Christiaan Weijts
Art. 285b
(2008)
Arbeiderspers
323 pagina's
€ 12,50
ISBN 9789029566131
bij Athenaeum Boekhandel
(24-uurslevering)
oordeel
elders op recensieweb
Stortvloed aan onderwerpen houdt verhaal en personages op afstand
recensie van Art. 285b
In de ban van oorspronkelijkheid
recensie van Via Cappello 23
Drama en maatschappijkritiek in Venetiaanse setting
recensie van Via Cappello 23
Souplesse en lenigheid in een absurde wereld
recensie van De etaleur
Christiaan Weijts: 'Een roman mag niet volmaakt zijn'
interview
Schaduwjury: De Gouden Uil volgens De Kritiek
opiniestuk
Wat doet de kritiek met de debutant?
opiniestuk
opiniestuk
Schaduwjury: Een zomer lang op zoek naar het beste debuut
opiniestuk
Schaduwjury: Porno, maatschappijkritiek en wetsartikelen in een bomvol, (over)ambitieus debuut
opiniestuk
opiniestuk
Libris en Gouden Uil 2009: drie schaduwjury's van start
opiniestuk
Schaduwjury: Tussen vroegwijs en gevestigd meesterschap
opiniestuk
Schaduw Toplijst AKO Literatuurprijs 2009
opiniestuk
Schaduwjuryrapport AKO-Literatuurprijs 2009: Weijts Wint
opiniestuk
andere recensies
Kun je me vingeren? Liefde en vergelding anno nu
door Suzanne Holland, 14 november 2006
Deze recensie is een juryrecensie in het kader van de schaduwjury voor de AKO-Literatuurprijs 2006.
In de antistalkingswet, in 2000 als artikel 285b opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, wordt hem ‘die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer’ een ‘gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie’ in het vooruitzicht gesteld. Je denkt bij stalking meestal aan een geobsedeerde fan, of een gestoorde ex-partner. In Art. 285b, is het echter een gevoelige pianist met liefdesverdriet die wegens ‘belaging’ van zijn ex een werkstraf van zestig uur krijgt opgelegd. Hoe het zover heeft kunnen komen, wordt verteld in twee elkaar steeds afwisselende verhaallijnen.
Het verhaal begint op 4 mei 2002. De jonge pianist Sebastiaan Steijn treft bij de post een officieel schrijven aan, waarin hij op het politiebureau wordt ontboden om te worden gehoord. Hij is niet verrast.
In het volgende hoofdstuk maken we een sprong terug in de tijd naar april 2000 toen Sebastiaan en zijn ex elkaar leerden kennen. Sebastiaan is dan net een half jaar afgestudeerd aan het conservatorium en houdt moeizaam het hoofd boven water als achtergrondpianist in een restaurant en met het geven van pianoles aan veelal jonge meisjes. Niet lang daarvoor heeft het vriendinnetje dat hij al had sinds de middelbare school hun relatie van zeven jaar beëindigd. Na de jaren waarin hij zich als ‘Tristan’ gewijd heeft aan één vrouw, wil hij nu een ‘Casanova’ worden. Daartoe stort hij zich in het Amsterdamse uitgaansleven. Sebastiaan loopt een peepshow op de Wallen binnen en daar ziet hij voor het eerst Victoria, de negentienjarige danseres met wie hij een stormachtige verhouding zal krijgen.
Rond dezelfde tijd komt er echter ook een tweede vrouw, of eigenlijk een meisje nog, in zijn leven. Het is de Italiaanse Rosetta, één van zijn leerlingen. Het duurt niet lang of Sebastiaan is verwikkeld in een driehoeksverhouding, waarin Victoria zijn Casanova-kant naar boven haalt, terwijl hij bij Rosetta, die (vroeg)wijs is en de liefde bloedserieus neemt, opnieuw de rol van Tristan op zich neemt. De beide dames weten van elkaars bestaan, maar tegenover Rosetta doet Sebastiaan het voorkomen of Victoria niet meer is dan een vriendin. Helemaal bezijden de waarheid is dat niet, want na het onstuimige begin van hun relatie (‘Kun je me vingeren?’ vraagt Victoria als ze na hun eerste afspraakje samen op de tram staan te wachten) houdt Victoria verder iedere lichamelijke toenadering af met de smoes dat hun relatie zich in een andere richting heeft ontwikkeld dan van tevoren gedacht, tot vriendschap namelijk. Sebastiaan deed het toch niet alleen om met haar naar bed te gaan? Ondertussen doet ze Sebastiaan wel steeds uitgebreid uit de doeken wat ze zoal met andere mannen uitvreet. Een jaloerse reactie van zijn kant wordt daarbij niet op prijs gesteld.
