Mensje van Keulen
De laatste gasten
(2007)
Atlas
166 pagina's
€ 18.50
ISBN 9789045012292
bij Athenaeum Boekhandel
(24-uurslevering)
oordeel
elders op recensieweb
Intellectueel Big Brother-huis
recensie van De laatste gasten
Het ontstaan van een schrijfster in drie schriften
recensie van De schriften wachten
Literatuur op de vierkante centimeter
recensie van Een goed verhaal
Schaduwjury Libris 2010 van start
opiniestuk
Titanenstrijd om De Gouden Uil
opiniestuk
Een evenwicht tussen persoonlijkheid en techniek
opiniestuk
Literatuur van formaat in een klein speelveld
opiniestuk
andere recensies
De status van bestaan
door Nelienke van Eijsden, 25 oktober 2007
(Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury)
In mei 1976 zocht Mensje van Keulen voor een paar dagen rust in het pension De Pauwhof te Wassenaar om te schrijven. In het vorig jaar verschenen dagboek Alle dagen laat, dat Van Keulen vanaf 1976 begon bij te houden, zegt ze over haar verblijf daar: ‘Ik heb in een ander schrift enkele notities gemaakt over dit huis, wie weet doe ik daar ooit iets mee’. En dat heeft ze gedaan in haar nieuwste roman De laatste gasten. Het verhaal speelt zich niet af in De Pauwhof te Wassenaar, maar in de Meihof aan de Amstel, de sfeer is voor een groot deel gebaseerd op de Pauwenhof, en enkele personages op de bewoners, zoals ‘een studente van een jaar of vijfendertig die kijkt alsof ze elk moment in huilen uit kan barsten’ (in de roman Daphne Glasz) en ‘de dweepzieke weduwe van een artistieke dwerg’ (Claudia Tutein). In deze roman zijn de observaties alleen niet afkomstig van een insider, maar van Florrie, de hulp.
Wanneer haar odieuze tante overlijdt, moet Florrie op zoek naar een nieuwe woonruimte en een baan. Via een oude bekende vindt ze werk in de Meihof als inwonende hulp in de huishouding. In dit landhuis verblijven een aantal excentrieke gasten; een kunstschilder, een kunsthistoricus, een gepensioneerd echtpaar, een medewerkster van een uitgeverij, een musicoloog en de weduwe van een beeldhouwer. Iedereen heeft zo zijn geheimen; van Alice Muller, de gastvrouw, en haar frauduleuze boekhouding, tot Mia de kokkin, die herhaaldelijk eten en servies mee naar huis neemt.
Het lijkt erop dat met de komst van Florrie de onderlinge verhoudingen veranderen en het is bijzonder interessant om te zien wat er gebeurt op dit afgebakende terrein met zoveel uitgesproken personages. Van Keulen weet deze personages levensecht neer te zetten; van de ietwat smerige flirt Faan Fagel tot de depressieve en teruggetrokken Daphne Glasz, ik zie ze allemaal aan de eettafel zitten. In slechts enkele zinnen slaagt Van Keulen erin hen te typeren:
‘Ootje Stalpert, die een parelketting op haar hooggesloten okergele blouse droeg, zei: “Ik heb ene Fleur gekend. Fleur van Lanschot Trip. Krankzinnig verklaard.”’ Haar man zat kaarsrecht. Hij had bolle ogen en een lange neus met een gleufje in de punt. Daphne Glasz had een gezicht dat ik buitenshuis niet snel zou herkennen. Ze stak als eerste haar lepel in de soep. Ze miste een duim.’
Bij aankomst in de Meihof komt het Florrie voor dat de gasten het prima met elkaar kunnen vinden, maar langzaam wordt duidelijk dat de onderlinge verhoudingen al lange tijd bol staan van de onderhuidse spanningen. Van Keulen doet dat bijzonder goed. De gespannen sfeer bereikt zijn hoogtepunt wanneer De laatste gasten te horen krijgen dat het landhuis verkocht moet worden vanwege het gerommel van Alice met de boekhouding. Er gebeuren dan een aantal vreemde dingen, waarop verdachtmakingen volgen. En de gemoedelijke ‘professor’ Waterman is het zwarte schaap. Niemand blijkt te zijn zoals je in eerste instantie dacht: ‘Misschien heet hij niet eens Emile Waterman. Hij kan in werkelijkheid Jan Koch of Philip Metz zijn, of Karel van Maris of iets dergelijks, de naam waaronder hij op dit moment staat ingeschreven’. Alles aan de zo zorgvuldig beschreven personages wordt op deze wijze in twijfel getrokken.
Op het eerste gezicht lijkt De laatste gasten niet veel meer te behelzen dan een mooi en onderhoudend verhaal. Maar bij herlezing blijkt hoe geraffineerd het allemaal in elkaar zit. De filosofische opmerkingen van de gast Herman Peski lijken soms uit de toon te vallen, maar blijken achteraf wel degelijk functioneel. Tijdens haar laatste dag in het pension bedenkt Florrie over de gasten die vertrekken: ‘ik zou ze net zou goed verzonnen kunnen hebben’. Op zo’n moment schiet dan de opmerking van Peski door je hoofd: ‘dat je de status van bestaan alleen geeft aan iets waar woorden voor zijn’. En dat is wat Van Keulen doet: woorden vinden die haar personages en hun verhalen de status van bestaan gegeven.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



