Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Het gekke jongetje Tjon

door Dagmar Holtman, 11 september 2007

Iedereen met een schoolverleden heeft ze wel in de klas gehad: Dat ene ‘rare meisje’ of die ‘vieze jongen’. Zo’n kind dat altijd lachte en huilde op de verkeerde momenten. Dat meisje dat vaak zo’n weeïge, niet thuis te brengen lucht om zich heen had hangen. De jongen die bovenmatig geïnteresseerd was in het ontleden van insecten en daar constant over wilde vertellen. Kortom: buitenstaanders. De hele klas maakte zich schuldig aan het bespotten van de buitenstaander, stoere kinderen én meelopers. En tegelijkertijd was de hele klas, inclusief de stoere kinderen en misschien zelfs de juf of meester, een beetje bang voor het ‘rare kind’. Wel, zo’n kind is Tjon.

We kennen Theodor Holman als columnist (onder ander in Het Parool), scenarist (met als absolute hit het onlangs opnieuw verfilmde Interview), televisiemaker en boezemvriend van wijlen Theo van Gogh. Maar Holman is ook een begenadigd schrijver, en heeft inmiddels al een indrukwekkend oeuvre opgebouwd bestaande uit vijfendertig romans en korte verhalen. ‘Gezin’ en ‘familieleven’ zijn dankbare thema’s in zijn werk. Zo ook in Tjon. In zijn nieuwste roman wordt het verhaal verteld van het jongetje Tjon, die bij aanvang van het boek twaalf jaar is.

Het verhaal volgt Tjon gedurende twee jaar, waarin de grens tussen de werkelijkheid en Tjons fantasie steeds minder duidelijk wordt. Tjons ouders hebben allebei in het jappenkamp gezeten, en dit trieste verleden drukt op het hele gezin. Vader is ‘treurig’ en moeder heeft last van ‘huilbuien’. Tjons broer Joost is vier jaar ouder en vertelt constant gemene verhalen en zogenaamde geheimen die zijn ouders hebben voor Tjon.

‘“Mamma haat me niet,” zei ik.
“Dat is anders wel wat ik haar hoorde zeggen.”
“Wat hoorde je dan?”
“Dat kan ik beter niet tegen jou herhalen. Dan zou je erg droevig worden. Maar ik weet nu dat mamma niet van jou houdt. Ze haat je. Ze houdt niet van je. Ze vindt jou een naar, vervelend ventje. Een domoor. Maar ik zeg niet wat ze heeft gezegd. Want dat zou je alleen maar meer verdriet doen. En je hebt gerookt. Dat ga ik ook tegen pappa zeggen.”’

Tjon zelf is niet in staat om de leugens en spookverhalen van zijn broer het hoofd te bieden. Net zoals hij niet in staat is om alle gebeurtenissen om zich heen het hoofd te bieden. Op school wordt hij bijvoorbeeld erg gepest. Maar tegelijkertijd is hij zelf ook een pester. Hij creëert daarom een wereld voor zichzelf waarin het draait om helden en om moed die beloond dient te worden met medailles. ‘De Jap’ is de vijand, maar deze manifesteert zich in verborgen gedaanten.

Je kunt zeggen dat het hebben van een levendige fantasie een zegen is. En het is tegelijkertijd ook een overlevingsmechanisme. Wanneer de echte wereld te moeilijk is om te bevatten, is het veilig om in een fantasiewereld te kruipen, om zo niet helemaal krankzinnig te worden. In Tjon beschrijft Holman hoe de levendige fantasie van de hoofdpersoon doorslaat in waanbeelden en gevaarlijke illusies.

De kracht van Tjon is dat Holman de lezer dwingt om de wereld door de ogen van het jongetje te zien. Hierdoor is het gemakkelijk om je te identificeren met de hoofdpersoon. Door korte, simpele zinnen te gebruiken, die zó zijn vormgegeven als een kind ze zou gebruiken, ga je als lezer ook denken als Tjon. Je vergeet bijna dat hij als ‘gek’ gezien wordt, simpelweg omdat hij dat zelf niet vindt. En waarom is Tjon zoals hij is? Is hij geboren met een afwijking of heeft zijn omgeving hem gek gemaakt? Door deze vragen bij de lezer op te roepen slaagt Holman er in om een genuanceerd beeld te creëren van een sociale outcast, die zelfs in de vertrouwde omgeving van zijn gezin, waarin de bedoelingen goed zijn maar de uitwerking te wensen over laat, buiten de boot valt.

Maar naast de ethische vraagstukken die Tjon opwerpt, valt er ook genoeg te lachen. Holman beschrijft Tjon en zijn leefomgeving op droogkomische wijze en bij vlagen is dat hilarisch. Wederom valt dat te wijten aan de manier waarop Holman schrijft. Hij weet spanning te creëren door zijn hoofdpersoon naïeve dingen te laten zeggen die zowel als grappig en als treurig gezien kunnen worden.

Waarin Holman niet zo goed slaagt, is om het verhaal tot een goed einde te brengen. De lezer kan bijzonder goed meeleven met Tjon, maar wanneer deze elk begrip van de werkelijkheid lijkt te verliezen, gebeurt dat de lezer ook. Hiermee gaat de band die je als lezer met Tjon hebt opgebouwd verloren en dat resulteert in een einde wat door de gecreëerde ruis nogal vaag blijft. En daardoor heeft het einde niet die emotionele impact die het verhaal wat eraan voorafging wel had. Dat is erg jammer, omdat Holman hiermee gevoelsmatig niet alles uit het verhaal heeft gehaald wat erin zat. Wellicht zou het geholpen hebben wanneer de schrijver aan het eind gekozen zou hebben voor een ander vertelperspectief.

Niettemin is Tjon een amusant en invoelend portret van een buitenstaander dat je met andere ogen doet kijken naar ‘dat rare kind’ van vroeger.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.