Als het Rosetta duidelijk wordt dat Sebastiaan nog altijd contact heeft met Victoria, verbreekt ze de relatie. Sebastiaan stort zich nu helemaal op Victoria, maar in die verhouding waren dus ook al barsten ontstaan. Sebastiaan mag dan inmiddels wel met haar naar bed, maar een feest wordt dat niet en ondertussen blijven de verhalen over andere sekspartners maar komen. Sebastiaan mag opdraven als mevrouw in een crisis zit (‘en neem een pond radijsjes mee’) en als er even geen crisis is verzint ze er wel één. Zo houdt ze Sebastiaan aan het lijntje. De definitieve breuk volgt op oudejaarsnacht 2001. Op een feestje bij Victoria thuis moet Sebastiaan toezien terwijl zij zich helemaal laat gaan met een andere gast (‘Ik wil precies om twaalf uur klaarkomen’). Hij besluit te vertrekken, maar Victoria reageert daar onverschillig op. Sebastiaan vlucht min of meer naar Italië waarvandaan hij haar met ontelbare sms-jes en voice-mail berichten bestookt in de hoop haar te doen inzien dat ze een grote fout heeft begaan door hem te laten gaan. Er komt van de zijde van Victoria echter geen enkele reactie. Sterker nog, na enige tijd blijkt ze een ander nummer te hebben. Ook heeft ze inmiddels aangifte gedaan van stalking.
Sebastiaan is vast van plan om voor de rechter zijn handelswijze gloedvol te verdedigen. Hij handelde immers uit liefde en die liefde is sterker dan alle mogelijke sancties die de wet mag stellen. Wat is dat trouwens voor wet die minnaars met oprechte bedoelingen het contact met hun geliefde ontzegt? Maar als puntje bij paaltje komt slikt hij het grootste deel van zijn bevlogen woorden in. De rechter toont zich niet onder de indruk en Sebastiaan moet zijn straf incasseren.
Wat hem rest is de muziek. Hij heeft inmiddels enige naam opgebouwd met improvisaties op de Essercizi per Gravicembalo van Domenico Scarlatti, improvisaties waarin hij zich laat meevoeren op de emoties die de vrouwen in zijn leven bij hem oproepen. De avond na het vonnis zal hij deze voor het eerst in het Concertgebouw ten gehore brengen. Gezeten op de trappen van het gerechtsgebouw schrijft hij Victoria een laatste brief. Ook zij heeft die avond een optreden (ze doet inmiddels de Dansacademie) en het ‘op’ moeten, het sublimeren van gevoelens in kunst, is het enige wat ze nog met elkaar delen.
Art. 285b zit vernuftig in elkaar. De beide verhaallijnen (de ene loopt van de ontbieding op het politiebureau tot het vonnis een half jaar later, de andere beslaat de voorgeschiedenis) worden lineair naast elkaar verteld, maar er zijn vele onderlinge verwijzingen, zowel vooruit als terug in de tijd. Het meest subtiel zijn de tijdssprongen aan de hand van ‘betekenisvolle uitspraken’; van die achteloze zinnetjes die geliefden tegen elkaar zeggen en die later, als het uit is, door het hoofd blijven spoken en gaandeweg steeds meer een eigen leven gaan leiden. De verhaallijnen hebben ook ieder hun eigen vertelinstantie. De gedeelten die in 2002 spelen worden in de ik-vorm verteld door Sebastiaan. De voorgeschiedenis is opgezet als een proces verbaal, een reconstructie van de (strafbare) feiten. Sebastiaan wordt hierin aangeduid als ‘verdachte’ en Victoria als ‘aangeefster’. Deze ingreep heeft aanvankelijk een vervreemdend effect. Er ontstaat een afstand tot het hoofdpersonage. Er is opeens een onbekende verteller aanwezig in het verhaal. Er staat wel ergens dat we ons ‘bevinden (…) binnen de grenzen van een voorlichtingsrapport ten behoeve van de officier van justitie’, maar daarmee is nog niet duidelijk wie daar dan de opsteller van is. Moeten de bespiegelingen over het ‘moderne leven’ die je met regelmaat aantreft, aan Sebastiaan worden toegeschreven? Ze doen eerder denken aan de spitsvondige observaties van een chroniqueur van het alledaagse leven, van een columnist…
Christiaan Weijts ìs columnist (in 2003 verscheen van hem een bundeling columns die hij schreef voor het Leidse universiteitsblad Mare, onder de titel ‘Sluitingstijd’). De columnist dringt zich als een wethouder Hekking voor zijn hoofdpersonage. Dat stoort vooral als de beeldspraak ook nog tenenkrommend is: ‘Licht druppelde van haar lichaam en keerde tot haar terug als stijgend banksaldo’, of bij studentikoze meligheid als: ‘Hij zag, gaf zich gewonnen, en kwam.’
