Marcel Kurpershoek
In limbo. Op de grens met het Midden-Oosten
(2008)
Augustus
218 pagina's
€ 18,90
ISBN 9789045701592
bij Athenaeum Boekhandel
(24-uurslevering)
oordeel
andere recensies
Uiteenzetting oorsprong Midden-Oostenconflict laat de lezer verward achter
door Miriam Ibrahim, 14 oktober 2008
(Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury)
Het Midden-Oosten is elke dag in het nieuws. De nieuwsfeiten waarvan verslag wordt gedaan zijn niet nieuw: bomaanslagen, staatsgrepen, religieus fundamentalisme, politieke en sociale onrust. Als buitenstaander vraag je je wel eens af hoe het komt dat de situatie in die regio blijkbaar uitzichtloos is.
Marcel Kurpershoek (1949) is arabist en Midden-Oostenspecialist. Hij was als diplomaat werkzaam in onder andere Damascus, Riaad en Caïro. Sinds 1998 is hij als buitengewoon hoogleraar Arabische taal- en letterkunde verbonden aan de universiteit van Leiden. Hij schreef eerder boeken over de orale poëzie van de bedoeïenen uit het Lege Kwartier, het zuidelijke deel van de Grote Arabische Woestijn in Saoedi-Arabië. Gedeeltes hiervan zijn verwerkt in andere publicaties van zijn hand. Kortom, Kurpershoek is een kenner van de Arabische cultuur. In In limbo. Op de grens in het Midden-Oosten gaat hij in op de geschiedenis van dit gebied, want om de oorzaken van de huidige situatie te begrijpen moeten we volgens hem teruggaan in de tijd.
Vóór de Eerste Wereldoorlog behoorde dit gebied tot het Ottomaanse rijk. Hier leefden uiteenlopende groepen min of meer vreedzaam samen. De stelling van Kurpershoek is dat de ellende in het Midden-Oosten begon met het trekken van grenzen, waardoor kunstmatige eenheden ontstonden. Met name de Britse diplomatiek adviseur Mark Sykes en de Franse diplomaat François Georges Picot die in 1916 een plan ontwierpen om deze regio te verdelen in Engelse, Franse en Russische invloedsferen, staan in het Midden-Oosten in een kwaad daglicht. Des te opmerkelijker is het dat twee andere West-Europeanen, die elk op eigen wijze verantwoordelijk waren voor de nieuwe grenzen van de verschillende landen aldaar, wél gewaardeerd werden en worden.
De eerste is de Britse Gertrude Bell. Zij was als eerste vrouw cum laude afgestudeerd in geschiedwetenschap aan Oxford en ze sprak ook Arabisch en Perzisch. Als adviseur van het Britse Foreign Office was ze werkzaam in dit gebied van 1915 tot 1925. Zij was verantwoordelijk voor de vaststelling van de grens tussen Irak en Saoedi-Arabië. Van de Arabieren kreeg zij de bijnaam “al-Khatun”, de Grote Dame. De ander is de Britse inlichtingenofficier John Bagot Glubb, die de bijnaam “Glubb pasha” kreeg. In de jaren twintig was hij werkzaam in Irak, waar hij verantwoordelijk was voor het tastbaar maken van de grenzen tussen de landen in deze streek, want die grenzen waren dan inmiddels wel op papier getrokken maar in feite trok niemand zich hier iets van aan.
Waarom worden de eerste twee verguisd en de beide laatste hogelijk gerespecteerd? De verklaring die Kurpershoek geeft is dat Sykes en Picot beschouwd worden als (christelijke) imperialisten, terwijl Bell en Glubb zich interesseerden voor de Arabische cultuur. Zij konden met de mensen praten, zij wisten wat de Arabieren bezielde en wat zij belangrijk vonden. Dat waardeerde men in hen. Bell bijvoorbeeld ging bij het vaststellen van de grens tussen Irak en Saoedi-Arabië uit van de ligging van de waterputten: heel belangrijk voor bedoeïenen.
Door de niet-chronologische opbouw van zijn verhaal maakt Kurpershoek het zijn lezers niet makkelijk. Het boek is opgebouwd uit vier delen. Eerst beschrijft hij zijn ervaringen tijdens een vier dagen durend verblijf bij Aboe Nawwaf van de bedoeïenenstam de Shammar, aan de Syrische kant van de Syrisch-Iraakse grens. Vervolgens wordt de opkomst en ondergang van Saddam Husein beschreven. Daarna komen de levens van Gertrude Bell en John Bagot Glubb aan bod en krijgen we een beeld van de situatie in het Midden-Oosten ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.
Bij Kurpershoek gaat kennis van de Arabische cultuur niet gepaard met liefde. In zijn boek bevestigt hij alle vooroordelen over Arabieren: ze zijn lui, slapen de hele dag, verkrachten hun vrouwen die ze als hun bezit beschouwen, ze zijn niet loyaal en altijd partijdig. Ze zijn dan wel schoon en hun kleding en theekopjes spoelen ze om, maar de openbare ruimte interesseert hen niet: “Het Midden-Oosten begint waar de platgereden honden niet meer van het asfalt worden gekrabd.” Hun koffie en thee zijn niet te drinken. Geen enkele Arabier wordt met sympathie en inlevingsvermogen beschreven. Zelfs Aboe Nawwaf geeft toe dat hij liever christelijke buren heeft, “want de christenen houden de boel schoon en netjes, ze zijn goed opgevoed, en ze zijn altijd beleefd”. Je vraagt je af of dat komt door hun godsdienst, of door een generatielang leven als minderheid.
Het boek is het waard gelezen te worden vanwege het verzorgde, bij vlagen zelfs poëtische proza. Een voorbeeld van het beeldende taalgebruik: “In het Midden-Oosten is alles ‘lijkt’, als luchtspiegelingen op de eindeloze woestijnwegen waar de trucks met oplegger voort zwoegen als rijen torren in het zand.” Indien het doel van Kurpershoek was een introductie te schrijven tot de Midden-Oostenproblematiek dan schiet dit boek echter zijn doel voorbij: door de niet-chronologische opbouw is het daarvoor niet geschikt. Als Kurpershoek zich ten doel stelde begrip te kweken voor het Arabische standpunt dan is dat, doordat de vooroordelen over Arabieren alleen maar worden bevestigd, ook niet gelukt. Maar als de auteur de achtergrond van het Midden-Oostenconflict wilde gebruiken om stilistisch te kunnen schitteren dan is hij daarin geslaagd.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



