ver moet je gaan met dat hertalen? Moet je drastisch bekorten, moet je er een eigentijdse tekst van maken of laat je de couleur locale, de couleur de l’époque, zo veel mogelijk intact en beperk je je tot het moderniseren van de spelling, de interpunctie en de sterk verouderde woorden? Licht je bepaalde begrippen toe? En voor wie hertaal je eigenlijk? Voor vwo-leerlingen? Havo-leerlingen? Vmbo’ers? Letterenstudenten? Het grote publiek? Als je al die mensen wilt bereiken, moet je dan niet meerdere teksten maken? En hoe weet je wat zij níet weten, wat ze niet begrijpen of wat ze te traag of oninteressant vinden?’
In het navolgende tracht ik een antwoord te vinden op bovenstaande vragen, door middel van een zowel vormtechnisch als semantisch thema. Liever dan het moeilijk doordringbare, enigszins technische terrein van de narrotologie te analyseren, of historische, koloniaal-culturele aspecten te behandelen, wil ik een licht laten schijnen op de soms ongebreidelde uitweidingen in de roman, en met voorbeelden aantonen dat deze misschien niet altijd onmisbaar zijn, maar dat het weglaten ervan de diepe gelaagdheid van het oorspronkelijke werk ongunstig beïnvloedt, en in wezenlijke zin een vorm van kaalslag is. Vanzelfsprekend zal een vakkundig gesnoeide boom later weer uitbotten en gezond blijven, maar daarbij is sprake van een ontwikkelingsproces, terwijl een literair kunstwerk na publicatie toch als voltooid beschouwd mag worden, wat overigens niet betekent dat het daardoor voorgoed onveranderbaar is. ‘Kaalslag’ heeft in beide gevallen een functie, hoewel die bij de boom dient tot het komen van een vollere, rijpere wasdom, terwijl dat in het geval van het ‘bijgesnoeide’ boek niet zo vanzelfsprekend is, óók niet als de aandacht voor de betreffende titel erdoor toeneemt.
Hertalen: pedant profanisme?
Hertalingen staan in dienst van het boek in kwestie en van het moderne lezerspubliek, en zijn a priori gericht op het beter begrijpen van een meestal (ver)oude(rde) tekst. Beide varen wel bij deze aanpak: de tekst ontleent zijn bestaansrecht aan het feit dat hij gelezen wordt, lezers nemen kennis van dit bestaan en houden het in stand. Dat hertalingen zeer succesvol kunnen zijn, bewees de Herziene Statenvertaling die vorig jaar verscheen. Ofschoon deze al voor verschijnen een ‘bestseller’ was, viel het werk ook kritiek ten deel. De discrepantie tussen hertaling en herziening werd daarbij weloverwogen opnieuw geformuleerd, zodat de initiatiefnemers ten slotte spraken van een ‘restauratie’. In hun inleiding van de in 2006 hervertaalde Engelse roman Ivanhoe hanteren (her)vertalers Harm Damsma en Niek Miedema de term ‘facelift’.Dat bij het hertalen van archaïsche schrijvers iets van hun karakteristieke stem verloren gaat, is onvermijdelijk. Dit is het geval gebleken bij de gemoderniseerde Max Havelaar, en zou weer gebeuren wanneer men zich zou wagen aan het hertalen van werk van bijvoorbeeld Louis Couperus. Nu is het moderniseren van de taal in zekere mate beslist nuttig, wanneer men het criterium van een beter begrip van het geschrevene voor ogen heeft. Weinig lezers zullen een woordenboek binnen handbereik willen houden als ze een roman lezen, en zelfs de meest verstokte voorstander van het handhaven van de oorspronkelijke brontekst zal beamen dat zijn standpunt, hoe eerbiedig ook ten aanzien van des schrijvers schepping, ontegenzeggelijk zal leiden tot een versmalling van de lezersgroep.
Zo-even kwam al de discrepantie tussen hertaling en herziening ter sprake, en het is maar een kleine stap van het moderniseren van gedateerde begrippen naar het weglaten ervan. Wie bijvoorbeeld het wijzigen van efelkustiek in ‘tussen-n’ als een spoliatie of zelfs pedant profanisme aanmerkt, het schrappen van gents whisten of ulevellen met deviezen een vorm van imponderabel tricheren vindt, omdat de hertaler van mening is dat het weglaten of veranderen van deze woorden nu eenmaal bijdraagt aan het sententieuze karakter van de hertaalde roman, zal weinig anders resten dan in toornig mutisme, of zelfs bittere weninge te vervallen. De gecursiveerde woorden komen alle uit de ‘oude’ Max Havelaar, en hoewel de strekking van de zin overeind blijft, moet voor een precieze woordbetekenis naar een woordenboek gegrepen worden, of zal de lezer Google moeten raadplegen.
Obstakels voor de moderne lezer
Terug naar de inleiding van Ivanhoe, waarin staat te lezen: ‘Weinig courante woorden en belegen vormen van taalgebruik zouden namelijk voor de eigentijdse lezer een ernstig obstakel vormen bij het savoureren van een roman van lang geleden. Volgens ons berust deze laatste premisse op een misverstand. Het zijn niet zozeer de ouderwetse aanspreekvormen, de gedateerde naamwoorden, de in onbruik geraakte naamvallen of de oudmodische termen die leesbaarheidsproblemen veroorzaken. Sterker nog, die geven, zelfs onbegrepen, het verhaal juist een zekere sjeu in de vorm van couleur temporaine. Nee, het zijn veeleer de ellenlange zinnen, de oeverloze uitweidingen, het trage verteltempo, de weinig subtiele psychologie, de didactische toevoegingen en de pedante toon die weerstand oproepen bij de lezer van nu.’De genoemde obstakels kunnen mijns inziens in twee categorieën worden onderverdeeld: obstakels met betrekking tot het beklijven van het verhaal (ellenlange zinnen, oeverloze uitweidingen, traag verteltempo) en obstakels met betrekking tot de geloofwaardigheid (weinig subtiele psychologie, didactische toevoegingen, pedante toon). Hierbij zij opgemerkt dat de didactische toevoegingen ook als uitweiding beschouwd kunnen worden en eigenlijk in beide categorieën thuishoren. In hoeverre herkennen we deze ‘obstakels’ in de oorspronkelijke tekst van Max Havelaar?
