Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Polderbewoners staat het water aan de lippen

door Frank Groenman, 11 mei 2008

Ruim tachtig jaar geleden werd de Wieringermeerpolder in de kop van Noord-Holland drooggelegd en in cultuur genomen. Nu bestaan er vergevorderde plannen om in de polder een nieuw recreatiemeer aan te leggen, het Wieringerrandmeer. Deze plannen passen in een nieuwe visie op waterhuishouding en veiligheid, waarin het teruggeven van land aan het water niet langer taboe is.Veel bewoners van het gebied zijn zacht gezegd geen groot voorstander van het nieuwe meer. Dit thema van politieke ambitie en sociale onrust heeft Gijs IJlander verwerkt in zijn nieuwe roman Geen zee maar water.

Het decor voor deze roman vormt enerzijds de Haagse politiek, waarin intriges en persoonlijke ambities de agenda bepalen, en anderzijds de weidse polders in Noord-Holland, waar veel mensen met angst en beven de nieuwe politieke wind in Den Haag gadeslaan.

Deze twee werelden krijgen vorm in twee hoofdpersonages. Aan de ene kant is er de veelbelovende jonge politica Annet de Goede, staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en zelf afkomstig van de klei van de Wieringermeerpolder. Zij houdt er behoorlijk onorthodoxe opvattingen over landschapsontwikkeling op na, waarmee ze nogal wat weerstand oproept in de samenleving en zelfs in haar eigen departement. Tegenover haar staat Bennie, een geestelijk gehandicapte jongeman die met zijn drankzuchtige vader in het gebied woont dat voor het nieuwe meer zal moeten wijken.

Als Annet lijsttrekker wordt van de nieuwe politieke partij Delta, probeert een groepje babyboomers onder de naam ‘Bloedend hart’ haar met weinig subtiele middelen ertoe te dwingen om het lijsttrekkerschap op te geven. Zij weten de goedgelovige Bennie voor hun karretje te spannen. Bennie wordt vervolgens meegesleept in een stroom van gebeurtenissen waarvan hij de gevolgen niet kan overzien.

Net als in eerdere romans, zoals De aanstoot uit 2000, weet Gijs IJlander het landschap en het natuurschoon in polder en kust op treffende wijze te verbeelden. Je voelt als lezer de polderwind tegen je gezicht en hoort de vogels over de polder trekken. ‘De kruinen van hoge eiken aan de overkant, een torenspits in de verte, vingen nog zonlicht, het landschap daaronder, lage bosschages, de rommelige uiterwaard met kronkeldijk en de weilanden daarachter, losten al op in het nevelig grijs en schaduwzwart.’ Hier spreekt een auteur met liefde voor de natuur en het Nederlandse landschap, in een poëtische aanklacht tegen van bovenaf opgelegde politieke ideeën.

Helaas weet hij die verontwaardiging over het Haagse gekonkel minder goed vorm te geven. Zijn beeld van de Haagse politiek is vrij clichématig en de dialogen in het boek zijn her en der nogal hoogdravend en onnatuurlijk. Zo zegt Annet aan het begin van de roman tegen haar politieke mentor: ‘Ik ben blij dat je met me meedenkt, Gerbrand. Maar straks, welke lijn denk je dat we straks moeten aanhouden? Het is nog zo los allemaal, het enige waar we het over eens zijn, is dat we de verzuiling van ons af moeten schudden, maar verder…’ Na negentig pagina’s van dit soort overwegingen snak je naar het moment waarop de polder in volle glorie voor het oog verschijnt. Daarbij worden Annets ambities en dilemma’s zo uitgespeld dat er geen drama komt in alles wat haar overkomt.

Bennie spreekt meer tot de verbeelding, levend in zijn eigen wereld en niet in staat om te begrijpen hoe zijn goedgelovigheid door jan en alleman wordt misbruikt. ‘Hij meende de schaduwen van vogels voorbij te zien glijden en zette het raam open om ze te kunnen horen. De doden werden vogels die soms nog jarenlang bleven rondvliegen boven de plaats waar ze geleefd hadden. Hij was er zeker van dat ma daar rondvloog met trage vleugelslag.’ Een sterke troef in de roman zijn ook de opa en oma van Annet, die geboren en getogen zijn in de polder en met lede ogen de discussie over het teruggeven van land aankijken. Zij staan voor de traditie van het harde boerenleven en de gehechtheid aan de geboortegrond.

Door de gebeurtenissen en door haar familieachtergrond komt Annet uiteindelijk in een gewetensconflict terecht. Tegen het einde van het boek lijkt haar houding tegenover het onder water zetten van land veranderd: ‘Grond die economisch niet rendabel was was daardoor niet waardeloos, maar nog steeds van betekenis voor degenen die erop leefden, niet minder dan de “grond onder hun voeten.”’ De vraag blijft hoe ze dat nieuwe inzicht politiek invulling gaat geven.

Gijs IJlander debuteerde in 1988 met De Kapper. Dat debuut werd bekroond met zowel de Anton Wachterprijs als de Geertjan Lubberhuizenprijs. Of deze roman een prijs in de wacht zal slepen, valt te bezien. Maar de bewoners van de Wieringermeer hebben in ieder geval in IJlander een uitstekende advocaat gevonden voor hun zaak, en zijn pleidooi voor het behoud van de polder verwoordt hij knap. Toch zou de roman met meer polder en iets minder politiek nog krachtiger zijn geweest.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.