Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Van boerenknecht tot literair auteur

door Tessa van der Gaag, 12 december 2008

Het was pure nieuwsgierigheid die VRT-journalist Louis van Dievel (1953) heeft aangezet tot het schrijven van zijn boek Een Familiegeschiedenis. Tijdens de presentatie van Van Dievels vorige roman, het voor de Libris Literatuurprijs genomineerde De Pruimelaarstraat (2006), kwam de Vlaming in aanraking met tientallen hem onbekende familieleden. Hij vond die ‘familiale omsingeling’ naar eigen zeggen ‘redelijk amusant’. Toen hij niet veel later een brief ontving van ‘ene mijnheer Verschaeve’ die hem vertelde dat hij Van Dievels oom en tante tijdens de Tweede Wereldoorlog onderdak had verschaft, was de schrijver ‘verloren’.

De totstandkoming van zijn nieuwe boek waarin hij onderzoek doet naar de wortels van zijn familie had dus niets te maken met enige uitzonderlijkheid van de familie Van Dievel. Het was er niet één van uitblinkers en helden. Maar bijzonder of niet, een goed schrijver kan er wel wat van maken, bewijst Een Familiegeschiedenis.

Net als in De Pruimelaarstraat, waarin een reeks lustmoorden in de jaren zeventig wordt beschreven die de bewoners van het Vlaamse dorp Bonheiden opschrikte, zijn in Van Dievels nieuwe boek feiten en fictie met elkaar verstrengeld.

Een Familiegeschiedenis bestaat namelijk uit drie delen. Het eerste deel bevat, zoals de ondertitel suggereert, grotendeels verzonnen verhalen. Anders dan bij bekende familiegeschiedenissen zoals het non-fictieve De Eeuw Van Mijn Vader van Geert Mak, staat in dit deel van Van Dievels familiegeschiedenis een waarheidsgetrouwe weergave niet voorop; de namen van de familieleden kloppen, maar de rest is voornamelijk fictie. Deel twee van het boek is daarentegen een hoofdzakelijk waarheidsgetrouwe uiteenzetting van de familiegeschiedenis, gebaseerd op documenten en getuigenverslagen die bijgehouden werden vanaf de helft van de negentiende eeuw. In het laatste deel krijgt de journalist in Van Dievel de overhand. Voor het vergaren van de legendes die door de eeuwen heen de ronde hebben gedaan in Bonheiden is de schrijver dagenlang in de kroegen in het dorp gaan zitten om te praten met de bewoners.

De gefabuleerde familiegeschiedenis begint in de zestiende eeuw, bij Petrus van Dievelt, want, zo zegt de schrijver ‘iemand moet de eerste zijn’, en loopt tot in de negentiende eeuw. Deze drie eeuwen lang bestaat de familie uit boerenknechten in Bonheiden, ‘het dorp waarmee de Van Dievels vergroeid zijn’. Het is bij deze boerenknechten thuis armoe troef, en hun levens waren ook gewoon een aaneenschakelijking van seks, geboortes en sterfgevallen. Met dat uitgangspunt weet Van Dievel, die niets meer dan hun namen had, ze toch te beschrijven of hij er al die eeuwen met zijn neus bovenop heeft gestaan.

En net als de meeste andere families in deze tijden bleef ook de familie Van Dievel de gruwelen niet bespaard die de veelvuldige oorlogen met zich meebrachten. De eerste oorlog in het boek gaat tussen de Staatsen uit Holland die op dat moment Mechelen in handen hebben, en de Spanjaarden, die de stad willen innemen. Dat is nog maar het eerste conflict dat in die landstreken uitgevochten werd. Waarom soldaten uit alle hoeken van Europa in Bonheiden kwamen vechten? Volgens Van Dievel moet dat het noodlot geweest zijn. En altijd zijn het de boeren die er het meest onder te lijden hebben. Ze worden uitgeperst, verminkt, verkracht of afgeslacht in de oorlog. De scherpe opmerking van Van Dievel dat hij zich ‘kan inbeelden’ dat de oorlog de lezer ‘inmiddels de strot uithangt’, is treffend, maar het weerhoudt hem er niet van de gruwelen uitgebreid uit de doeken te doen.

Gelukkig is Van Dievels stijl geestig en luchtig. Zelfs de smerigste passages zijn hilarisch beschreven. Dit neemt overigens de smerigheid niet weg. Als Adriaen van Dievel in de zeventiende eeuw door de Fransen wordt neergeschoten, weet je als lezer niet of je moet schateren of braken. ‘“Pier. Het is ermee gedaan. Ze hebben mijn kloten eraf geschoten. Kijk maar.” Maar Pier had geen behoefte aan een nader onderzoek van het bloederige kruis.’

De verandering van het boek van een fantasievolle familiekroniek in literaire non-fictie volgt op een verandering in de familiegeschiedenis. Ludoviek van Dievel (1838-1883) is de allereerste die, door boven zijn stand te trouwen, opklimt van boerenknecht tot herenboer. Sinds dat moment zijn er veel meer documenten beschikbaar over het leven van de Van Dievels. Bovendien zijn er vanaf de twintigste eeuw redelijk betrouwbare verhalen die van vader op zoon of dochter zijn doorverteld.

De humor die zo typerend is voor het eerste deel van het boek valt enigszins weg nu Van Dievels verbeeldingskracht verloren gaat in de journalistieke drang zich, nu het mogelijk is, op feiten te baseren, maar het verhaal blijft wel boeien. De auteur is er overduidelijk niet op uit voor de eer van zijn familie te schrijven. Zo deinst hij er niet voor terug zijn opa Sander van Dievel aan een kritische blik te onderwerpen als hij zich afvraagt wat die afwist van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

‘Alleen een blinde kan niet gezien hebben wie in SS-Sammellager Mecheln binnen werd gebracht en dan weer vertrok om nooit meer terug te komen. Men hoeft er het fijne niet van geweten te hebben om te beseffen dat het niet pluis was, denk ik dan. Maar waren de joden de zorg van de boeren? Ik durf het te betwijfelen.’

Na dit kritische gedeelte sluit Van Dievel geheel in stijl af met een geestig slotdeel vol verhalen die tussen de zestiende en twintigste eeuw in Bonheiden de ronde deden. Het is een passend einde van een scherp, humoristisch boek.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.