Ellenlange zinnen zijn in de roman zonder meer aanwezig, al hoeven ze niet per se problematisch te zijn voor een goed begrip van de tekst. Lange zinnen vergen meer geduld en aandacht van de lezer, dat wel. Ook oeverloze uitweidingen komen veelvuldig voor, en beide zaken hebben logischerwijs een traag verteltempo tot gevolg, ofschoon het boek over het grote geheel genomen niet de indruk wekt dat de verteller overdreven lang bij korte tijdsbestekken verwijlt. Weliswaar vergt een uitweiding over de Indische bouwwijze en de aard van een erf in die contreien tijdens het gesprek op de veranda maar liefst zes bladzijden (dat heeft een reden, waarover straks meer), in tijd gemeten verstrijkt er nog geen minuut.
Hoe zit het dan met de weinig subtiele psychologie? Ook die is aanwezig, maar de geoefende lezer herkent hierin al dadelijk een sarcastische ondertoon. Met name de psychologieën van Droogstoppel en dominee Wawelaar zijn karikaturaal, en met reden: hun uitlatingen maken deel uit van Multatuli’s kritiek op de westerse mogendheden ten aanzien van hun koloniale politiek. Didactische toevoegingen zitten ofwel verstopt in uitweidingen en tussenzinnen, ofwel zijn te vinden achterin Multatuli’s eigen voetnoten. Een pedante toon, ten slotte, is zowel in de overtrokken zienswijzen van Droogstoppel en Wawelaar te vinden, alsook in Havelaars dialogen en de beschrijvende vertelling in het algemeen. Concluderend: alle elementen die ‘weerstand oproepen bij de lezer van nu’ zijn in ruime mate aanwezig in Max Havelaar. Alle reden dus, zou je denken, om zo’n tekst aan een grondige opknapbeurt te onderwerpen.
Een donderslag in het land
In voornoemde inleiding refereren Damsma en Miedema aan het feit dat ‘niemand [in ons land] op de gedachte [zal] komen Max Havelaar of Van oude mensen de dingen die voorbijgaan door eenentwintigste-eeuwse neerlandici te laten hertalen om ze gemakkelijker verteerbaar te maken voor het moderne publiek’. Wat Multatuli’s roman betreft, heeft de recente geschiedenis die bewering inmiddels gelogenstraft. Want ineens was daar een nrc-redacteur die met een hertaling kwam van het onaantastbaar geachte meesterwerk van Multatuli, de schrijver die het woordenboek verrijkt heeft met woorden en termen als buitenissig, Insulinde, gordel van smaragd en Barbertje. De ‘light’-versie van die redacteur viel — Multatuliaans gesproken — als een donderslag in het land.De hertaling — succes en kritiek
De aanpak die Gijsbert van Es voorstond, was om jonge lezers kennis te laten maken met een van de indrukwekkendste werken uit de Nederlandse literatuur. Afgaand op de verkoopcijfers (er werden zo’n 20.000 exemplaren verkocht, waarmee de eerste vraag van Gerda Baardman meteen is beantwoord) kun je gerust aannemen dat ook een aanzienlijk aantal jonge lezers de hertaling hebben gelezen, er dus mee hebben ‘kennisgemaakt’. Nu is er wel een verschil tussen ‘kennismaken’ en ‘savoureren’. Een eerste kennismaking is veelal oppervlakkig; moet nu ook het lezen van een hertaling zo worden bezien? Dit is een moeilijk te beantwoorden vraag, want de lezer van de hertaalde Max Havelaar bij wie door de bondigheid het verhaal beklijft, heeft ontegenzeggelijk een voorsprong op de lezer die het oorspronkelijke werk leest, en er de strekking niet van doorziet. De eerste begrijpt de boodschap, maar mist de negentiende-eeuwse couleur de l’époque; de tweede ondergaat de sfeer, maar mist de boodschap. En nu lijkt mijn hoofdstuktitel ineens verkeerd geformuleerd; moet het niet zijn: ‘Schrappen en snappen’? Immers, juist door bijzaken weg te laten, komt de hoofdzaak des te duidelijker naar voren.Bij een roman als Max Havelaar, waar de boodschap — de aanklacht — het belangrijkst is, ben je geneigd te concluderen dat de lezer van de hertaling in het voordeel is. Waarom kreeg Van Es’ bewerking dan toch zo veel kritiek te verduren? Omdat de boodschap tegenwoordig aan kracht heeft ingeboet? Die veronderstelling zou zowel hypocriet zijn als wel een vorm van struisvogelpolitiek. Weliswaar is het Indië van weleer allang geen Nederlandse kolonie meer, en hoeven wij ons niet meer schuldig te voelen over eventuele onderdrukking van de plattelandsbevolking aldaar, toch kan de thematiek van uitbuiting en overheersing in onze moderne tijd gemakkelijk getransponeerd worden naar bijvoorbeeld de wereldwijde ecologische problematiek. Denk je aldus aan Indonesië, dan denk je algauw aan wantoestanden zoals het platbranden van regenwoud ten behoeve van palmolieplantages en het verdwijnen van de orang-oetan door de onverantwoorde ontbossing, om het bij deze zijdelingse voorbeelden te laten.
Overigens is Couperus’ roman Van oude mensen de dingen die voorbijgaan door uitgever L.J. Veen in 2008 in een nieuwe editie uitgegeven, van een nawoord voorzien en in de oorspronkelijke spelling gezet (dus met –sch–, dubbele klinkers –ee– en –oo–, alsmede dialoogstreepjes in plaats van aanhalingstekens, zoals bij verschijning van de roman in 1906 de norm was)! Ook dat is een manier om het publiek een meesterwerk ‘terug te geven’.
