Henk de Jonghe
Koppenbergblues
(2008)
Houtekiet
189 pagina's
€ 17,50
ISBN 9789052409955
Steun Recensieweb en koop dit boek bij Athenaeum (24-uurslevering)
oordeel
andere recensies
Sympathiek boek van een zondagschrijver
door Erik de Bruin, 21 oktober 2008
Bij de Antwerpse uitgeverij Houtekiet is onlangs de eerste roman van Herman de Jonghe (1941) verschenen getiteld Koppenbergblues. De achterflap van het boek vermeldt dat de Jonghe in Leuven fysica studeerde, dat hij leraar was en schooldirecteur. Verder – zo staat er gewichtig – schrijft hij avondvullende stukken en korte dramatische stukken voor theater. Titels, gezelschappen of spelers worden daarbij niet vermeld, wat doet vermoeden dat we hier te doen hebben met een zondagschrijver, een literaire hobbyist die – gezien zijn geboortejaar – ook op zijn voormalige werkdagen tijd heeft om de pen ter hand te nemen.
Ik kan er niets aan doen, maar ik heb een zwak voor schrijvers als De Jonghe, die louter voor hun eigen plezier, tegen alle regels van de goede smaak in, boeken schrijven. Het is dan ook moedig dat er een uitgeverij bereid is geweest Koppenbergblues als literatuur (daarop wijst het nur-cijfer 301; ‘literaire roman, novelle’) op de markt te brengen. Er is vanuit literair oogpunt het een en ander mis met het boek van De Jonghe:een gezochte verteltechniek, ongeloofwaardigheid van de personages, onbeholpen stijl. Koppenbergblues is duidelijk niet bedoeld als highbrow literatuur.
Eén voorbeeld dan van een onbeholpenheid. Iedereen die een boek schrijft weet dat er één leesteken bestaat dat te allen tijde vermeden dient te worden: het uitroepteken. Slechts bij zeer hoge uitzondering kan het worden toegepast, en dan met schaamte. Deze ongeschreven regel maakt deel uit van het collectieve schrijversbewustzijn. Je weet dat als je hem gebruikt je een groot risico loopt om uitgelachen te worden. Soms zou je het wel willen, omdat het alles zo veel makkelijker zou maken. Zo veel duidelijker ook. Maar een echte schrijver weet zich te beheersen. Hij steekt een sigaret op, tuurt een tijdje door het raam of maakt een wandeling. Hij ziet er vanaf en weet dat het beter is zonder. Zo niet Herman de Jonghe. Het is juist dit ene leesteken dat in Koppenbergblues in al zijn ongenaakbaarheid floreert, soms zes of zeven exemplaren per pagina.
Beter kunnen we het hebben over de inhoud van Koppenbergblues. Bert, Hugo, Patrick, Alex, Dorien (de vrouw van Bert) en Moniek (de vrouw van Hugo) maken een wielertocht door Vlaanderen, waarbij de dames – zo hoort dat nu eenmaal – de volgwagen bestieren en de mannen van koek en zopie voorzien. Er heersen wat onderlinge spanningen en frustraties, zo blijkt nadrukkelijk uit de monologues intérieurs waaruit de hoofdstukken van het boek zijn opgebouwd. Het voert te ver om hier uitgebreid op details in te gaan, maar een centraal thema is in ieder geval dat de heren een gezamenlijke lichamelijke fascinatie (geilheid) delen voor Dorien, de jonge, aantrekkelijke en naïeve vrouw van de buikige fabrieksdirecteur Bert. De enige die haar – vanzelfsprekend – niet kan uitstaan is Moniek, de bazige vrouw van Hugo. Zij kijkt neer op haar jongere medepassagier en reageert geprikkeld op iedere sigaret die Dorien opsteekt, maar als lezer hebben we Moniek allang door: ze is eigenlijk stikjaloers. Dan gebeurt er een ongeluk. Dorien en Moniek rijden in een moment van onoplettendheid iemand omver. Ze zijn geschokt, de auto is gedeukt, maar omwille van de goede sfeer besluit Moniek het slachtoffer – die later een ontsnapte gevangene blijkt te zijn – aan zijn lot over te laten en door te rijden. Uiteindelijk raakt die sfeer natuurlijk toch verziekt en gaat de wielergroep ten onder, wat door De Jonghe tot een hoogtepunt wordt gebracht in het fietsongeluk van de heren, die in een demarrage tegen een overstekende vrouw opbotsen, met alle gevolgen van dien.
Je zou denken: mooi, het boek loopt op een passende manier slecht af, het dramatisch hoogtepunt is bereikt, niets meer aan doen. Zo niet De Jonghe. Koppenbergblues eindigt met een scène waarin Patrick enige weken na de fietstocht probeert zelfmoord te plegen door op de bewuste Koppenberg met zijn dure auto tegen een boom te rijden. Dat mislukt omdat juist op het moment dat hij doorschakelt een afdalende wielrenner opduikt voor wie hij uitwijkt. Zo onverwacht als de fietser opduikt, zo duikt ook het laatste hoofdstuk op. Er is geen enkele logica tussen de zelfmoordpoging en de voorgaande hoofdstukken, en dat maakt het literaire hobbyproject van De Jonghe compleet.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



