Marek van der Jagt
Gstaad 95-98
(2002)
De Geus
316 pagina's
€ 12.50
ISBN 9789044508451
Steun Recensieweb en koop dit boek bij Athenaeum (24-uurslevering)
oordeel
Noodzakelijke zonden
door Eric Bosman, 18 oktober 2006
Dat Marek van der Jagt en Arnon Grunberg een en dezelfde persoon zijn, mag sinds het voorjaar van 2003 bekend worden verondersteld. Immers, Grunberg heeft publiekelijk bekend dat hij schuilgaat achter de mysterieuze Van der Jagt. Een bekentenis is ook dit boek van Van der Jagt. Gepleegde zonden worden in rap tempo opgebiecht. Hoofdpersoon François Lepeltier is in een onbewaakt ogenblik verwekt door een Franse donshandelaar. Maar de donshandelaar overleed voor zijn geboorte. Dit is de eerste, en tegelijkertijd de laatste, noodzakelijke zonde die we in het boek tegenkomen: de dood. François beweert dat hij zijn hele leven naar zijn hand heeft gezet. Het enige toeval dat hem ooit is overkomen, is zijn geboorte.
Het leven van François wordt gedomineerd door allerlei onsmakelijke avonturen. Zo kijkt hij graag tussen de billen van oude dames, likt zijn moeder schoon als zij haar behoefte heeft gedaan en als het moet verwijdert hij zonder morren haar tampon. Kortom: François heeft een anusfetisj. In het boek vertelt François ons dat ‘de anus het zwaartepunt van de moraal is, het centrum van alle schoonheid’.
Deze fetisj wordt tijdens François’ jeugdjaren opgewekt door het echtpaar Ceccherelli. Zij logeren in het pension in Baden-Baden waar ook François en zijn moeder Mathilde wonen en werken. Meneer Ceccherelli vraagt Mathilde en François regelmatig zijn vrouw te bewaken, omdat zij anders zou ‘weglopen van het leven’. Bewaken is synoniem voor seks, ook omschreven als ‘het hebben van erbarmen’. Verderop in het boek merkt François op: ‘Overal troffen we mensen aan die erbarmen met ons wilden hebben en mensen zoals wij hebben niets te willen.’
Dit raakt het hoofdthema van het boek: een combinatie van naïviteit en primitiviteit. De hoofdpersoon doet denken aan de bon sauvage van Jean-Jacques Rousseau, de edele wilde. De absurde verhaallijn die Van der Jagt schetst zonder aan verbeeldingskracht in te leveren, voert terug op een soort natuurmens die niet zich niet gebonden voelt aan maatschappelijke normen en waarden. Hij volgt alleen zijn oerinstinct; de anusfetisj. Van der Jagt neemt echter een loopje met de edele wilde en laat hem alleen zijn primitieve obsessie volgen.
Moeder Mathilde en zoon François zijn niet bepaald honkvast. Het verhaal speelt zich in meerdere plaatsen af. Eerst in Baden-Baden, waar zij vertrekken na de dood van mevrouw Ceccherelli. Zij heeft toch kans gezien weg te lopen van het leven door zichzelf in bad te koken met een dompelaar. Bij het zien van het lijk, verzucht François dat hij haar gekookt nog mooier vindt dan rauw. De weduwnaar nodigt Mathilde uit mee te gaan naar zijn woonplaats Straatsburg. Want na de dood van zijn vrouw, zal ook hij bewaakt moeten worden. Ceccherelli blijkt een heimelijke pedofiel en laat zich meermaals door François, ‘het lekkerste kind van der wereld’, bevredigen. Dit tot woede van Mathilde, die de oude man op brute wijze om het leven brengt. Ze vluchtten naar Stuttgart, waar François, inmiddels 27 jaar oud, zonder diploma een tandartsenpraktijk begint. Hij was liever anusdokter geweest maar tandenbewaker kan er ook mee door. De mond lijkt immers wel wat op een anus. Van tandheelkunde is in de praktijk geen sprake. Liever streelt hij de geslachtsdelen van zijn patiënten met een boor.
Van der Jagt blijkt in staat de lezer mee te sleuren naar een volkomen donkere en dwaze wereld. De onwerkelijke belevenissen van François en zijn moeder blijven fascinerend. De tragikomische toon maakt het dat zaken als incest en verkrachting buiten gebruikelijke context komen te staan. De uitwassen worden door de auteur niet getoetst aan een ethische moraal, want de anus is, zoals eerder opgemerkt, het zwaartepunt van de moraal. De in het dagelijks leven zo strak gehanteerde grens van goed en fout vervaagt in deze roman.
Na het tandartsavontuur verkassen François en zijn moeder naar Zwitserland, waar François zich – onder de naam Bruno Ritter – achtereenvolgens manifesteert als portier, skileraar en wijnprofessor. Gstaad 95-98 doet denken aan twaalf steden, dertien ambachten. Maar Bruno doet zich in elk ambacht gelden als een professional. Zonden blijft hij plegen. Als skileraar berooft hij dertig jonge meisjes van hun maagdelijkheid en als sommelier in het mondaine Palace Hotel in Gstaad komt zijn zondige neiging tot het bewaken van oudere dames weer bovendrijven. Overigens wordt dit nu zeer toepasselijk ‘ontkurken’ genoemd. Bruno leeft in Gstaad boven zijn stand totdat het lot toeslaat: hij wordt verliefd op het elfjarige meisje Olga, de symbolische onschuld.
Die verliefdheid is het begin van het einde. Hij wordt verliefd op onschuldigheid en dat past niet in zijn door en door zondige leefwereld. Bruno komt terecht in een onmogelijke spagaat tussen zondigheid en onschuld. Hij neemt Olga tegen haarzelf in bescherming en besluit haar te vermoorden. Zijn laatste woorden aan Olga waren: ‘Ga weg van hier, ga weg. Hier kun je alleen maar verliezen, hier valt voor jou niets te winnen.’
François Lepeltier alias Bruno Ritter is onmiskenbaar schuldig aan zijn zondigheid. Dat hij het niettemin schopt tot geliefd sommelier in een chique hotel zegt iets over de eveneens geperverteerde maatschappij waarin hij zich beweegt. Dat Van der Jagt er in slaagt de lezer vast te houden met zo’n doldwaze bekentenis vol bloedvlekken en aanzet tot nadenken over het diepere wezen van de mens zegt nog veel meer.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

(4/5)