Hoe ver moet je gaan met dat hertalen…
Dit is voor elk boek wellicht verschillend. Als we ons beperken tot Max Havelaar, een roman waarbij de morele boodschap centraal staat, maar waar tegelijk de stilistische veelheid aan linguïstieke middelen van niet te verwaarlozen kunstzinnig belang is, zal wellicht een compromis tot het beste resultaat leiden. Van Es’ hertaling neigt daarbij naar mijn mening te veel naar het ten dienste staan van lezer één, de kandidaat die de boodschap zal begrijpen, maar de rijkdom aan taal en sfeer moet ontberen. Een appendix met voetnoten zou aan de hertaling in de huidige vorm een waardevolle toevoeging zijn geweest.… en voor wie hertaal je eigenlijk?
De moderne middelen laten toe sterk op bepaalde kleine doelgroepen gerichte uitgaven te realiseren. De scheiding tussen publieks- en specialistische editie vervaagt dan al snel. In onze discussie staat het conventionele gedrukte boek centraal, en daarom laat ik internetgerelateerde en print-on-demandpublicaties buiten beschouwing.Een hertaling zal alleen commercieel interessant zijn bij een bepaalde oplage. Nu zal die oplage ook wel worden gehaald als men zich bijvoorbeeld alleen op Havo-leerlingen richt, maar door zo’n relatief kleine doelgroep aan te spreken, moet je je als uitgever wel afvragen of je feitelijk niet zozeer een boek, dan wel een leermiddel publiceert. Literatuur is niet slechts voorbehouden aan schoolgaande lezers, maar aan alle lezers, en om die reden zou ik altijd pleiten voor een hertaling gericht op ‘het’ publiek, hoe gevarieerd dat ook is. De aard van de hertaling zal ook dan niet slechts gericht zijn op de beoogde doelgroep alleen (intellectueel niveau of juist toegankelijk), maar wordt ook bepaald door overwegingen van commerciële haalbaarheid. En waar commerciële belangen de kop opsteken, kan kunst de speelbal worden van halfslachtige of zelfs valse motieven. Die lijken evenwel in het geval van de nieuwe editie van Max Havelaar niet aan de orde te zijn.
Is het geoorloofd een kunstwerk naar hedendaagse maatstaven om te vormen…
De vraag die centraal staat bij de waardering van Gijsbert van Es’ hertaling luidt: is het geoorloofd een kunstwerk naar hedendaagse maatstaven om te vormen, ook als daarmee de belangstelling voor het kunstwerk in kwestie een nieuwe impuls zal krijgen? Dit ‘omvormen’ kan verschillende gedaanten aannemen. Enkele voorbeelden:Parodie
Toen Marcel Duchamps in 1919 de Mona Lisa parodieerde door op een litho een snorretje te tekenen, en zijn versie te betitelen als L.H.H.O.Q. (Elle a chaud au cul, oftewel ‘ze heeft een hete kont’, of kortweg: ‘ze is geil’), riep dat verbolgen reacties op. Duchamps’ onderliggende gedachte was echter de vooroordelen bij het publiek weg te nemen, en ze hernieuwd, op een onbevangen manier naar een gevestigd kunstwerk te laten kijken.
Alteratie
Conceptuele kunst staat soms bewust toe dat er veranderingen plaatsvinden, zoals de Pindakaasvloer van Wim T. Schippers. Tijdens een expositie in 1997 betraden nietsvermoedende bezoekers de vloer, waarin ze hun voetafdrukken achterlieten of er zelfs over uitgleden. Elke fysieke versie van de Pindakaasvloer heeft een beperkte levensduur, en wordt daarna weer vervangen door een vers gesmeerde variant, waardoor deze kunstvorm, net als de boom uit het voorbeeld, deel uitmaakt van een ontwikkelingsproces.
Bewerking
Al eeuwenlang worden toneelstukken van bijvoorbeeld Shakespeare vertaald, hertaald en bewerkt. Volgens de rondleiding door het Shakespeare-huis in Stratford wordt er elke dag wel ergens ter wereld een stuk van de bard opgevoerd, al dan niet in gemoderniseerde vorm.
Verminking
De meeste voorbeelden betreffen varianten van een bestaand kunstwerk, waarbij het oorspronkelijke kunstwerk intact blijft en er een afgeleide vorm naast bestaat. Anders is dit bij de Nachtwacht van Rembrandt, die in 1715 ‘verminkt’ werd doordat men aan weerszijden en langs de bovenkant stroken afsneed omdat het schilderstuk tussen twee deuren in een zaal van het stadhuis moest passen. Het schilderij werd letterlijk naar maatstaven van een nieuwe tijd aangepast. Hoewel door het verwijderen van deze stroken de dynamiek van het schilderij werd afgezwakt, zal niemand daar tegenwoordig nog woedend om worden. De ingreep vond te lang geleden plaats, er is niets aan te doen.
… ook als daarmee de belangstelling voor het kunstwerk een nieuwe impuls krijgt?
Hoe moeten we nu de hertaling bezien van een roman die we als een literair meesterwerk beschouwen? Een parodie is het beslist niet, een conceptueel veranderingsproces evenmin. Een bewerking, jawel. Naar analogie van Shakespeare lijkt het vooral een grote eer indien men een kunstwerk in moderne tijden wil laten voortleven, al dan niet aangepast aan de tijdgeest. In recensies werd Gijsbert van Es wel ‘verkrachting’ en ‘literatuurmishandeling’ verweten. Zijn reactie daarop is te lezen in het ‘Es-say’ verderop, een kort interview met de hertaler. Een parallel met het inkorten van de Nachtwacht komt nog het dichtst in de buurt van bovenstaande kwalificaties, zij het met dat verschil dat de oorspronkelijke Max Havelaar door het inkorten niet verloren is gegaan. Over het al dan niet verminken verschillen de meningen, maar alle bezwaren ten spijt kan inkorten een aanvaardbare functie hebben, zoals ik in het bovenstaande aanstipte.Een zuivere stellingname in de discussie rondom het instemmen met een hertaalde en bewerkte Max Havelaar is complex, omdat de meeste voors en tegens steekhoudende argumenten bevatten. Verzandt de stellingname dan in een compromis, namelijk de constatering dat het toejuichen of het afwijzen van een hertaalde literaire klassieker voor iedere lezer een subjectief gegeven is, een kwestie van persoonlijke smaak? Deels zal het inderdaad een kwestie zijn van smaak, deels ook van vooroordeel. Geen enkele uitgever kan precies voorzien hoe het publiek op literatuur reageert. In het geval van Multatuli’s Max Havelaar blijft het een persoonlijke kwestie of men liever de (ver)oude(rde) of de gemoderniseerde versie leest, en gelukkig wordt iedere lezer door de beschikbaarheid van beide uitgaven de te verkiezen optie geboden.
