Niet zwart-wit maar kleurloos, niet slecht maar anders
door Jaroslav Paták, 26 november 2007
De compacte samenvoeging van zeer uiteenlopende genres in één boek – dat zou De opvolging, de nieuwe roman van Nachoem M. Wijnberg, kunnen zijn. Met deze roman bewijst Wijnberg dat er nog genoeg ruimte rest om meer dan conventioneel proza te schrijven. Hoewel die ambitieus klinkende poging in dit geval in pure chaos is uitgemond, verbergt deze wanordelijke roman toch iets speciaals.
Nachoem M. Wijnberg (1961) is een econoom die zich vooral aan de theorie van bedrijfskunde wijdt en daarnaast zijn tijd besteedt aan zijn poëzie, waarmee hij dan ook vooral bekend is. Als prozaist is Wijnberg echter ook niet helemaal onbekend – De opvolging is al zijn vierde roman. Deze keer heeft hij besloten zijn uitgebreide kennis van management in proza te verwerken. Toch is er van een scherp onderscheid tussen Wijnbergs werk als dichter en als prozaïst geen sprake. Integendeel – het lijkt alsof de dichter niet in staat is afscheid te nemen van de poëzie en dat hij in zijn roman gewoon verder dicht .
Wat wij in De opvolging lezen, lijkt af en toe op poëzie. Toch is dit het niet. Maar ik durf het ook geen klassieke roman te noemen. Wat is het dan wel? Alle hints die de auteur geeft om dit raadsel op te lossen, wijzen erop dat hier een genre wordt bedreven dat het midden houdt tussen een roman en poëzie. Wijnberg brengt toneelstukken, gedichten en verhalen samen en vergeet deze mengelmoes niet te kruiden met wat soapopera. Wat er opduikt, lijkt in geen enkel opzicht op gebruikelijke literatuur. De roman is een omkering van bijna alles wat er in de wereld aan geijkte literaire genres bestaat. Bijzonder is dat Wijnbergs toon nooit spottend is, maar serieus blijft.
De opvolging bevat vijftien hoofdstukken. Bijna allemaal dragen ze de titel ‘De dag van…’. Elke scène begint met een simpele beschrijving van de omgeving en van de aanwezige personages (‘Ochtendvergadering van bazen. Richard zit voor. Fernando, Henry, Edward, Clara. Julian is er nog niet.’). Dergelijke introducties doen onmiddelijk denken aan toneel maar wekken hier de lach op, omdat dit soort informatie altijd voor de regisseur is bedoeld en nooit voor de toeschouwer.
Niet alleen hierdoor raakt de lezer in verwarring. Al op de allereerste pagina introduceert de verteller acht personages die schetsmatig blijven vanaf het begin tot het eind van de roman. Persoonlijkheid is iets waar er in het bedrijf geen plaats voor is – Wijnberg werkt dus met typologische personages, niet met de echte ‘helden’. Wijnberg schildert alles af wat er in een bedrijf kan gebeuren. Tegelijkertijd gaat het om de mensen die daar werken, zoals ‘bazen’, ‘dokters’ en ‘secretaresses’. Iedere baas heeft zijn zogenaamde ‘goede’ en ‘slechte’ secretaresse; en iedereen speelt een dubbelrol. De goede secretaresse voor één baas is de slechte secretaresse voor een andere baas. Deze vereniging van de tegenstellingen kan een verwijzing naar het taoïsme (yin en yang), de traditionele Chinese godsdienst zijn, maar tegelijkertijd lijkt het sterk op de gewoonte in kleine theatergezelschappen dat één persoon meerdere personages speelt om zo geld te besparen.
Het bedrijf ontwerpt zekere ‘installaties’ met onbetaalde kinderarbeid. Al snel wordt duidelijk dat het geen bloeiende zaak is: de schuldeisers beginnen ongeduldig te worden. Daarom wordt er voortdurend vergaderd. Het is noodzakelijk dat het bedrijf met iets nieuws op de proppen komt, zodat er weer winst gemaakt kan worden. Als er dan al ooit een een vrije dag is, dan mondt deze uit in een vergadervakantie. Om een beetje cultuur in het stereotiepe bedrijfsleven te brengen, wordt er in de vergaderzaal toneel gespeeld en poëzie voorgedragen onder begeleiding van een bedelaar, omdat deze geen geld, maar slechts eten vraagt. Het amateurtoneel komt uit het koningsdrama van Shakespeare, waarbij voornamelijk scènes met ‘de koning en de clown’ worden gespeeld door de bedelaar en een van de bazen, maar eigenlijk lijken ze meer op een parodie ervan. Zelfs de titel van het boek, die de vraag suggereert wie de volgende baas van het bedrijf zal worden, verwijst naar de bloedige strijd tussen de troonopvolgers in de drama’s van Shakespeare. De fragmenten van gedichten die een van de bazen zo plechtig en ernstig voordraagt zijn dan ook verre van poëtisch: ‘Je hebt werk dat niet moeilijk voor je is, je zou drie vrouwen moeten hebben en je hebt er maar twee, ga je nu huilen? ‘).
Als het Weinbergs bedoeling was om identificatie met de personages onmogelijk te maken, dan is hij daar volledig in geslaagd. Wie spreekt blijft vaak onduidelijk, maar meestal blijkt dit niet eens van belang. Waarom moeten we de uitspraken volgen van mensen die uitsluitend de afwezigheid van een echte actie of handeling maskeren? De personages lossen geen innerlijke problemen op – ze zijn slaven van hun eigen ledigheid en de anonieme bedrijfsruimte kan hen niet inspireren.
Dit is geen klassieke roman maar een kleurloos drama waarin niet helder is wie ‘koning’ en wie ‘clown’ is. Een roman waarin de kunstvorm ten onder gaat en diepzinnige gedachteflarden niet meer zijn te onderscheiden van waardeloze poëziefragmenten. Dit is een roman in de traditie van absurd toneel, een ‘schijnroman’ waarin alles zijn inhoud verliest.
‘Ik ben altijd bang voor vorm om de vorm,’ beweerde Nachoem Wijnberg in een gesprek over een van zijn gedichten ( NRC Handelsblad, 13 augustus 2004). Maar als we pogen ‘de vorm’ uit zijn De opvolging te destilleren, blijft er geen spoor van inhoud over. Buiten de vorm rest er bijna niets.
Dit boek vereist een lezer met een flexibele geest, die bereid is zijn bestaande leespatroon over boord te gooien. Ben je dit niet, dan zal De opvolging een ellendige ervaring opleveren.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



