Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Jeugdherinneringen in detail

door Gitta Timmers, 12 december 2005

Schoenendozen met foto’s die getuigen van een gelukkige jeugd komen vaak voor in het werk van dichter en prozaschrijver Robert Anker. In zijn roman Een soort Engeland, die in 2000 werd bekroond met de Librisprijs, werd de schoenendoos omgekeerd door de hoofdpersoon David Oostbaan, die zo ontdekte dat hij ook gelukkiger tijden had gekend.

In de autobiografische schets Negen levens neemt Anker zelf de doos ter hand met de bedoeling een reconstructie te maken van zijn jeugd in het dorp Oostwoud, twaalf kilometer ten noorden van Hoorn in West-Friesland. Behalve een beeld van het onbekommerd opgroeien in een klein oerhollands lintdorp, schetst Anker een tijdsbeeld. Zijn jeugd speelde zich af in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, toen geluk nog heel gewoon was.

Vanaf zijn debuut als dichter in 1979 met de dichtbundel Waar ik nog ben is Ankers jeugd in het West-Friese Oostwoud een belangrijk thema in zijn werk. Vooral in zijn gedichten worstelt hij met de tegenstelling dorp-stad en probeert hij een antwoord te vinden op de hamvraag hoe te leven in een wereld waarop je niet bent voorbereid. In zijn laatste twee romans, Een soort Engeland en Hajar en Daan lijkt zich hij beter te kunnen verplaatsen in de chaos die de stad met zich meebrengt.

Maar verlangt Anker diep in zijn hart niet toch nog steeds naar het dorp waar zijn wortels liggen? In het voorwoord van Negen levens legt hij in poëtische bewoordingen uit wat hij hoopte te bereiken met het schrijven van het verhaal van zijn jeugd, dat gaat ‘over mijn ziel, begrepen als de droesem in de fles van mijn jeugd waarin alle geuren, smaken, kleuren en geluiden, alle tactiele sensaties zich hebben verzameld om hier weer los te komen door die fles te schudden. Hoop ik. Om weer aanwezig te zijn, om weer gelukkig te worden, om met schokjes te ervaren dat het leven goed is. En om mij er weer eens over te verbazen dat ik afkomstig ben uit een dorpse wereld die geheel van de aardbodem is verdwenen.’

Anker begint bij het begin: zijn geboorte op 27 april 1946. Een gebeurtenis waar men nog lang over na zou praten, want het vervullen van de kinderwens van vader en moeder Anker was een risicovolle onderneming geweest, omdat in de familie van vaders kant een paar ‘gestoorde geesten’ voorkwamen en vooral vader Anker was blij dat hij eerst met dochter Adri en daarna met Robert ‘de dans was ontsprongen’.

De auteur lijkt over een mega-geheugen te beschikken, want hij herinnert zich zelfs zijn prilste babytijd. Gedetailleerd verneemt de lezer in het eerste hoofdstuk, getiteld ‘Op dreumeshoogte’, wat de kleine Robert reeds in de wieg waarneemt. Over de plaats waar zijn ledikantje stond, zegt hij: ‘... in mijn oudste herinneringen staat het ledikantje in de woonkamer voor het raam waar later het Witte-Kruissterfbed van mijn opa zou worden neergezet en normaliter het bureau van mijn vader stond. Wit maar gedempt morgenlicht vloeit over mij uit en daarin materialiseert zich kortstondig de contour van een gezicht dat, meen ik te weten, toebehoort aan Germent Smit, die zijn nieuwe buurjongen komt bekijken.’ Anker lijkt zich te realiseren dat dit wel heel bijzonder is, want hij merkt op ‘dat psychologen dit voor onmogelijk houden’.

Het etaleren van dit bijna fotografische geheugen door Anker komt het boek niet altijd ten goede. Of het nu gaat over de wijze waarop Oostwoud gebouwd is, de plaats van het ouderlijk huis in het dorp, de indeling van het ouderlijk huis, de reden waarom er op zolder geen licht was, de kat, de buren, de tantes, ooms, neven en nichten, de motor van zijn vader, de sloot waar Bullebak, een huiveringwekkend monster, zich zou verschuilen, de vriendjes en later de eerste vriendinnetjes… Anker laat niets over aan de fantasie van de lezer. Tot in de kleinste details wordt alles en iedereen beschreven en met elkaar in verband gebracht. Het gevolg is dat je als niet-Oostwouds ingezetene na twee hoofdstukken het spoor bijster bent.

Een ander zwak punt is de stijl van het autobiografische relaas. Niet alleen verzuipt hij in de dikwijls lange zinnen, ook springt de auteur van de hak op de tak. Combineer dat met de talloze namen en gebeurtenissen en verwarring en irritatie gaan overheersen. Hoezeer Anker zelf waarschijnlijk heeft genoten van zijn herinneringen aan het dorp waar het leven echt en goed was – zittend aan de tafel met de grote schoenendoos voor zich vol vergeelde kiekjes van de familie, de buren, de vrienden, het dorp en zijn jeugd – hij weet dit genot niet over te brengen op zijn lezers.

Het dorpsportret dat Anker in Negen levens schetst zal de inwoners van Oostwoud zeker aanspreken, want de auteur heeft zijn best gedaan om zoveel mogelijk van de tweehonderdvijftig dorpelingen, die gedurende de periode 1946-1958 in het dorp woonden, te ‘belichten’. Voor lezers die elders in Nederland zijn opgegroeid is het boek niet bijster aantrekkelijk. Wellicht zal hier en daar iets herkend worden als ‘typisch jaren vijftig’, maar door de zeer gedetailleerde beschrijvingen is Negen levens al snel (te) taaie kost.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.