Schrappen of snappen?
Ten slotte: moet de titel van dit hoofdstuk niet luiden ‘Schrappen en snappen’? Immers, de struik bloeit mooier dankzij — en niet ondanks — het snoeien, toch? Dat zou meteen pleiten voor het bondige van de hertaling: juist door veel weg te laten, komt de boodschap helderder naar voren. Het moderniseren van de taal en het verwijderen van aangroeisels dient uiteindelijk maar één doel: een beter begrip van de tekst, wat uiteindelijk zal leiden tot een herwaardering van die tekst. Of dit doel nu bereikt wordt door kernachtigheid of juist ongebreideldheid, moet elke lezer maar voor zichzelf uitmaken.Wel zou het mijn persoonlijke voorkeur hebben gehad als Max Havelaar, om de bewoording van Damsma en Miedema te gebruiken, in ‘modern, archaïserend Nederlands’ was hertaald. En dan liefst, wat mij betreft, met behoud van een groter aantal uitweidingen, en met als belangrijkste criterium: schrappen of snappen. Met andere woorden: pas als een uitweiding echt verwarrend of onbegrijpelijk is, wordt er met de rode pen gestreept.
Vierde hoofdstuk
Uitweiden over uitweidingen
De talloze uitweidingen in Max Havelaar zijn voor de ene lezer een genot, voor de andere een gruwel. Multatuli voorzag de obstakels die door uitweidingen kunnen worden opgeworpen voor zowel schrijver als lezer, en schreef daarover in het dertiende hoofdstuk het volgende:
‘Een uitweiding is hier nodig, en zelfs wil ik eens uitweiden over uitweidingen. Het valt een schryver soms niet gemakkelyk, juist door te zeilen tussen de twee klippen van het te-veel of te-weinig, en deze moeielykheid wordt te groter als men toestanden beschryft, die de lezer verplaatsen moeten op onbekende bodem. […]Wanneer wy tezamen wandelen, en ge wykt telkens af van de weg, en roept my in ’t kreupelhout, alleen met het doel om de wandeling te rekken, vind ik dit onaangenaam, en neem me voor, in ’t vervolg alleen te gaan. Maar als ge me daar een plant weet aan te wyzen die ik niet kende, of waaraan voor my iets te zien valt dat vroeger myn aandacht ontsnapte… als ge my van-tyd tot-tyd een bloem toont, die ik gaarne pluk en meedraag in ’t knoopsgat, dan vergeef ik u dat afwyken van de weg, ja, ik ben er dankbaar voor. […]’
In dit hoofdstuk volgt een pleitrede voor het ‘van-tyd tot-tyd’ afwijken van de weg,
en uiteenlopende antwoorden op de vraag waarom de bloem die daar gevonden wordt, zo belangrijk is.
20 procent te veel uitweidingen en tussenzinnen?
In Gijsbert van Es’ hertaling lezen we op p. 66, bij monde van Stern, een van de vertellers in de roman:‘Ik ben niet van plan, vooral niet aan het begin van mijn vertelling, de lezer lang bezig te houden met het beschrijven van plaatsen, landschappen of gebouwen. Ik ben bang hem af te schrikken met langdradigheid.’
Bijna lijkt het alsof Van Es hier Multatuli’s woorden tot zijn credo heeft gemaakt, alsof de auteur zelf hem honderdvijftig jaar later de woorden influisterde die op zijn eigen werk toegepast zouden worden.
Zo’n 20 procent van de originele romantekst werd door hertaler Gijsbert van Es beschouwd als — in Multatuli’s bewoording — ‘kreupelhout’ dat, misschien, door veel moderne lezers als ondoordringbaar zou worden beschouwd; weliswaar fraai voor het oog, maar toch te ver van het doorgaande pad gelegen. Het effect van het literaire snoei- en kapwerk op (een beter begrip van) het verhaal wordt in het onderstaande met verscheidene voorbeelden aangetoond.
Of de vele uitweidingen in Max Havelaar de lezer nu aan het boek kluisteren of juist afschrikken, ze hebben wel degelijk een functie: niet alleen geven ze kleur aan de personages of de omgeving en kunnen ze verwijzen naar bijzaken en hoofdzaken (hierover zo dadelijk meer), ze vervullen ook een symbolisch getinte functie, zoals de wijdlopige preken van de in de roman opgevoerde Nederlandse dominee Wawelaar, die met mooie praatjes de dogmatische ongerijmdheden van de kerkelijke leer vergoelijkt, en met snijdende preken de ‘verdoolden’ van de ‘eilanden des Indischen Oceaans’ verkettert. Lees: op metaforische wijze wordt hier de stoïcijnse West-Europese houding tegenover de bevolking van verre koloniën goedgepraat.
Belangrijkste uitweiding
Om maar meteen hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden, volgt nu eerst een beschrijving in vogelvlucht van de belangrijkste uitweiding in de roman, namelijk die waarin op geometrische wijze de indeling van Havelaars huis in Lebak wordt beschreven, en het karakter van Indische erven in het algemeen. Wat is er nu zo belangwekkend aan de manier hoe huis en erf er in Indië uitzien?Zoals verteller Stern al aangeeft, dient de uitweiding een belangrijk doel, namelijk het verband aantonen tussen psychologische, plaats- en tijdgebonden verhaalaspecten: het gedrag van mevrouw Slotering, de indeling van Max Havelaars huis en de daaropvolgende gebeurtenissen.
