Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Nut en geluk zijn niet voor iedereen synoniem

door Terry Wesenhagen, 22 oktober 2008

(Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury)
De mens heeft altijd al naar geluk gestreefd. Dit is op zichzelf niets verbazingwekkends en het is over het algemeen niet schadelijk. Het feit dat over het algemeen ‘geluk’ en ‘nut’ wel erg dicht bij elkaar liggen zou dit wél kunnen zijn. Immers, vanuit maatschappelijk oogpunt verdienen nuttige mensen over het algemeen het meest, en men heeft de neiging om de meest welvarende mensen als het gelukkigst te zien. Het pragmatisme en het utilitarisme zijn twee filosofische scholen die zich tegen het idee verzetten dat geld de mens gelukkig maakt. Volgens het utilitarisme zou een mens niet nuttig hoeven te zijn om zich gelukkig te voelen. Verder behoren alle mensen te streven naar het grootste geluk voor allen, en moet het lijden van de mensheid in het algemeen minimaal zijn. Het pragmatisme geeft hier een antirationalistische wending aan, door te benadrukken dat het in de wetenschap alleen zou moeten gaan om aantoonbare feiten.

Peter Venmans, voornamelijk bekend van De ontdekking van de wereld, een essay over Hannah Arendt waarmee hij in 2007 de Literatuurprijs van Vlaams-Brabant binnensleepte, bespreekt de ideologieën en verscheidene varianten van twee scholen in zijn boek Over de zin van nut; een filosofisch essay. Hij begint bij het oorspronkelijke idee van Jeremy Bentham (1748-1832), grondlegger van het utilitarisme. Hij behandelt onder meer Benthams ‘opvolger’ John Stuart Mill (1806-1873), en de pragmatische William James (1842-1910) en Charles Sanders Peirce (1839-1914). De auteur sluit af met John Dewey’s (1859-1952) instrumentalistische variant van het pragmatisme, en de heropleving van het pragmatisme aan de hand van de invloedrijke Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007). Behalve de klassieke utilitaristen en pragmatici komen bij Venmans ook hedendaagse denkers aan bod, zoals onder anderen de Britse econoom Richard Layard en de Australisch filosoof en hoogleraar bio-ethiek aan Princeton, Peter Singer.

Van al deze academici geeft de auteur kort hun levensloop en uitgebreid hun filosofische visie weer. Ook zet Venmans uiteen in hoeverre hij zich kan vinden in hun ideologie en geeft hij een indicatie van de relevantie van het werk van de behandelde filosofen voor hedendaagse maatschappelijke vraagstukken. Opmerkelijk is Venmans’ haat-liefdeverhouding met het utilitarisme en het pragmatisme. Hoewel het meer dan duidelijk is dat hij sympathiseert met het nutsdenken, zoals hij deze stromingen aanduidt, schroomt hij er niet voor om kritiek te leveren. Zijn beschrijving van de technisch-utopistische David Pearce, die van mening is dat al het leed uit de wereld geholpen moet worden met behulp van super-drugs, is vrij kritisch. Venmans noemt hem een ultra-utilitarist, en spiegelt hem met Robert Nozick en Aldous Huxley, de een bekend van Anarchy, State and Utopia (1974), waarin hij beredeneert dat constante gelukkigheid onwenselijk is, de ander bekend van Brave New World, waarin een beroep wordt gedaan op het recht om ongelukkig te zijn.

De stijl waarin deze filosofische inleiding – want meer is het eigenlijk niet – is geschreven, heeft weinig schwung en munt niet uit in zeggingskracht. Venmans’ droge manier van formuleren, zonder pogingen tot mooischrijverij of glossy-achtige versimpelingen, heeft echter als voordeel dat zijn informatie op een uiterst heldere manier overkomt.Ook de structuur van het boek waarin de diverse filosofische scholen duidelijk worden onderscheiden en toegelicht, draagt bij tot die helderheid. Van de al te beknopte bronvermeldingen kan dat helaas niet worden gezegd: citaten uit de door de auteur aangehaalde primaire teksten zijn daardoor nauwelijks op te zoeken. Weliswaar geeft de auteur te kennen dat hij, ter bevordering van de leesbaarheid, bewust voor een beperkte annotatie heeft gekozen, maar het komt de controleerbaarheid van zijn uiteenzetting niet ten goede.

Hoewel de gebrekkige bronvermelding enigszins afdoet aan de kwaliteit van deze filosofische uiteenzetting – wetenschap veronderstelt immers controleerbaarheid – is Over de zin van nut; een filosofisch essay een geslaagde poging tot verantwoorde popularisering van wijsgerig denken. Het is dan ook aan te bevelen voor iedereen die, niet gehinderd door academisch jargon, zijn filosofische kennis van het utilitarisme en het pragmatisme wil bijspijkeren.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.