Philip Snijder
Zondagsgeld
(2007)
Mouria
157 pagina's
€ 16.50
ISBN 9789045849348
Steun Recensieweb en koop dit boek bij Athenaeum (24-uurslevering)
oordeel
elders op recensieweb
Het verbrande vel van een Duitse toerist uit Amsterdam
recensie van Retour Palermo
Philip Snijder: 'Het is hard trappen op de hometrainer'
interview
Schaduwjury: Een zomer lang op zoek naar het beste debuut
opiniestuk
Schaduwjury: Een echte roman? Een meesterstuk van vertelkunst
opiniestuk
Schaduwjury: ware vertelkunst wint
opiniestuk
Literaire tijdschriften als podium voor korte verhalen
opiniestuk
Bickerseiland geboekstaafd
door Ronnie van Veen, 22 juni 2007
Op zijn weblog schreef Philip Snijder (1956) herinneringen neer aan zijn jeugd op Bickerseiland, een eiland ten westen van Amsterdam Centraal Station. Een redacteur van literair tijdschrift De Tweede Ronde vroeg hem deze stukken te bewerken tot een verhaal, zodat ze opgenomen konden worden in de periodiek. Uiteindelijk wist Snijder acht episodes van zijn elfjarige ik te vervaardigen, welke bijeengebracht werden in Zondagsgeld.
In deze gefictionaliseerde autobiografie (zoals de auteur zijn debuut in een interview omschreef) wordt de lezer een wereld voorgespiegeld die sinds de Amsterdamse stadssanering van de jaren zeventig verdwenen is. Waar nu welvarende Amsterdammers leven in luxe appartementen, stonden tot de jaren zeventig vervallen woninkjes volgepakt met Caballero-rokende en elkaar in hun eigen accent toesnauwende familieleden. Dit laatste is de habitat van de ik-figuur in Zondagsgeld.
De leefgemeenschap van het Bickerseiland bestaat nagenoeg geheel uit familie van de ik. Maar ook niet-familie wordt gerust het plakkaat oom of tante opgeplakt. In deze gesloten leefgroep staat de voordeur altijd en voor iedereen open. De familie laat zich deze openheid welgevallen en komt regelmatig onaangekondigd bij elkaar over de vloer. Samen hangen, roken en kletsen ze wat, waarna ze hun eigen of andermans woning opzoeken.
De elfjarige hoofdpersoon doet zijn best om niet uit de pas te lopen. Hij lacht mee met zijn neefjes om grappen die hij niet begrijpt en springt even heldhaftig als de andere kinderen op dempies (een klein, door afval ontstaan eilandje in de gracht). Toch ontkomt hij niet aan het idee dat hij binnen het Bickerseilandmilieu een buitenstaander is. Bij familiebijeenkomsten duikt hij het liefst weg in een hoekje en hij doet het goed op school, iets wat uitzonderlijk is binnen de familie van de rauwdouwers. Dat hij anders is wordt gesterkt door de enige andere outsider op het eiland: zijn uit Groningen afkomstige vader. Ook hij heeft de grootste moeite om te aarden binnen de familie.
Die benauwde sfeer waarin de buitenstaander zich redden moet is in elk van de acht stukken intens voelbaar. De stukken hebben verder gemeen dat ze immer dezelfde protagonist en plaats van handeling hebben. Toch kunnen deze acht episodes onmogelijk als hoofdstukken van een roman worden beschouwd; elk deel is een op zichzelf staande, afgeronde herinnering. Geen roman dus, maar een verhalenbundel. Daar is niets op tegen, ware het niet dat de verhalen niet altijd even goed op elkaar zijn afgestemd. In de verschillende verhalen komen zo nu en dan bijvoorbeeld onnodige, bijna woordelijke herhalingen voor. Zo valt er in het ene verhaal te lezen dat de bewoners van het Bickerseiland zelden of nooit hun eiland verlaten, om een verhaal verderop te lezen dat de Bickereilanders zelden of nooit hun eiland verlaten.
Ook op de indeling van de verhalen is iets aan te merken. Het laatste verhaal van de bundel wordt voorafgegaan door een schitterend verhaal waarin de twee buitenbeentjes (vader en zoon) samen in een kano zitten. Met de rug naar zijn kind vertelt de vader dat hij en zijn moeder zullen gaan scheiden, al wordt dat woord in de vertelling angstvallig vermeden:
‘“Tuurlijk,” had ik schor en bokkig geantwoord op zijn vraag of ik wist wat het betekende. Een gemeen sissend woord was het, dat als een gifslang door mijn hoofd en lijf was gaan kronkelen en waarvan ik, nadat mijn vader was stilgevallen, de twee venijnige lettergrepen steeds gescandeerd hoorde in onze synchrone peddelslagen links en rechts.”
Dit zou een breekpunt kunnen betekenen voor in ieder geval een van de twee buitenstaanders. Maar in het laatste verhaal stapt de elfjarige jongen zijn huis binnen en vindt daar zijn vader aan het werk achter de naaimachine die wederom zit te klagen over de lompe Bickereilanders. Alsof we zojuist niet hebben gelezen dat er een einde lijkt te komen aan de frustraties van het leven binnen een gemeenschap waarin je je draai niet vinden kunt.
Afgezien van de onnodige herhalingen en de gebrekkige indeling van de verhalen is het een sterke debuutbundel. Naast de al eerder opgemerkte beklemmende sfeer van een geďsoleerde gemeenschap, weet de auteur niet zelden met een kleine schets de familie onsterfelijk hilarisch te maken. Zo luidt de de Bickereilandse versie van Chubby Checkers evergreen The Twist als volgt:
‘Komáán, wie twiste ken…’
Laat je niet afschrikken door het omslag; grauwe gebouwen aan het water met daarvoor een, uit het niets neergekwakt, (elfjarig?) jongetje, waaronder in een groene strook met paarse letters de titel van het boek gegeven is. Pak het boek op en geniet, met een lach en een traan, van een stukje verdwenen Amsterdam.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