‘Maar omdat ik geloof dat het u later genoegen zal doen, het pad gezien te hebben dat we straks zullen betreden, voel ik me nu genoopt u iets te zeggen van Havelaars huis.’
Op de voorgalerij van zijn huis zit Havelaar, in gezelschap van zijn vrouw, commandant Duclari en controleur Verbrugge. Het viertal ziet mevrouw Slotering, de inlandse weduwe van de twee maanden geleden plotseling gestorven assistent-resident — Havelaars voorganger —, op de voorgalerij van haar woning in gesprek met een politieagent. Een man is haar erf opgelopen en lijkt op weg naar haar keuken. Ze vraagt de agent de man te verwijderen van haar erf, dat ze blijkbaar zeer goed in de gaten houdt: bij de minste beweging komt ze poolshoogte nemen. Dan onderbreekt verteller Stern de handeling, om uit te weiden over uitweidingen. De uitweiding die voor de lezer zo belangwekkend is, wordt voorafgegaan door een ‘inleidende’ uitweiding: een betoog over de ‘grove penselen’ van de Franse Romantische School, een literaire stroming die de Duitse Stern hekelt vanwege het gebrek aan subtiliteit. Vervolgens geeft hij, om zijn argument kracht bij te zetten, een beschrijving die gespeend is van alle schilderachtigheid waar hij zojuist op heeft afgegeven: hij verdeelt Havelaars huis, ‘een langwerpig vierkant’, in 21 vakken, en de lezer ziet een bovenaanzicht voor zich van een groot huis met een centrale gang, kamers aan weerszijden, een achter- en een voorgalerij. Dan volgt zijn definitie van een Indisch erf: ‘Er is dáár noch tuin, noch park, noch veld, noch bos, maar òf iets daarvan, òf alles tezamen, òf niets van dat alles.’ Ten slotte staat hij nog even stil bij mevrouw Slotering, die bijna angstvallig haar eigen huishouding wil blijven voeren, en geen gebruik wenst te maken van de keuken van de Havelaars: ze wil daar noch de maaltijd gebruiken, noch deze er laten bereiden. ‘Deze bescheidenheid,’ zegt Tine, ‘was wat ver gedreven, want de keuken was ruim genoeg.’
‘De schryver die ledig genoeg van hoofd is, om zonder noodzaak topografie te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van ’t lezen waard zyn […] Maar men vergete niet dat het oordeel van de lezer over ’t al of niet noodzakelyke van ener afwyking, dikwyls vals is, omdat hy vóór de katastrofe niet weten kan wat al of niet vereist wordt tot geleidelyke ontwikkeling der toestanden.’
Hoe moeten we deze ogenschijnlijk los van elkaar staande uitweidingen duiden? Wat is de samenhang tussen plaats en gebeurtenis, wat is het belang ervan? Waaruit bestaat de catastrofe? Daar komt de lezer pas in het achttiende hoofdstuk achter: Havelaar ziet mevrouw Slotering wéér iemand van haar erf wegsturen en vraagt haar waarom ze dat doet. Dan blijkt dat ze vreemdelingen wantrouwt, zeker als die in de buurt van haar keuken komen: haar man blijkt geen natuurlijke dood te zijn gestorven, hij is vergiftigd omdat hij de Hoofden van Lebak had berispt vanwege hun misbruik van de noodlijdende bevolking, net zoals Max Havelaar doet. Dat verklaart tegelijkertijd haar voorzichtigheid, geldt voor Havelaar als waarschuwing de nodige voorzichtigheid in acht te nemen, én is Multatuli’s aanklacht tegen het gekonkel van de inheemse machthebbers, die kritische opponenten zonder pardon uit de weg ruimen.
Ruim van tevoren wordt het gevaar dus aangekondigd, terwijl de lezer en de personages zich nergens van bewust zijn. Pas bij mevrouw Sloterings onthulling beseft de lezer dat al tientallen bladzijden eerder op de ‘catastrofe’ was vooruitgeblikt. In Aanvallend spel — Vier lezingen over schrijven verwoordt Thomas Rosenboom deze techniek als volgt: ‘Het klassieke verhaal is geen open snoeptrommel, waarin de schrijver naar believen steeds nieuwe stukken suikergoed kan stoppen, net zoals zijn fantasie hem die aanreikt, het klassieke verhaal is een gesloten systeem. Dat betekent dat het drama niet onverhoeds van buitenaf toeslaat, maar van binnenuit wordt opgewekt, stapje voor stapje, met gebruikmaking van de elementen die door de schrijver al vanaf het eerste begin, ab ovo, zijn aangebracht. […] Nieuwe elementen worden na het begin niet meer toegevoegd, de schrijver had ze allemaal al klaargezet in de opening en hoefde ze alleen nog maar te gebruiken, net zoals een goede kok eerst alle benodigde ingrediënten klaarzet voor hij begint te koken, en net zoals een schaakspeler speelt met de stukken die al vanaf het begin op het bord staan, zonder bij te zetten.’
Volgens Rosenboom laat een goede schrijver zich alleen met nevenverwikkelingen in, als ze samenhangen met de hoofdintrige en een rol spelen in de afloop van het verhaal. Als dus één uitweiding van belang is, is het wel die waarin Havelaars Indische huis en erf beschreven worden. En uiteraard ontbreekt die uiteenzetting niet in de hertaling. Slechts enkele fragmenten zijn eruit geschrapt, zoals uitleggerige zinnetjes (‘Dit nu viel Tine niet zwaar: zy hield niet van gezag’), historische zaken waar de lezer van nu nauwelijks weet van heeft (‘de grote meester die de Waverley schreef’), aanvullende uitleg over het nut van uitweidingen die — toegegeven — door Multatuli weinig duidelijk is geformuleerd, bijzinnetjes (‘Op weinig uitzonderingen na’, ‘ja, hoe vreemd het ook klinke’, ‘wat zeer begrypelyk is’) en een wat langer fragment helemaal achter in het hoofdstuk, waarin wordt verteld waarom het Tine eigenlijk wel goed uitkwam dat mevrouw Slotering zich zo afzijdig van de familie Havelaar hield.
