Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Verwanten in eenzaamheid

door Joris van der Meer, 6 december 2009

De romans van Thomas Rosenboom kenmerken zich door de immer aanwezige eenzaamheid. Zijn personages schreeuwen om aandacht en erkenning – de een doet dit in stilte, de ander werpt zich wanhopig voor het voetlicht. In Zoete Mond laat Rosenboom deze twee uitersten schitteren in een prachtig verhaal.

‘Hij was op één enkele dag naar Angelen verhuisd, maar er heel geleidelijk verschenen. De kinderen hadden hem als eerste opgemerkt. Ze zagen hem op alle tijden van de dag naar buiten komen, rondlopen, en weer naar binnen gaan, altijd alleen. Nog steeds hing er geen naamplaatje naast de deur, maar zelfs de dapperste durfde niet te vragen hoe hij heette. In het begin vroegen ze zich ook af waarom hij geen vrouw en kinderen had en niet naar zijn werk ging. Later wenden ze eraan, vergaten ze het, zoals hij zichzelf ook vergeten was.’

Dorpsgenoten Rebert van Buyten en Jan de Loper lijken op elkaar. Beiden tot de rand gevuld met eenzaamheid banen ze zich een weg door het leven. Maar hun roep om aandacht verschilt nogal. Waar Jan de Loper, zeker in de ogen van Rebert, de gęne ver voorbij is met zijn opdringerige grappenmakerij, durft Rebert bijna niks van zichzelf bloot te geven.

Ze ontmoeten elkaar in het dorp Angelen, een roerloos dorp langs de Rijn, in de jaren zestig. Rebert is uit Arnhem gevlucht nadat hij twee jaar de dood van zijn vrouw – die bij een auto-ongeluk is overleden – heeft getracht te verwerken. Het mag een klein wonder heten dat de enigszins contactgestoorde Rebert überhaupt ooit een vrouw heeft gevonden na zijn volstrekt geďsoleerde studententijd. Het verdriet dat op haar overlijden volgt is voor Rebert ‘allesversmorend’.

‘Het leven omringde hem als een fout, wezensvreemd fluďdum. Alleen de tijd al deed hem pijn, en hij kwam er nauwelijks tegenin. Hij was een zeevis in zoetwater.’

Rebert geeft zijn redelijk succesvolle carričre als dierenarts eraan en hij trekt zich terug in het perifere Angelen. Hier krijgt Rebert een herkansing om dynamiek in het leven te vinden. Via de kinderen van het dorp, met wie Rebert een speciale band krijgt nadat hij een operatie verricht bij een aangereden hond, dient zich een vrouw aan. Een getrouwde vrouw welteverstaan, maar deze Laura is toch de reden voor Rebert om zich nogmaals naar het leven op te richten. Hij moet zich blootgeven om een kans te maken. Hij vertelt haar over zijn zeer succesvolle commercial die in de Verenigde Staten draait. En zelfs zijn geheim van stroomopwekkende boeien op zee verklapt hij haar. Maar hij krijgt haar niet voor zichzelf. Hij moet haar delen met haar man die gelukkig meestal op zee is, maar erger nog: hij moet haar voor zijn gevoel ook nog delen met de oude Jan de Loper.

Deze buitenissige edelman heeft als de lokale grappenmaker een zekere faam opgebouwd met allerlei optredens in de lokale kranten. Het is echter faam van weleer en de tijd dringt hem steeds verder in de vergetelheid. Laura heeft medelijden met de man en is, tot grote ergernis van Rebert, steeds weer enthousiast als Jan de Loper zich naar buiten begeeft om met zijn schelmenstreken de mensen aan het lachen te maken. Als hij samen met bakkerszoon Donald Duk – ’zijn naam was een feestneus die niet afkon’ – een zelfgenaaid zebrapadkleed door de hoofdstraat uitrolt om daarmee de auto’s tot stilstand te brengen, heeft dit enig succes. Wanneer hij dit in de grote stad Arnhem probeert, mislukt dit door de drukte en het ingrijpen van een diender. Het typeert de teloorgang van iemand die genoten heeft van heel veel aandacht. In zijn nadagen moet hij zich tevreden stellen met een enkeling die hem ontwaart in de berm, verkleed als Da Vinci met een half geschilderde nep-Mona Lisa op zijn ezel. Gewoon om de mensen aan het lachen te maken en hem misschien een reden voor zijn bestaan te geven.

Rebert kan de schaamteloze ijdelheid van Jan de Loper niet aan. Hij verbijt zich bij hun ontmoetingen, ondanks dat de edelman overduidelijk erkenning zoekt bij Rebert. Het hele boek werkt naar een finale toe waarin iets onvermijdelijks moet plaatsvinden tussen deze twee incarnaties van eenzaamheid. Jan de Lopers flauwigheden doen de lezer sympathie voor de man verliezen, waardoor de steun van de lezer meer naar de gewezen dierenarts neigt uit te gaan. Diens karakter heeft echter ook minder beminnelijke trekken. Zijn weigering om zich kwetsbaar op te stellen en zich bloot te geven, werkt uiteindelijk ook op de zenuwen.

De beide mannen zijn in wezen goed. Hun goedheid laat zich alleen niet duidelijk zien door hun angst voor afwijzing. Het zijn herkenbare figuren geworden. Hun eenzaamheid is die van ons allemaal. Daarom is dit fantastische boek er ook een om door ons allemaal gelezen te worden. En als we de mannen beoordelen (en dat doen we) beoordelen we daarmee onszelf.

Na Gewassen Vlees (1994) en Publieke Werken (1999) is dit het beste boek van Rosenboom tot nog toe. Zoete Mond is zo nu en dan een dromerige roman. Rosenboom brengt de zieleroerselen van de twee hoofdfiguren fraai tot leven tegen een achtergrond van veranderingen op het platteland dat door de technische vooruitgang langzaam minder geďsoleerd raakt. Enig minpunt aan Zoete Mond is dat het de vaste lezersschare van Rosenboom thematisch nauwelijks verrast. In zekere zin kenden we Rebert en Jan de Loper al. Hun strijd is echter opnieuw even fascinerend als tragisch. De pen van Rosenboom is zo meeslepend en vaardig dat weinigen in Nederland zich daarmee kunnen meten. Hij is ontegenzeggelijk een van de beste schrijvers van dit land en ook op die hoogte is het eenzaam.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.