Daarbij moet echter meteen worden gezegd dat Weijts zich op niet veel van dergelijke uitglijders laat betrappen en er zijn ook knappe zinnen, goede vondsten en een kien oog voor taal. De hinderlijke columnist verdwijnt na verloop van tijd naar de achtergrond. Het wordt duidelijk dat de stukken waarin ‘verdachte’ de hoofdrol speelt moeten worden gelezen als Sebastiaans gedroomde verdediging in zijn zaak, die hij dus nooit echt zal uitspreken. Bespiegelingen en kleine verhandelingen blijven er het hele boek door, maar krijgen gaandeweg een minder algemeen karakter. Het zijn dan duidelijk Sebastiaans bespiegelingen.
Het decor waartegen de roman zich afspeelt, is nadrukkelijk eigentijds. Vooral de nauwgezette aandacht die de moderne communicatieapparatuur krijgt springt in het oog. Er wordt niet slechts mobiel gebeld (en ge-smst en ge-msned en gemaild en webcamporno bekeken enzovoort). Nee, merk en kleur van het toestel, de ringtone, het belgedrag de voicemailtekst; het komt allemaal aan bod, evenals verschillende ‘handigheidjes’ in het gebruik (dat twee mensen even van simkaart ruilen als de één een telefoontje verwacht maar met een lege batterij zit en dat je dan mooi even in iemands nummers kunt neuzen).
Ook het taalgebruik is hoogst actueel, vooral als Victoria aan het woord is. Zij doorspekt haar zinnen met veel ‘vet’, ‘fokking’ en ‘godvertering’. Het doet soms bijna parodistisch aan en dat ondermijnt wel enigszins de geloofwaardigheid van het personage. Daarbij is Victoria ook nog eens zó ‘bitchy’, zó overduidelijk een ‘player’, zo’n rotmeid eigenlijk, dat het nauwelijks te bevatten is dat Sebastiaan – toch echt niet dom – zo totaal aan haar verslingerd raakt, dat hij zich laat inpakken als ze zegt: ‘Het is heel gek. Ik ken je nu pas een paar uur, maar ik heb echt het gevoel dat ik je beter ken dan wie ook.’ Iets aannemelijker wordt Sebastiaans liefde als je later leest dat Victoria’s gedrag voorkomt uit een ‘combinatie van bindings- en verlatingsangst’, waarschijnlijk veroorzaakt door seksueel misbruik in haar jeugd. Ze kan er dus niets aan doen.
Sebastiaan is de enige die ooit doordrong in haar geheimen. Daarom trekt ze nu een pantser tegen hem op, maar dat is alleen maar meer reden om daar doorheen te breken. Sebastiaan moet haar redden. Het rare is dat van de ‘diepe’ gesprekken die Sebastiaan en Victoria over dat soort onderwerpen zouden moeten hebben gehad (als zij hem heeft laten komen omdat ze ‘bang’ is) er niet één voorkomt in het boek. Van Victoria’s ‘problematiek’ weet je alleen via Sebastiaans ‘gedroomde verdediging’. Zijn die woorden wel betrouwbaar? Is het niet de vertekende beleving van de stalker? Bij zijn eerste vriendin was hij ook overbeschermend. Heeft hij zich een te romantische voorstelling gemaakt, waar hij zelf in is gaan geloven? Het is hem vaker gebeurd dat hij met veel bombarie een verborgen verklaring meende te moeten zien in iets dat veel simpeler uit te leggen viel. Is dat met Victoria’s ‘problematiek’ ook zo? Is die veroordeling wegens stalking nu terecht, of niet?
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



