Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Joris Note verzet zich tegen kuddegedrag

door Mieke van Zonneveld, 10 oktober 2009

Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury

In zijn nieuwe roman Tegen het einde schetst Joris Note het verhaal van Maurits Loterman, een leraar geschiedenis die tegen de stroom in denkt en ook zo wenst te handelen. Dit tegen de zin van diens omgeving: vanwege controversiële uitspraken over de Franse revolutie verliest Loterman zijn eerste baan. Hierop volgt een periode van werkeloosheid, waarin hij veel leest over de Franse revolutie en in de historische staatsman Robespierre een zielsverwant begint te herkennen. Later ontmoet hij de vrouw met wie hij zal trouwen – de enige mens met wie hij zich echt verbonden voelt. Maar dan sterft ze en Loterman staat op een tweesprong: of hij gooit het bijltje erbij neer, of hij probeert iets op te bouwen uit niets. Een ding is zeker: hij wil vasthouden aan zijn ideaal, een socialistische vorm van liefde. Om dit te bereiken is het nodig tegendraads te durven zijn. In navolging van Robespierre streeft Loterman naar een revolutie – niet van het volk, maar van de taal.

De Vlaming Joris Note (1949) debuteerde in 1992 met de roman De tinnen soldaat. Daarop volgden twee verhalenbundels: Het uur van de ongehoorzaamheid (1995) en Kindergezang (1999). Zowel met Kindergezang als met de roman Hoe ik mijn horloge stuksloeg (2006) haalde hij de toplijst van de AKO Literatuurprijs. Daarbij werd Note onder andere geprezen om zijn scherpe taal- en maatschappijkritiek. In Tegen het einde komen deze thema’s opnieuw aan bod. Het verhaal kan gelezen worden als een pleidooi voor een taalrevolutie. De massa herhaalt gedachteloos zinnen van anderen, vergeet zelf na te denken, wordt geboren in de taal en is gedwongen zich te bedienen van bestaande woorden. Dit zou niet zou erg zijn, ware het niet dat de taal een wapen is van de hogere klassen, aldus Note in zijn boek.

Op zichzelf zijn de ideeën van de auteur niet nieuw. Hij verwijst expliciet naar denkers op wie hij zich baseert, bijvoorbeeld de Franse filosoof Roland Barthes. Hierdoor doet de roman af en toe wat essayistisch aan, maar dat lijkt precies de bedoeling. Note wil dat de lezer zich bewust wordt van het kuddegedrag van de mens: ‘Gij zult meedoen: gij zult verhalen. Wat geen verhaal is kan niet waar zijn’, lijkt in onze samenleving de gangbare opinie. Juist daarom wil Note geen gewoon verhaal schrijven.

Tegen het einde is een pleidooi voor een socialistische samenleving waarin ieder zich bedient van een eigen, dat wil zeggen weldoordachte, taal. Het verhaal roept associaties op met een manifest, het is een kritiek op het hedendaagse denken, een poging los te komen uit het gevestigde regime, niet door zich aan de taal te ontworstelen – want dat gaat niet – maar wel door die taal te vervormen tot een taal van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Het is een bijzonder knappe prestatie een roman te schrijven ‘voor en over de taal’ maar ‘niet helemaal erin.’ Literatuur buiten de taal om lijkt ondenkbaar, maar Note maakt het mogelijk door een verrassend onderscheid te maken: ‘De taal is er slecht aan toe,’ constateert Loterman en meteen daarop vraagt hij zich af: ‘waar is mijn taal?’ Het verschil tussen ‘de’ en ‘mijn’, daar gaat het om in het boek. ‘De taal’ behoort aan de massa, maar ‘mijn taal’ is het wapen dat de kudde bestrijdt. Een wapen van liefde, zo blijkt uit de tederheid waarmee Loterman zich tot de taal richt: ‘Vernielde en verdwenen taal, gemiste taal. Vertrapte en verduisterde taal. Geliefde in de taal, geliefde taal, al mijn liefde via de taal.’

Note heeft zijn taalrevolutie fraai geďllustreerd met de vorm van zijn roman, die verre van conventioneel is. Korte verhalende passages worden onderbroken door lange ‘geschiedenislessen’ en bespiegelingen over de stand van de maatschappij. Clichés en spreekwoorden worden een tikkeltje verdraaid, zinnen lopen in elkaar over, werkwoordstijden worden op de hak genomen. Er wordt geen trots gestreeld, maar ijdelheid geknuffeld, en als iemand hem zegt dat hij geluk heeft gehad, denkt Loterman: ‘Ik heb geluk gehad, ik had geluk, ik zou geluk gehad hebben […] maar heb ik nú nog geluk, ben ik wel gelukkig, en ben ik zo blij als ik moet zijn?’ Zo sleutelt Joris Note aan de taal en ontmaskert hij gangbare ideeën als allerminst vanzelfsprekend. Tegen het einde is een roman die vervreemdend en verhelderend tegelijk werkt – als lezer betrap je jezelf meerdere malen op een instemmend knikken.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.