Een andere uitweiding met dezelfde importantie is er in Max Havelaar niet. Wat uitweidingen, tussen- en bijzinnen betreft die in de hertaling veranderd dan wel geschrapt zijn, beperk ik me noodgedwongen tot andersoortige voorbeelden. In het navolgende belicht ik enige uitweidingen waarvan het veranderen of schrappen weliswaar minder ingrijpend is, maar waar — in een aantal gevallen — een beter begrip van de intrige toch onder de rode pen te lijden heeft gehad.
Redigeren
Opvallenderwijs is er in de hertaling minstens één passage aan te wijzen die juist strenger geredigeerd had mogen worden. Zo staat aan het eind van de uitvoerige beschrijving ter introductie van Havelaar:‘Men denkt aan Jezus, die zo treurig uitkijkt over Jeruzalem, en zich beklaagt dat het hem “niet heeft gewild”. Zo’n kreet van smart — vóór de gifbeker of het kruishout — vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dáár moet zijn geleden, veel geleden, daar is geleefd!’
Maar waar komt die gifbeker ineens vandaan? In de voorgaande alinea(s) is daarvan nergens sprake. Een geschrapte zin uit de oorspronkelijke versie maakt duidelijk waar de ‘verdwaalde’ gifbeker vandaan komt.
‘Men stelle zich Sokrates voor — niet als hy de gifbeker ledigt […] [Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hy zo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt “dat het niet gewild heeft”.]’
Die gifbeker, die bij de al geschrapte Sokrates hoorde, had maar beter ook weggelaten kunnen worden, want die wekt nu slechts verwarring.
Zeg het in ’t Hollands
In Max Havelaar, een titel die bijna oer-Hollands klinkt, komen vele uitheemse woorden, uitdrukkingen voor. De taal in de roman beperkt zich niet strikt tot onze moedertong: de lezer vindt een ware Toren van Babel op zijn pad, waar bekende en minder bekende klanken tot hem doordringen.Multatuli verstopt in de passages die door Stern verteld worden Duitse woorden en uitdrukkingen. Zo schwärmt Stern voor Marie, en Max Havelaar ‘ahnde wat hy niet wist’ (hertaling: hij beredeneerde wat hij niet wist). De van oorsprong Duitse verteller Stern is zich van zijn tekortkoming bewust, getuige zijn verzuchting ‘ik weet wel dat dit een germanismus is, maar hoe moet ik het zeggen in ’t hollands?’
Ook met de Fransen neemt Multatuli een loopje: ‘men laat een fransman zeggen: “ka kauw na de krote krak” of “krietje kooit keen kare kraak wek”.’ Een mooi voorbeeld van (in die tijd) ongekend fonetisch taalgebruik in een roman. Helaas is in de hertaling voor dit soort taalkunst geen plaats.
Zelfs plat Amsterdams dialect heeft een plaats in Max Havelaar:
‘Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na ’et eerste pertaal, en dan de trap na ’et tweede pertaal, en dan nog ’en trap, en dan is uwee-d-er, want uwee komt er vanzelf. Myntje, ga ’es efe segge datter ’en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?’
Max Havelaar is inderdaad een Toren van Babel: naast de Nederlandse taal — inclusief dialect — passeren fragmenten in en/of verwijzingen naar niet minder dan dertien vreemde talen de revue: Duits, Frans, Latijn, Grieks, Engels, Arabisch, Maleis, Sanskriet, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Battaks. De wildgroei aan vreemde talen is in de hertaling tot op de stronk teruggesnoeid. Wildgroei — een woord dat overtolligheid impliceert. Inderdaad lijkt Multatuli’s veelvuldige gebruik van vreemde talen te getuigen van imponeergedrag. Het verhaal kan heel goed zonder germanismen, gallicismen, latinismen en graecismen en die (dat kan bijna niet ontkend worden) het doel van ‘zelfs onbegrepen, het verhaal juist een zekere sjeu geven in de vorm van couleur temporaine’ voorbijstreven. Van alle geschrapte zinsdelen zijn mijns inziens de uitheemse voor het verhaal zelf het minst te betreuren, hoewel de veelkleurigheid, het bloemrijke van de taal, wel een flinke knauw krijgt.
Realia
Veel namen, woorden en termen van een cultuur- en tijdeigen oorsprong zijn ten prooi gevallen aan de rode pen van de hertaler. Zo blijft de moderne lezer verstoken van kennis omtrent het feit dat (Hiëronymus) Van Alphen schrijver van kindergedichtjes was, dat de koffiesoort Cheribonaard verwijst naar Cheribon, een voormalige residentie van de VOC op Java, dat Hollowaypillen een enigszins dubieus ‘wondergeneesmiddel’ waren, en dat Buitenzorg in de hertaling niet geheel terecht Batavia heet, want strikt genomen is Buitenzorg het huidige Bogor, dat tegen Jakarta — het voormalige Batavia — aanligt. Om maar enkele voorbeelden aan te halen. Geen van allen zijn ze essentieel voor het begrip van de roman, dit is ‘kreupelhout’.Het vertalen en hertalen van realia (cultuureigen zaken) vergt een specifieke vertaal-
of hertaalstrategie. Zo kun je er als vertaler/hertaler onder andere voor kiezen bepaalde woorden om te zetten naar voor Nederlandse lezers herkenbare equivalenten; ook kun je de uitheemse termen voorzien van een verklarende beschrijving, en zo zijn er nog verscheidene andere vormen van aanpak.
Indonesische exotismen worden door Van Es veelal voorzien van uitleg. In veel gevallen worden deze termen of woorden ook in de oorspronkelijke romantekst uitgelegd; niet tussen haakjes, maar als onderdeel van de vertelling, in een tussen- of bijzin. Soms laat Multatuli zelf bepaalde Indonesische termen onverklaard, zoals de ‘behagelyke kain kapala’, in de hertaling naar moderne Indonesische spelling omgezet: kain kepala, met daarachter de uitleg: (gebatikte hoofddoek). Andere gesneuvelde of vertaalde Indonesische realia: rampeh (geurende schroefpalm), tjempaka (een magnolia-achtige plant), garem glap (smokkelzout), ketimon (augurk), datoe (inlands hoofd [in hertaling: plaatselijk opperhoofd]), prahoe (prauw), krandjang (korf van bamboe), banjir (hertaling: herder).
