Rondsnuffelen in het oude pakhuis van letteren, kunsten en wetenschappen
door Laurens Ham, 14 april 2008
Paul van Ostaijen werpt zijn schaduw over ieder Nederlandstalig experimenteel werk. Telkens wanneer er in de Nederlandse literatuur een poging wordt ondernomen tot originele vormgeving ( Zwerm van Peter Verhelst, Dis van Marcel Möring ) wordt erop gewezen dat Van Ostaijen het in Bezette Stad (1921) al deed. De typografie van Paul Bogaers’ Onderlangs heeft echter de vergelijking met Van Ostaijen niet opgedrongen gekregen. Verrek, dit had onze Pol inderdaad nooit gedaan. En het zou best kunnen dat hij, als fervente voorstander van speelsheid en experiment in de literatuur, Onderlangs heel geslaagd had gevonden.
De roman is van begin tot einde bij elkaar geknipt en geplakt uit bijna 250 boeken uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Van alles zit ertussen: veel liefdesromannetjes en pornoboekjes ( Met wien zal ik… niet trouwen?, Striptease voor Mr Travis ), maar ook kookboeken, gezondheidsgidsen, reisboeken over Afrika en intrigerende titels als Een linkerbeen gezocht. Pulp dus, vaak al een eeuw oud en totaal vergeten. De boeken wordt een nieuw leven gegund in Onderlangs, waarin de originele typografie van de gebruikte boeken is overgenomen.
Bogaers geeft een vette knipoog naar critici die beweren dat alles in de kunst al eens gezegd en gedaan is. Inderdaad zijn hier alleen bestaande zinnen gebruikt, maar de experimentele roman die eruit ontstaan is, is uniek. Het is een experiment in de ware zin van het woord: Bogaers heeft ‘onderlangs’ geschreven, beginnend bij materiaal dat hem ter beschikking stond, en zo stukje bij beetje een verhaal bijeengesprokkeld.
Uiteraard heeft de titel niet alleen een poëticale, maar bovenal een seksuele betekenis. De hoofdpersoon van Onderlangs, een fotograaf die Paul heet, is geobsedeerd door vrouwelijke schoonheden en ziet gedurende het boek heel wat ‘vliesdunne behaatjes’ aan zijn (geestes)oog voorbijtrekken. Zo komt er direct aan het begin van het verhaal een vrouw uit zijn plafond neergedaald met wie hij een erotisch avontuur beleeft. Echter, aan hun contact komt abrupt een einde wanneer de naaktfoto’s die Paul probeert te maken mislukken. Een plot vol absurde wendingen volgt. Wel is er een duidelijk thema – de zoektocht naar De Ene – dat als een rode draad door het boek loopt waardoor al die absurditeit de plot niet overschaduwt. Evenzo keert een aan het thema verwant gegeven telkens terug: Paul probeert zijn geliefde vast te leggen, te vinden of uit te vinden, maar slaagt hier nooit in. Een klassieke kluchtige liefdesscène die een aantal keer terugkeert in bijna dezelfde gedaante, is het gevolg. Paul heeft de hardnekkigheid van een stalker, maar toch blijkt het raadsel van de vrouw aan het einde van het boek nog even onoplosbaar als in het begin:
‘Maar wij zijn toch vooruitgegaan, zult u zeggen; wel zeker, wij reizen nu per spoor inplaats van in een karretje met ossen bespannen, en wij kunnen onze nevenmens op vijftien kilometer afstand vermoorden. De vrouw echter is sinds de Middeleeuwen nog niet veranderd, ook al leven we nu in het tijdperk van reaktiemotoren, stoomreaktors en raketten.’
In de bespiegelingen over vrouwen, maar ook in de oerwoudscènes en ontmoetingen met ongure proletariërs (‘Te oordelen aan zijn hoofdhaar had hij al enige tijd omgezworven op de zeeën’) ontmaskert Bogaers de boeken die hij gebruikt op een heel subtiele manier. Vrouwen, ‘inboorlingen’, lagere klassen, over iedere minderheid wordt even generaliserend en beledigend geschreven. Onderlangs kan daarom niet alleen als een absurde, vlot leesbare liefdesroman worden gelezen, maar ook als een boek over maatschappijvisies aan het begin van de twintigste eeuw. Als een stijlonderzoek. Als een typografische geschiedenis. Als een klucht, een tragedie, een erotisch verhaal, als een experiment in stijlbreuken en betekenisverschuivingen. ‘De kaart van Afrika, bevlekt en bestreept met rode punten, pijlen en lijnen. […] Trouwens ook ikzelf was een weinig onthutst. De kaart was zó pornografisch en liederlijk van voorstelling, als ik nog maar zelden gezien had.’ In het vierde hoofdstuk creëert de hoofdpersoon zijn eigen ideale vrouw met behulp van fysische, culinaire en medische ingrediënten. Water, koolhydraten, vetstoffen, aminozuren, olie (slaolie, lijnolie, wonderolie), aardappelmeel, makreel, tonijn, brie, gruyère. En driehonderdzesentwintig perziken.
‘In Nederland lacht men niet, Prof. Colenbrander ziet ons!’ waarschuwde Van Ostaijen. Dit boek bewijst zijn ongelijk. Sluit het in uw hart.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



