Joost Zwagerman
Duel
(2010)
CPNB
96 pagina's
€ -
ISBN
oordeel
elders op recensieweb
Onsamenhangende wereldreis in essays
recensie van Transito
Pleidooi voor symbolische waarde
recensie van Duel
De strijd tussen concept en urgentie
recensie van Duel
96 pagina’s, en geen letter meer
recensie van Duel
Een middelmatige vader in een bovengemiddeld humoristische novelle
recensie van Tomaatsj
recensie van Duel
recensie van Gimmick!
Bescheiden, ingetogen, maar vooral sympathiek
recensie van De houdgreep
Seks is niet waardevrij, racisme is te simpel
recensie van De buitenvrouw
Bijtende liefde in een schaduwwereld
recensie van Vals licht
De grens tussen fictie en fictie
recensie van Chaos en rumoer
recensie van Zes sterren
recensie van Alles is gekleurd
andere recensies
NRC Handelsblad
NRC Leest
de Volkskrant
Trouw
Het Parool
Athenaeum.nl
Coen Peppelenbos
Nu.nl
Doorgeschoten ironie
door Karlijn de Winter, 5 maart 2010
Het verhaal gaat dat bezoekers van het New Yorkse Metropolitan eens op een serie zwarte objecten stuitten in allerlei ondefinieerbare vormen. Aandachtig namen ze de kunstwerken in zich op en lazen de bijschriften. Totdat iemand ontdekte dat hier een misverstand in het spel was: het ging om beeldhouwwerken die met zwarte doeken waren afgedekt als voorbereiding op een transport. De zaal was per vergissing geopend. Deze anekdote had niet misstaan in Zwagermans boekenweekgeschenk, waarin moderne kunst het onderwerp van spot is.
Of een voorwerp nu van aluminiumfolie of wc-papier is gemaakt: zet het in een museumzaal en het publiek ziet het aan voor moderne kunst. In plaats van ‘verwaarloosd huisvuil’, zoals Zwagermans verteller het snerend bestempelt, wordt het daar ineens een ‘installatie’. Duel laat een ‘Hollands Museum’ zien dat kritiekloos inspeelt op die trend. Achter de schermen gaat het personeel helemaal met zijn tijd mee. Er is nauwelijks nog een restaurateur die een penseelstreekje bij kan werken. De restaurateur van nu is een technicus die mechaniekjes oliet en bouten vervangt. Bij de tentoonstelling ‘Duel’, met werk van jonge spraakmakende kunstenaars, kijkt museumdirecteur en hoofdpersoon Verhooff lijdzaam toe, en verzucht slechts bij zichzelf:
‘Sinds het verdwijnen van de schotten tussen, uh, object en concept kon ‘alles’ kunst zijn (…) maar dat hoefde natuurlijk niet te betekenen dat alles ook kunst móést zijn… Te zien aan de doorgezaagde boomstammen, volgekalkte beddenlakens (…) en jutezakken met grind die nu over en in de zalen waren verspreid, waren de uitverkoren jongeren een andere mening toegedaan.’
De ironie, al overduidelijk in deze passage, gaat nog verder. Hij treft ook de spreker. De kunstkenners, hier vertegenwoordigd door de museumdirecteur, weten eigenlijk zelf ook niet meer waar het onderscheid ligt tussen ‘echte’ kunst en – ja, wat eigenlijk, nepkunst? Verhooff deed zelf schamper over de jonge garde, maar ondertussen heeft hij zich door één van hen – juist die ‘monnikachtige kopiiste’ die hij wel bewonderde vanwege haar ambachtelijke vertolking van Rothko’s Untitled No. 18 – in de luren laten leggen. Maanden duurde het voor hij erachter kwam dat in zijn depot niet de echte Rothko, maar haar kopie was achtergebleven. En hij had het niet eens zelf ontdekt, maar zijn restaurateur Herman Olde Husink, de enige van de restauratie-afdeling (van het hele museum waarschijnlijk) die nog wel iets van schilderkunst af weet.
Verhooff raakt nog meer in verwarring wanneer blijkt dat de echte Rothko al maanden door scholen, gevangenissen en bejaardentehuizen in heel Europa tourt. Duel is hier op zijn scherpst. Welke houding moet de museumdirecteur aannemen tegenover dit eigenzinnige ‘kunstproject’? Moet hij de kunstenares Emma Duiker aangeven voor diefstal? Of moet hij sympathie (blijven) koesteren voor haar werk, omdat het laat zien wat ‘echte’ kunst werkelijk vermag? De kunst is uit zijn vertrouwde context van museumzaal gehaald en opeens weet de kenner niet meer wat hij daarvan moet denken. Verhooffs reddeloosheid is tegelijk schrijnend en vermakelijk:
‘Ondanks alles schoot Verhooff in de lach. “Een jeugdgevangenis? Rothko als blikvanger om crimineeltjes te troosten?” Terwijl hij het zei, verging het lachen hem en zag hij beelden voor zich van ontremde pubers die Untitled bespuwden of bevuilden.’
Duel hekelt hier op een heel subtielvenijnige manier de kunst en zijn beschermers. Als lezer word je in vertwijfeling gebracht: kunnen we nog wel op de autoriteit aan van de zogenaamde kunstpausen? Die subtiliteit gaat naarmate de geschiedenis vordert echter steeds meer verloren, en dat komt de kritische lading van dit boek niet ten goede. Wanneer Verhooff en Olde Husink in Slovenië het schilderij gaan terughalen en er zelfs ingehuurde criminelen aan te pas komen, gaat het hele verhaal steeds belachelijker klinken. Helemaal wanneer Verhooff zo’n onhandige beweging maakt dat hij het doek, de echte Rothko, doormidden scheurt. Dan valt de hele expeditie nauwelijks nog serieus te nemen als meer dan een vermakelijk verhaaltje.
Laat de Boekenweekgeschenklezers maar lekker lachen, lijkt de achterliggende gedachte. Ondertussen roept de epiloog van Duel alleen nog maar ergernis op als een curator van het MOMA in compleet overdreven lyrische bewoordingen de Untitled No. 18 aanprijst en hem in bruikleen vraagt voor zijn Rothko-tentoonstelling. De ‘kunstkenner’ heeft het hier uiteraard over Duikers kopie. Het ligt er alweer zo dik bovenop, dat alleen nog het nare gevoel overblijft geëntertaind te worden.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.