Het voert te ver om de Indonesisch-Nederlandse etymologie aan te roeren, maar een mooi voorbeeld hiervan vinden we terug in het woord klapperwater (van kelappa), wat in de hertaling wordt gemoderniseerd naar ‘kokosmelk’.
Couleur locale
Terecht, zou ik zeggen, is van alle vreemde talen juist de Indonesische in redelijke mate gehandhaafd. Toch hebben bepaalde woorden en uitdrukkingen in die taal het veld moeten ruimen, en in sommige gevallen is dat erg jammer. Het zal geen verbazing wekken dat door het weglaten of hertalen van Indonesische woorden iets van de couleur locale verloren gaat, zoals in onderstaande fragmenten die afkomstig zijn uit een scène waarin de Regent van Lebak de oude Indische gewoonte van tabak pruimen praktiseert:‘Een kleine jongen […] kroop hurkende tot aan de voeten des Regents, zette de gouden doos neder, die de tabak, de kalk, de sirie, de pinang, en de gambier bevatte, maakte de slamat, door beide handen saamgevoegd op te heffen tot aan het diep neergebogen voorhoofd, en bood daarop zyn heer de kostbare doos aan.’
Ook zonder kennis van de Indonesische terminologie zijn de opgeroepen beelden van de tabaksdoos die de lezer van de oorspronkelijke tekst voor zich ziet, aanmerkelijk rijker dan de tekst waarmee de lezer van de hertaling het moet doen:
‘Een kleine jongen […] kroop hurkend tot aan de voeten van de regent en bood zijn heer een gouden doos met pruimtabak aan.’
Wie de Indonesische taal spreekt, of zich de moeite getroost op te zoeken wat er nu daadwerkelijk in de tabaksdoos zit, krijgt als beloning een heel wat gedetailleerdere voorstelling van wat in de hertaling sobertjes wordt omschreven als ‘een gouden doos met pruimtabak’: met sirie (sirih) en pinang wordt gerefereerd aan het kauwen van fijngehakte stukjes betelnoot, die gewikkeld in het blad van de betelpeperstruik tot een pakketje worden gevouwen, met daaraan toegevoegd ongebluste kalk (die zorgt voor een chemische reactie tussen de ingrediënten), pruimtabak en (naar eigen inzicht en mogelijkheden) smaakstoffen als zoethout, salmiak, kruidnagel, of plantenextracten.
Het ‘kauwen van de sirih-pinang’, een gebruik dat in Indonesië nog steeds bestaat, heeft een licht euforisch effect en gaat het hongergevoel tegen. Gambier (gambir) is een extract uit het blad van de gelijknamige palm, en is verantwoordelijk voor de bloedrode kleur die het (in hoge mate opgewekte) speeksel bij het pruimen aanneemt. Dit fenomeen wordt onderstaand beschreven:
‘de Regent had reeds zyn lippen en weinige tanden bruinrood geverwd met het speeksel zyner sirie, voor hy zeide: “Ja, er is veel volk in Pandeglang.” ’
In de hertaling:
‘De regent kauwde op zijn pruimtabak en zei: “Ja, er is veel volk in Pandeglang.” ’
Aldus wordt alleen al in deze ene alinea van de hertaling de moderne lezer het beeld onthouden van de oude Adhipatti, die door het jongetje op kenmerkende wijze gegroet wordt en daarna, al pruimend en nadenkend, zijn met Oosterse bedachtzaamheid doorspekte antwoorden geeft — misschien zelfs verluchte antwoorden, ten gevolge van de geestverrijkende werking van het kauwsel —, en het steenrode speekselvocht dat zijn tanden en tandvlees kleurt en dat, zoals te doen gebruikelijk, in een kwispedoor wordt uitgespuwd.
Hoewel ook dit voorbeeld slechts in mindere mate van invloed is op het verhaal, is het betreurenswaardig dat deze karakteristieke schets van de regent gesneuveld is. Ze had een mooie bijdrage kunnen leveren aan het veraanschouwelijken van het mysterieuze verre oosten waar de lezer op dat moment juist in binnen is geleid.
Couleur de caractère
‘De schryver die ledig genoeg van hoofd is, om zonder noodzaak topografie te geven voor denkbeelden, zal zelden de moeite van ’t lezen waard zyn,’ lazen we al eerder. Dit gaat niet alleen op voor plaatsbeschrijvingen, maar evenzeer voor het schetsen van personages en karaktereigenschappen. Zeker wanneer een romanpersonage wordt geïntroduceerd, kan een rake typering aan de lezer inzicht verschaffen in zijn handelen en streven.In het fragment waarin de resident van Bantam per koets arriveert, wordt hij getypeerd als de archetypische stijveboord-Europeaan. Erger nog, hij beweegt zich met de trage, logge tred van dinosauriërs:
‘Eindelyk stapte er een heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken deed aan de Sauriërs waarvan ik zo-even gesproken heb. […] wil ik u maar terstond zeggen dat zyn onbewegelykheid […] een kalmte, een langzaamheid en een voorzichtigheid aan de dag leî, die menige Sauriër jaloers maken zou, en die in de ogen van velen de kenmerken zyn van deftigheid, bezadigdheid en wysheid.’
In de hertaling is de vergelijking met de sauriërs geheel verdwenen, en luidt de passage als volgt:
‘Eindelijk stapte er een heer uit, die duidelijke kenmerken van deftigheid, kalmte en wijsheid vertoonde.’
Dat de onsympathieke, als een levend fossiel getypeerde resident in de hertaling ineens heel wat minder karikaturaal uit de verf komt dan in de oorspronkelijke romantekst, moge door het vergelijken van bovenstaande citaten duidelijk zijn. Kwalijker is dat de afkeer die de lezer moet krijgen van deze man, niet bepaald wordt aangewakkerd.
