Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

In de voetsporen van een Belgische Al-Qaida martelares

door Marije Klein, 17 oktober 2008

(Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury)
Toen de Belgische Muriel Degauque zichzelf op 10 november 2005 opblies in Irak en daarmee de boeken inging als de eerste blanke martelares van Al-Qaida, begon voor de Nederlandse journalist Arthur van Amerongen een nieuwe zoektocht. Wat bracht een Belgische vrouw, opgevoed in de troosteloze plaats Charleroi ten zuiden van Brussel, ertoe zich met een bomgordel in een van de grootste brandhaarden ter wereld te begeven? In Brussel: Eurabia, het tweede literaire non-fictiewerk van Van Amerongen na zijn debuut Kasba Amsterdam uit 2006, wordt het antwoord op deze vraag niet direct gegeven.

Voor Van Amerongen lijkt het überhaupt niet te gaan om het vinden van dat antwoord. Veel meer ziet hij in de zelfmoordaanslag van de Belgische een aanleiding voor een grondig zelfonderzoek. Hij vertrouwt een groep studenten aan de universiteit van Mechelen waar hij een gastcollege geeft toe dat er ‘opvallende overeenkomsten waren tussen mij en Muriel Degauque’. Net als de Belgische leidde Van Amerongen lange tijd een losbandig leven vol drank en drugs en net als Degauque voelt Van Amerongen zich sterk aangetrokken tot de islam.

Voor de reden waarom Muriel zichzelf van het leven beroofde worden ondertussen wel talloze suggesties gegeven. Zo zegt een kennis die Van Amerongen spreekt in een café in Charleroi: ‘Ik denk dat ze enorm verbitterd was. Ze was bijna veertig en had geen kinderen, en dat na drie huwelijken! Ze moet wel onvruchtbaar zijn geweest.’ Na de scheiding van haar Turkse echtgenoot treedt ze in het huwelijk met een Algerijn, waarover een vriend van Muriel zegt dat het een mariage blanc, een schijnhuwelijk was om hem een paspoort te bezorgen. Na een flitsscheiding hertrouwt Muriel met de Belgische moslim Issam Goris, die bij de Brusselse politie bekend staat als fundamentalist. Verhuizingen naar Marokko en Syrië volgen. In de zomer van 2005 spreekt Liliane Degauque haar dochter voor het laatst als ze vanuit het Midden-Oosten belt. Ze heeft niet de kans gekregen te vragen wat haar dochter daar deed.

Vanuit zijn persoonlijke obsessie met zijn onderwerpen zoekt Van Amerongen echter vooral naar zijn eigen rol. Hij voelt zich niet alleen persoonlijk bij de islam betrokken, maar heeft er als voormalige Midden-Oostencorrespondent ook professionele ervaring mee. De mogelijkheden en grenzen van het journalistieke genre worden in Brussel: Eurabia dan ook optimaal benut en opgerekt: ooggetuige in brandhaarden, de onderzoekende journalist en de menselijke mislukking – Van Amerongen laat ze allemaal in elkaar overvloeien omdat ze zo nauw samenhangen. Zijn jeugdtrauma komt op elke bladzijde terug: opgroeien in een orthodox-christelijk gezin op de Veluwe waar hel en verdoemenis dagelijkse kost zijn heeft een diepe angst in hem geslagen die hij nooit helemaal kwijtraakt.

Drank- en drugsverslavingen en mislukkende relaties zijn het gevolg. Als correspondent in respectievelijk Libanon (waar hij reportages over Hezbollah maakt) en Israël blijkt hij nog altijd last te hebben van angstaanvallen. En zijn mislukte reportagereis naar Afghanistan wijt hij geheel en al aan eigen falen. ‘Niet eens een held op sokken’, zo omschrijft hij zichzelf, ‘hooguit een dronken Kuifje met ADHD. Ik was echter geen trotse roofvogel maar een laffe angsthaas, die niets te zoeken had in oorlogsgebieden.’

In Brussel: Eurabia beschrijft hij hoe hij al die jaren zoekt naar een surrogaat voor zijn verloren geloof. Heroïne blijkt niet te voldoen dus is het volgens hem ‘achteraf gezien verklaarbaar dat ik ergens in de jaren tachtig angejiddeld raakte’. Hij raakt in de ban van het jodendom en vestigt zich als correspondent in Israël, maar het Beloofde Land verliest algauw zijn glans.

Na zijn definitieve vertrek uit Israel hoopt hij terug te kunnen vallen op zijn opgebouwde kennis over de fundamentalistische islam om het conflict tussen de Taliban en het verzet in Afghanistan te verslaan. Dit doet hij in een onopgesmukte reportagestijl die zo uit een dagblad lijkt te komen. De breuk met dit genre is de moord op een Zweedse cameraman. Van Amerongen voelt dan ‘louter aversie tegen alle strijdende partijen’. ‘Ondanks alle gruwelen (…) voelde niemand van ons zich nog langer verplicht als ooggetuige op te treden: een zeldzame breuk met het arbeidsethos’.

Voor de auteur is Brussel zijn laatste strohalm. ‘Een wonderlijk amalgaam van peepshows, peeskamers, frituren, kebabzaken (…) en illegale moskeeën. De islam woekert en gedijt hier, als een roos op een mestvaalt.’ Van Amerongen is het Midden-Oosten inmiddels ontvlucht, maar de moord op Theo van Gogh in november 2004 geeft hem weer een nieuwe impuls. ‘Nu kwam het [Midden-Oosten, MK] in de vorm van een Marokkaanse moslimextremist naar mij toe.’ Om te achterhalen waar de fundamentalisten vandaan komen, infiltreert de auteur als potentiële bekeerling in het netwerk van orthodoxe moslims. Dat betekent geheelonthouding, het bezoeken van lezingen en het leren van het rituele gebed. In zijn verslag verwerkt hij teksten uit gebedsboekjes om het zo waarheidsgetrouw mogelijk te maken. Zijn focus lijkt hier te liggen op het tonen van de dagelijkse islam. In plaats van de salafisten die sympathiseren met Bin Laden van stal te halen richt Van Amerongen zich op de dagelijkse routine, de dingen die in het politieke islamdebat niet eens een rol spelen. Aan bod komt bijvoorbeeld hoe belangrijk het is de miswaak, de ‘islamitische tandenstoker’, te gebruiken, sterker nog, hoe die miswaak in orthodoxe lezing een fundament is van het geloof. Ook schrijft van Amerongen over het verschil tussen ‘zwartenkousenseks’ (alleen voor voortplanting) en moslimseks (als het tussen gehuwden is: hoe meer, hoe beter met alle aandacht voor het vrouwelijk orgasme).

Van Amerongen blijkt echter niet in staat dit verrassende element vast te houden. De epiloog is van een soort die na 9/11 veelgehoord is: de islam is een ‘splijtzwam’ en Brussel heeft ‘getto’s vol moslims met middeleeuwse opvattingen die op geen enkele manier in contact staan met de Belgische samenleving’. Maar hij verschuilt zich niet achter deze conclusie. Tot op de laatste bladzijde blijft Van Amerongen eerlijk met dezelfde openhartigheid waarmee hij zijn verslavingen en falen uit de doeken deed. Zijn laatste strohalm, Brussel, moet hij laten glippen en opnieuw maakt hij zichzelf verwijten. ‘Ik ben veroordeeld tot een levenslange zoektocht naar mijzelf.’

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.