Ernst Jansz
Molenbeekstraat
(2006)
In de Knipscheer
267 pagina's
€ 28.50
ISBN 9062655793
oordeel
andere recensies
Kwadratuur.be
boekenwurm-en-pleeg.nl
8weekly.nl
derecensent.nl
De tijdloosheid van herinneringen
door Anna Kaal, 3 januari 2007
‘Waar begint een mensenleven?’ vraagt Ernst Jansz, muzikant (CCC Inc. en Doe Maar) en schrijver ( Gideons droom en De overkant) zich aan het begin van zijn nieuwste, autobiografische boek Molenbeekstraat af. Het antwoord lijkt voor de schrijver in het oneindige te liggen – wanneer een dolende ziel een menselijk lichaam bezet.
Nog voor Jansz’ geboorte, in de baarmoeder, weet de ziel die zijn jonge lichaam zal aannemen al wie zijn ouders zijn, hoe zijn huis eruit zal zien, en dat hij een zusje heeft. ‘Ik heb gezien,’ klinkt het wijs, wanneer hij het meemaken van de onafhankelijkheid van India, de kolonisatie van Indonesië, de Tweede Wereldoorlog en de nieuwe staat Israël beschrijft. Wil hij het stoffelijke, bindende babylichaam wel aannemen? Wil hij niet liever vrij boven de wereld ronddolen en van een afstand zien? Nee, want de geest is al van de ouders van Ernst Jansz, de Nederlandse Jopie en Indische Rudi, gaan houden. ‘De keuze is gemaakt en dan heb je de consequenties te dragen, vind ik.’
Met deze vorm van reïncarnatie, een thema dat ook terugkeert in de Indische sprookjes die de schrijver in zijn boek verwerkt, creëert Jansz een afstandelijke, maar toch betrokken blik op zijn leven die alleen een rijpere geest op zijn vroegere ‘ik’ kan werpen. Wanneer Jansz zijn moeder naar een verzorgingstehuis brengt en zijn ouderlijk huis leegruimt, herontdekt en herinterpreteert de schrijver zijn jeugd in de Amsterdamse Molenbeekstraat.
Van deze retrospectie mag de lezer getuige zijn. Kleine details, grootse gebeurtenissen, grappige, maar ook droevige momenten, allemaal komen ze aan bod. We zien hoe hij voor het eerst in bed plast, hoe hij wegzwijmelt bij de platen van Bob Dylan, en hoe zijn zus de badkamer bezet houdt om zich op te maken. ‘Die deed alles in haar eigen tempo. En dat lag nogal Oost-Indisch laag.’ We lezen over zijn gevrij met meisjes, hoe hij even vreest op zijn achttiende vader te worden. ‘Het kan ook via een handdoek. Dat heb ik zelf gehoord.’ Over zijn falen als minnaar, zijn eerste gebroken hart, en over de dood van zijn vader. Naast een beschrijving van zichzelf neemt ook de relatie tussen zijn ouders een grote plaats in het boek: hoe zij elkaar ontmoetten, hoe zij van elkaar houden en hoe hun liefde te lijden heeft onder de Tweede Wereldoorlog.
Dit alles beschrijft Jansz in een aangename stijl waarbij hij verleden en tegenwoordige tijd afwisselt. Zodoende voert hij de lezer mee naar vroeger, alwaar deze zijn herinnering ter plekke meemaakt. Een voorbeeld: ‘Ik sta voor het raam en huil. Van kwaadheid. Een grote jongen uit de straat heeft mij met een schep een bloedlip geslagen. Ik wil ook een schep.’ De vormen waarin de schrijver zijn verhaal giet, zijn gevarieerd. In het ene hoofdstuk haalt hij herinneringen op aan de hand van de kamers in het huis, in het andere biedt hij de lezer een kijkje in het verleden door middel van briefcorrespondenties. Deze beschrijvingen worden afgewisseld met vier korte Indische sprookjes die elk een mythisch perspectief op de werkelijkheid aanwakkeren. Verder is Molenbeekstraat een multimediaal verhaal: naast de geschreven tekst, koos Jansz ook toepasselijke foto’s en schreef, als een ware muzikant, een soundtrack of ‘liefdeslied’ bij zijn eigen verleden. Deze elementen brengen de herinneringen die Jansz aanhaalt nog meer tot leven. De soundtrack is zeer de moeite waard en bevat mooie, weemoedige mijmerliedjes (waaronder een vertaling van Dylan’s Tomorrow’s such a long time) die doen denken aan Bram Vermeulen, wiens cd’s hij produceerde.
In het voorwoord schrijft Jansz dat sommige mensen uit zijn jeugd zich misschien in de verhalen zullen herkennen. ‘Voor alle anderen,’ daarentegen, zijn dit gewoon verhalen. ‘Zoals zovelen.’ Daarmee kondigt hij zelf de zwakte van zijn boek al aan. Soms dreigt Molenbeekstraat te veel een herinneringenput te worden die voornamelijk voor Jansz zelf interessant is. Zo focussen zijn jeugdanekdotes zich erg vaak op klungelige escapades met meisjes (Molly, Ellen, Sofietje, Marcelle, Alice, Jara; ‘Een nacht alleen’, iemand?) en is de boodschap in de liefdesbrieven van zijn ouders op den duur wel duidelijk: ‘We hebben elkaar en onze liefde is groot.’
Desalniettemin is het fijn om een duik te nemen in andermans leven en krijg je dezelfde nostalgische neiging om je oude straatje eens op te zoeken. Molenbeekstraat is voornamelijk een goed voorbeeld van hoe dierbaar lang verloren herinneringen, expres of onbewust vergeten, kunnen blijken, hoe fijn het is ze terug te vinden, en hoe ze kunnen helpen te begrijpen wie je bent. Dit nieuwe zelfbegrip werkt inderdaad wel als een soort reïncarnatie, een herontdekking verbonden aan tijdloze herinneringen. Jansz schrijft:
‘Ik heb levens voorbij zien komen. Levens van mensen op weg naar mij, zoals ikzelf op weg ben naar de kinderen van mijn kinderen, wier ziel wacht en sluimert in een tijdloze ruimte. [...] En nu, veertig jaar nadat ik het [huis] heb verlaten, zit ik hier in deze stoel en lopen de tranen over mijn wangen nu ik bedenk: weerzin is verlangen, en ik weet wat ik ben kwijtgeraakt. Hier in de Molenbeekstraat.’
Drie sterren voor het boek, maar vier voor boek plus mooie mijmermuziekcombi.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

(4/5)