Het personage Max Havelaar zelf wordt overigens veel eenvoudiger, maar tegelijk subtieler, geïntroduceerd. Door een handreiking bij het uitstappen uit de koets wordt zijn zachtmoedige rechtvaardigheidsgevoel in één korte zin verwoord: ‘Daarop volgde die heer zelf, en wie op Java bekend was, zou het als een byzonderheid in ’t oog gevallen zyn, dat hy by ’t portier wachtte om ’t uitstygen gemakkelyk te maken aan een oude Javaanse baboe.’ In de hertaling is deze zin — terecht, zou ik bijna zeggen — intact gelaten, zij het in iets moderner Nederlands verwoord.
Conclusie
De voorbeelden waarin Multatuli uitweidt, zijn talrijk en het voegt weinig toe nog meer uitweidingen te willen vangen en duiden. Een hoofdstuk over uitweidingen kan maar beter niet te veel uitweiden; het is, zoals ik al eerder opmerkte, aan de lezer om te bepalen of deze zich graag laat meevoeren ‘in ’t kreupelhout’, of dat hij of zij er de voorkeur aan geeft volgens de kortere route de wandeling voort te zetten.Dit opiniestuk begon met een inleiding die natuurlijk een pastiche is, en aldaar is ‘Polen’ vervangen door ‘console’. In de roman staat:
‘Ik ben naar Polen gegaan [liet me pen en papier geven, en schreef:]’
De lezer die niet weet dat er in de oorspronkelijke romantekst sprake is van het (niet zonder reden) gecursiveerde Polen, zal mijn rijmgrapje niet begrijpen. Multatuli legt in een voetnoot zelf uit hoe het zit met dat Polen: ‘het “Poolse koffihuis” was, of is nog, ’n druk bezochte inrichting in de Kalverstraat te Amsterdam, en vooral ’n verzamelingspunt voor zekere klassen van beursgangers.’
Of de lezer van dit opiniestuk het rijmgrapje Polen / console begrijpt, is verwaarloosbaar, maar het legt wel meteen de vinger op de zere plek van de hertaalde Max Havelaar. Want het mag duidelijk zijn dat in een drastisch teruggesnoeid woud de meest welig tierende groeisels zijn verdwenen, en daarmee ook de rijkdom aan verhalen die ze te vertellen (kunnen) hebben. Wat overblijft, is weliswaar een gerichte ‘wandeling’, maar zonder veel van de verrassingen en inzichten die er voor de lezer in het ‘kreupelhout’ verscholen lagen.
Multatuli zegt het zo:
‘En, zelfs zonder bloem of plant, zodra ge my ter-zyde roept om me door ’t geboomte heen het pad te wyzen, dat we straks zullen betreden, doch dat nu verre voor ons ligt in de diepte, en als een nauw merkbaar streepje zich slingert door ’t veld daar-beneden… ook dan neem ik u de afwyking niet euvel. Want als wy eindelyk zó ver zullen gekomen zyn, zal ik weten hoe zich onze weg heeft gekronkeld door ’t gebergte, wat de oorzaak is van dat wy de zon die zo-even dáár stond, nu links van ons hebben, wáárom die heuvel nu achter ons ligt, welks tops wy vroeger vóór ons zagen… zie, dan hebt ge my door die afwyking ’t begrypen myner wandeling gemakkelyk gemaakt, en begrypen is genot.’
Wat ik in het vorige hoofdstuk al constateerde, is dat één belangrijk punt voor de hertaling pleit, namelijk dat deze de boodschap van de roman helderder in kaart brengt. Veel schijnbaar overbodige twijgen, ranken en loten zijn weggeknipt, waardoor het geboomte duidelijker te herkennen valt. Wel gebeurt daardoor het onvermijdelijke: veel van de door dat dichtbegroeide kreupelhout overwoekerde verrassingen zijn verdwenen. Voor de minder ervarene lezer is de hertaalde Max Havelaar inderdaad een ‘leesbaar(der)’ boek geworden, is misschien zelfs de weg geëffend naar meer, naar verdieping, wellicht naar het lezen van de versie van Max Havelaar zoals die honderdvijftig jaar geleden geschreven werd, mét uitweidingen, mét vreemde talen, mét verouderde beeldspraak; voor de rijpere lezer valt in de nieuwe editie heel wat minder te ontdekken.
Geraadpleegde literatuur
![]()
Tentoonstellingsaffiche (2010)
Multatuli, Max Havelaar of De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy
Met een nawoord van J.J. Overstegen
E.M. Querido’s Uitgevery [sic], herdrukt als Salamander, naar de vyfde [sic] druk, 1983
Multatuli, Max Havelaar of De koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij
Hertaald en bewerkt door Gijsbert van Es
NRC Boeken, 3de druk, februari 2010
Dik van der Meulen, Cees Fasseur en Hans van den Bergh, Multatuli, een zelfportret
Bert Bakker 2010
Thomas Rosenboom, Aanvallend spel — Vier lezingen over schrijven
Querido 2003
Ton Naaijkens, Cees Koster, Henri Bloemen, Caroline Meijer, Denken over vertalen
Vantilt 2004
Walter Scott, Ivanhoe (inleiding)
Athenaeum, Polak & Van Gennep 2006
Verder lezen:
Het Multatuli Studiepakket
http://www.dutch.ac.uk/studypacks/dutch_language/multatuli/index.html
Verantwoording illustraties
Het originele handschrift
Boeken en handschriften uit de Bijzondere Collecties van de UvA
http://boekenhandschrift.dpc.uba.uva.nl/uvatxt/id/uvatxt.MUL01_UBAHSXLVA1/nl
De eerste druk
http://nl.wikipedia.org/wiki/Max_Havelaar_(boek)
Hertaalde en bewerkte editie
‘Max Havelaar’ hertaald en bewerkt, NRC Handelsblad februari 2010
http://vorige.nrc.nl/nrcweekblad/article2473352.ece/Max_Havelaar_hertaald_en_bewerkt
Tentoonstellingsaffiche
Stichting Max Havelaar, het keurmerk voor Fairtrade
http://www.maxhavelaar.nl/nieuws/het-geen-roman-t-een-aanklacht
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



