Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Puberteit met kauwgomballensmaak

door Eveline Vink, 24 maart 2007

Moederziel gaat over de puberteit van Wessel. Het verhaal begint in 1968, voor Wessel de zomer tussen basis- en middelbare school. Hij en zijn moeder, de beroemde danseres Nina Fischer, nemen hun intrek in haar balletschool. Ondanks de onzekerheden die de grote stad en de nieuwe school met zich meebrengen blijken een puberjongen en een gebouw gevuld met tule een prima combinatie.

Wessels nieuwe leven vormt het grootste deel van de roman. Kort na de verhuizing wordt hij verliefd op een balletmeisje, Saskia, dat haren heeft waar de zon in woont en jurkjes die eruit zien alsof ze uit de hemel vielen en zo om haar lijf gleden. Over kalverliefde valt niet te spreken, de pubers gaan zo in elkaar op dat Saskia uiteindelijk kalmeringsmiddelen moet slikken om het leven aan te kunnen.

Een onderliggende verhaallijn tussen alle verliefde toestanden door is de veranderende verhouding van Wessel met zijn moeder, volgens de achterflap (‘moeder-zoonroman’) het hoofdbestanddeel. Het is niet wat het had kunnen zijn, en het maakt dit boek zeker niet tot een echte moeder-zoonroman, maar interessant is het wel. Want ze bedoelt het allemaal goed, en haar keuzes zijn op z’n minst begrijpelijk te noemen, maar toch drijft ze Wessel bij zich vandaan.

Enfin, Saskia verhuist naar Den Haag en Wessel doet zich tegoed aan andere meisjes, die natuurlijk nooit zullen kunnen tippen aan zijn grote liefde. Als Wessel zestien is en in de vijfde van het gymnasium zit, komt er een eind aan de luchtigheid van het leven en de zonnigheid van de toekomst. Net als Wessels onzekerheid na de verhuizing weet Stevens ook deze gevoelens goed over te brengen. Duidelijk, maar niet overdadig.

Herman Stevens bouwt zijn karakters goed op en creëert filmische taferelen met levensechte personen. Ruit, bijvoorbeeld, is een ouderejaars gymnasiast die bij Wessel in de redactie van de schoolkrant zit. Hij is van plan zijn leven te vullen met niets op niets op niets. Zijn nonchalance gaat over in brallerige grootheidswaanzin, met als toppunt zijn wens om God te worden. In de roes na het behalen van zijn diploma zet hij op elk feestje wel een keer de muziek zacht en houdt een half uur durende speech over de zinloosheid van het leven of hoe alle Finse woorden aan elkaar geplakt zijn, zodat een avondvullend monoloog in het Fins heel goed uit maar drie woorden kan bestaan. Stiekem is Ruit natuurlijk niet zo stuurloos als hij overkomt, en zeker niet zo stoer of onverschillig. Hij is een voorbeeld van een bijrol die uitgewerkt is tot een interessant en bovendien sympathiek personage, meer dan slechts decor voor Wessels verhaal. Hetzelfde geldt voor de andere karakters, het is genieten.

In al die sympathie zit tevens het grootste minpunt van Moederziel. Het is allemaal zo romantisch. Een wijvenboek, zou ik bijna zeggen. Kijk alleen al naar de ingrediënten: Het gymnasium waar Wessel zo bang voor was bleek voor hem gemaakt, al in de eerste klas tekende hij stiekem spotprenten van de leraren voor de schoolkrant. Zijn mede-redactieleden bewonen een herenhuis waar veel kinderen rondlopen maar nooit ouders zijn, de enige leraar die in het boek voorkomt is een bevlogen man van wie ze nooit de boeken open hoeven doen. Zijn moeder neemt hem alsmaar mee uit taartjes eten en is een alleszins redelijke vrouw die vooral wil dat hij gelukkig is.

En dan zijn er nog de meisjes, die giechelend in de gangen en in zijn kamer hangen, die hem altijd leuk vinden, en zich bovendien allemaal gelijk laten uitkleden wanneer hij daar behoefte aan heeft. Intussen blijft Wessel de zachtmoedige puber, de ‘goeie jongen’ die in zijn vrije tijd de timmerman helpt of wegdroomt in het atelier waar alle decorstukken staan.

Dit alles wordt op een sentimentele toon gebracht, beeldspraak na beeldspraak na beeldspraak. Niet slecht, maar wel totaal over the top.


‘Halverwege was hij afgestapt om zijn mouwen op te stropen. Het was windstil. Als zonlicht honing was, hadden ze die deze zaterdag over de hemel uitgesmeerd. Je moest bijna door het licht waden. Mensen liepen alsof ze bij elke stap opnieuw de lucht wilden proeven, auto’s kwamen nauwelijks de bocht om en zelfs de stoplichten waren vol stroop gelopen.’

Gelukkig gaat er uiteindelijk wel het een en ander flink mis in Wessels leven. Het eind maakt dan ook weer een deel van het zuurstokroze midden goed, maar helemaal is de kauwgomballensmaak niet verdwenen.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.