Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Schobbejakken en kermisklanten

door Marieke Aantjes, 20 oktober 2009

Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury

In zijn nieuwe roman Suikerspin bespreekt Erik Vlaminck de duistere geschiedenis van de kermisfamilie Van Hooylandt, van de eerste generatie ‘forains’ (kermisvolk) eind negentiende eeuw, tot de kleinkinderen ruim een eeuw later. Vlaminck (1954, Kapellen, België) weet direct aan het begin, al in de proloog, je liefde te winnen voor het ‘phénomène extraordinaie’, de siamese tweeling Joséphine en Anastasie, waarvan alleen Joséphine goed aanspreekbaar en ontwikkeld is.

In die proloog, wanneer de kermis in haar woonplaats is, schrijft Joséphine een ansichtkaart aan een bekende waarin ze aangeeft graag de kermis eens te zien. Deze onschuldige kinderwens zal te snel en te heftig ingewilligd worden. De tweeling valt in de handen van de ‘schobbejakken van geboorte’ Jean-Baptiste van Hooylandt en zijn handlanger en worden tentoongesteld in hun van kermis naar kermis reizende rariteitenkabinet. Vlaminck beschrijft nauwkeurig de angsten, de dromen en het onbegrip van Joséphine. Je voelt mee als ze voor het eerst hun eigen aankondiging horen in het rariteitenkabinet: ‘Hun misvorming is zekerlijk een gevolg van de drankzucht van hun verdorven ouders.´

Suikerspin vertelt de familiegeschiedenis van de vier generaties Van Hooylandt. Het kermisbloed stroomt hen door de aderen; het wordt overgegeven van Jean-Baptiste naar Albert, naar Arthur en uiteindelijk naar Tony. Vlaminck laat treffend zien dat in alle generaties de liefde voor de kermis weliswaar terug te vinden is, maar de wereld van de kermis ook onmiskenbaar is veranderd: van een wereld vol rariteiten en bijzondere gebeurtenissen, naar een wereld van verveelde kinderen en botsauto’s. De roman onthult stap voor stap, bladzijde voor bladzijde, de duistere geschiedenis van Jean-Baptiste, Alberts liefde voor de draaimolen, Arthurs verbittering en boosheid en de uiteindelijke keuze van Tony voor de kermis. Het verhaal begint met die duistere geschiedenis van Jean-Baptiste, zijn onvermogen om menselijk om te gaan met zijn ‘rariteiten’, dat zelfs drie generaties later nog uitwerkingen heeft op de levens.

Het boek heeft twee verhaallijnen: enerzijds de lotgevallen van Jean-Baptiste die alles doet om zijn rariteitenkabinet draaiende te houden en er niet voor terugdeinst om zelfs zijn eigen zwakzinnige broer daarvoor te mishandelen. Anderzijds weidt Vlaminck uit over het leven van Arthur, ruim een eeuw later. Hij toont Arhtur als een verbitterde oude man en diens zoon Tony als een ‘gevoelige jongen’, zoals zijn vader hem met lichte irritatie in zijn stem vaak omschrijft. Arthur probeert een oplossing te bedenken voor zijn ‘gesukkel’ om de kermiskraam, een erfstuk, weer draaiende te krijgen. Terwijl hij druk bezig is met staren naar zijn lege kraam, krijgt hij bezoek van een schrijver die graag meer wil weten over zijn grootvader Jean-Baptiste van Hooylandt en de mysterieuze dood van de siamese tweeling. Deze recente gebeurtenis én de sores om geld zorgen ervoor dat Arthur stilletjes aan doordraait. Tussen de donkere scènes in, waarin Arthur afgeeft op alles wat hem in zijn huidige situatie niet zint, keert hij terug naar het verleden en komt zo steeds meer te weten over zijn harteloze grootvader.

De twee elkaar afwisselende verhaallijnen vullen elkaar perfect aan. Het verhaal van Arthur van Hooylandt kan niet bestaan zonder dat van Jean-Baptiste van Hooylandt. Vlaminck slingert je heen en weer; je wordt van de kermis met rariteitenkabinetten in de kermis met botsauto’s en verveelde kinderen geparachuteerd. De auteur weet ieder personage een eigen idioom mee te geven. De oud-Vlaamse manier van praten van Jean-Baptiste, de norse uitdrukkingswijze van een oudere Belgische man die praktisch ieder relaas afsluit met ‘ik zeg het gelijk het is en ik ga voor niemand opzij’ en zijn zoon die schoolmeester is en in vergelijking met zijn (overgroot)vader ontzettend netjes praat.

Die wonderbaarlijke kermiswereld waarin Jean-Baptiste fortuin maakte doet direct denken aan het boekenweekgeschenk van 2006, De grote wereld van Arthur Japin, waarin kermissen met rariteitenkabinetten ook uitvoerig zijn beschreven. Het is een onderwerp dat aanspreekt; de mysterieuze rariteitenkabinetten en de harde wereld die er achter schuil ging, geven een spannende achtergrond voor het verhaal. De passages die zich aan het einde van de negentiende eeuw afspelen, intrigeren dan ook het meest: rariteitenkabinetten, vrouwen met baarden, olifanten met een slangenmens op de rug; de botsauto’s die zich na 1960 hebben aangediend doen toch minder mysterieus aan. Dat is ook de reden dat je sommige stukken van het boek sneller wilt lezen, om uiteindelijk weer terug te kunnen naar de tijd van het ‘phénomène extraordinaire’. Het verhaal van de Siamese tweeling is aangrijpend, dat van de verbitterde kermisman aan het begin van de eenentwintigste eeuw maakt minder emoties los.

Suikerspin is een ‘livre extraordinaire’, zoals de siamese tweeling een buitengewoon fenomeen is. Het verhaal plaatst je midden in de levens van de Van Hooylandts en laat je meevoelen met de personages. Je hoort het grommen van Jean-Baptiste, voelt de ellende van de de slimme Joséphine die zich probeert af te sluiten van de wereld en van de arme Anastasie die onophoudelijk met haar hoofd tegen het hout slaat. Je dwaalt rond op de mysterieuze en donkere kermis aan het eind van de negentiende eeuw om af en toe een sprong van honderd jaar vooruit te maken waarin je de zorgen van de huidige forains deelt. En dat alles is prachtig verwoord door de eigen taal van de bepaald niet alledaagse personages.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.