Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Chicklit met opvliegers geeft matige ‘menolit’

door Phaedra Onclin, 30 december 2009

In chicklitland zijn alle Bridget Jones-achtige dertigers inmiddels getrouwd met hun robuuste doch gevoelige Mr. Darcy’s. Nu hun levensdoel is bereikt en de prins op het witte paard naar binnen is gemanoeuvreerd, lijkt het genre gedoemd om door te keutelen met slappe aftreksels van voorgaande werken. Wat valt er immers nog toe te voegen aan de alom bekende plot? Gelukkig heeft Willemijn Dicke (1970) met haar debuut Mea (2009) kans gezien om de succesformule nog eens uit te melken door met een variant te komen (de ‘menolit’) waarin de heldinnen van weleer lijden onder de ongemakken van de menopauze.

Mea is de debuutroman van Willemijn Dicke, universitair hoofddocent Bestuurskunde aan de TU Delft. Naast haar academisch werk houdt Dicke al jarenlang een veelgelezen weblog bij over haar gezin en werk, dat wordt geprezen om zijn humoristische beschrijvingen van het dagelijks leven. Vooral haar werk is als autobiografisch element terug te vinden in Mea.

Ook het romanpersonage Mea van Os is universitair hoofddocent, Politicologie in plaats van Bestuurskunde en niet in Delft maar in Rotterdam; de verschillen zijn minimaal. Geteisterd door opvliegers, extra kilo’s en een heel scala aan ouderdomskwaaltjes probeert Mea zich (met behulp van de nodige flessen wijn) staande te houden in de door mannen gedomineerde academische wereld. Om haar status als alfavrouwtje te behouden maakt zij dankbaar gebruik van haar vroegere reputatie van congrestijger die niet te beroerd was om de behoeftige academici van vrijblijvende seks te voorzien. Op het gebied van haar carrière is Mea allang niet meer zo ambitieus als vroeger en ze recyclet alleen nog maar oude onderzoeken. Tussendoor worstelt ze ook nog met de relatie met haar moeder en dochter.

Als Mea wordt genomineerd voor een stimuleringsprijs voor vrouwelijke hoofddocenten met het doel hen professorabel te laten worden, lijkt haar carrière een nieuwe impuls te krijgen. Ook haar roerige liefdesleven begint weer wat vaste vorm aan te nemen, dankzij een affaire met de Maastrichtse professor Mark. Sinds lange tijd is Mea weer redelijk tevreden met haar leven. Dit verandert echter weer radicaal als haar dertigjarige dochter plotseling wordt opgenomen in het ziekenhuis. Ondanks een gebrek aan verzorgingsdrang biedt Mea aan om op haar kleinzoon te passen en haar eigen leven weer drastisch op zijn kop te zetten.

Als hoofdpersoon is Mea natuurlijk dominant aanwezig in de roman, maar dat is hier geen positief punt. De eerste helft van het boek is vooral gewijd aan uitgebreide, louter negatieve beschrijvingen van Mea’s ouderdomsverschijnselen: ‘Ze draait zich weer terug en spreidt haar benen licht. Als ze haar heupen kantelt, ziet ze tussen het grijze schaamhaar haar dikke paarse schaamlippen, als lellen van een bejaarde kalkoen.’

Tegenover zoveel zelfwalging staan de talloze referenties aan andere personen (voornamelijk mannelijke collega’s), die Mea net zo of nog walgelijker vindt. Niettemin blijft zij joviaal omgaan met haar collega’s en mijmeren over hun gedeelde verledens. Vooral opmerkingen over vroegere seksuele escapades leveren tenenkrommende zinnen op: ‘En als Yasco en de gorillaprofessor toosten, hebben ze meer gemeen dan ze denken: hun beider zaad vermengd in haar schoot.’ Humoristisch bedoelde benamingen zoals ‘de gorillaprofessor’, ‘het gansje’ en ‘die Clearasil-kop’ zorgen ervoor dat de opgevoerde personages eendimensionaal blijven. Ook Mea is – behalve de uitgebreide uiterlijke beschrijvingen – niet uitgewerkt tot een karakter dat meer kan oproepen dan onverschilligheid.

Dickes stijl past echter goed binnen het chicklit genre. Ze maakt gebruik van een overdosis aan details en het uiterlijk van werkelijk ieder personage – onafhankelijk van zijn of haar belang – wordt clichématig beschreven:

‘De president is een dikke Italiaan met een opzichtige stropdas, die scheef over zijn buik hangt. […] Hij ziet eruit alsof hij het liefst hele dag met Helmut Kohl en Derrick koeienmagen naar binnen werkt. Alles glimt aan hem: zijn manchetknopen, zijn kin waarop de jusspatten van de overvloedige maaltijd nog zichtbaar lijken, zijn ring en zijn gouden montuur.’

Voor deze details maakt Dicke gebruik van een constante stroom van bijvoeglijke naamwoorden en daarbij krijgt alles een negatieve connotatie. Verder wordt ieder minuscuul element in het boek compleet uitgelegd; nu eens in lange beschrijvingen dan weer in de door het boek verspreidde mailtjes naar bevriende vakgenoten. Ondanks alle uitleg heeft het boek echter soms nog wel iets verrassend. Mea’s avond met Mark (‘Dit is geluidloos vrijen onder de deken.’) gaat bijvoorbeeld abrupt over in een SM avontuur (‘“En deze past niet in de koffer,” zegt Mark, triomfantelijk knallend met een zweepje.’)

Ook als het gesprek minder fysiek gevoerd wordt, haperen de dialogen in Mea en halen ze de vaart uit het verhaal. Vooral Mea’s ruzies met haar dochter en gesprekken met haar moeder (‘Ma hier. Ik was vandaag bij de dokter, zoals je misschien nog weet.’) zijn uit het leven gegrepen, maar verlopen te traag om echt tot leven te komen. Als Dicke zich voor het einde er ook nog van af maakt met een stilistisch trucje en Mea in retrospectief laat terugkijken op de afhandeling van haar problemen, is de teleurstelling compleet.

Dickes roman voldoet met de onzinnige details, vele uiterlijkheden en de voorspelbare ontwikkelingen misschien aan de eisen van chicklit, maar haar debuut is te gebrekkig om voor literatuur door te gaan. Mea is ‘menolit’, een variant op de succesvolle en niet zelden ongeestige chicklit, maar geen hoogvlieger binnen dit genre – eerder een hinderlijke opvlieger.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.