Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Congo tussen droom en daad: meer dan een geschiedenis

door Patrick Speel, 18 december 2010

Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs Schaduwjury.
Een biografie, zo zou ik Congo. Een geschiedenis door David Van Reybrouck willen omschrijven, van het gebied aan de westkust van Afrika dat thans officieel ‘de Democratische republiek Congo’ heet. Kern van het boek is de moderne geschiedenis van Congo vanaf 1870 tot 2010. Van Reybrouck heeft zijn boek opgebouwd in vijftien hoofdstukken, waarbij elk hoofdstuk een bepaalde periode belicht. Van elke periode komen er levende getuigen aan het woord, en aan de hand van hun herinneringen ontstaat een rijk geschakeerd beeld van het bestaan in de geschiedenis van Congo. De meest markante persoon met wie we kennismaken is wel ‘Papa Nkasi’, die door zijn onwaarschijnlijke leeftijd (126 jaar!) de belichaming is van heel de moderne geschiedenis van Congo.

Ook de smartelijke avonturen van Disasi Makulo, die ons een niet bepaald eenduidige kijk op de persoonlijke en sociale gevolgen van de slavernij geven, verdwijnen niet snel uit je geheugen. Zoals Van Reybrouck schrijft:

‘Van oudsher werd slavernij in Centraal-Afrika niet in de eerste plaats begrepen als een beroving van je vrijheid, maar als een ontworteling uit je sociale milieu… Je bent wie je kent; en als niemand je kent, ben je niets. Slavernij, dat was niet geknecht zijn, maar onthecht zijn, van huis zijn. Disasi was weggeplukt uit zijn omgeving en blééf weggeplukt uit zijn omgeving.’

Zo subtiel zet Van Reybrouck zijn versie van de geschiedenis van Congo uiteen. Geen detail ziet hij over het hoofd. En ondanks dat je veel verschillende (soms op het oog ook tegenstrijdige) indrukken meekrijgt , waardoor je onmogelijk nog aan een star beeld kan blijven vasthouden, verliest de auteur niet het overzicht en raak je als lezer niet verstrikt in een kluwen van feiten. Van Reybrouck bewijst dat iets wat ingewikkeld is niet per se onontwarbaar is. Hij verstaat de kunst complexe kwesties terug te brengen tot de kern, dat wil zeggen hij maakt het overzichtelijk.

En ook kwesties die voor een westerling nauwelijks ter discussie staan benadert Van Reybrouck genuanceerd, want vanuit de context: ‘Terwijl in het Westen corruptie geldt als onverantwoord gedrag, geldt het in Congo vaak als zeer verantwoord gedrag: wie een gouden kans laat liggen om zijn familie te voeden, is pas onverantwoord bezig.’ Uiteraard gaan dergelijke praktijken ten koste van een ‘duurzame wederopbouw van de samenleving’. Maar mag je überhaupt iets van mensen verwachten als je hen in abstracto aanspreekt over ‘duurzaam verantwoord’, terwijl ze middenin de rauwe werkelijkheid staan met hun onontbeerlijke noden van alledag?

Van Reybroucks vertrekpunt zijn de bekende ‘feiten’ over Congo. Feiten zijn abstract, handig als ankerpunten. Bij Van Reybrouck krijgen die feiten echter een ziel. Een abstract gegeven als de datum 30 juni 1960, de dag dat Congo officieel onafhankelijk werd, leidt Van Reybrouck op zo’n mooie manier in, dat je vergeet dat je leest over een werkelijk gebeurde geschiedenis. Je waant je in een toneelstuk. Met drama tussen de personages, met karakters, een decor.
Neem een scène, een prachtige scène over twee van de grootste kopstukken van de Congolese geschiedenis. Het is 4 januari 1959. De jonge Lumumba (de latere eerste premièr) bezoekt zijn eveneens jonge vriend Mobutu (de latere dicator). De ‘revolutie’ hangt in de lucht. Er stond een meeting van de Abako (een politieke vereniging gericht op het politiek bewust maken van ontwikkelde Congolezen – de ‘évolués’ ) op het programma die echter om veiligheidsredenen wordt afgelast. De burgemeester vermoedde waarschijnlijk oproer vanwege een door de massa laaiend enthousiast gewaardeerde toespraak van Lumumba voor de onafhankelijkheid, een week ervoor.

‘Lumumba en Mobutu besluiten toch een kijkje te nemen. […] Mobutu heeft een scooter […] Mobutu en Lumumba, samen op de brommer, twee nieuwe vrienden […] Lumumba zit achterop. Ze rijden door de warme lucht en praten luid om het geknetter van de uitlaat te overstemmen.’

Twee mannen op weg met allebei de droom van een onafhankelijk Congo.

Echter, zoals wel vaker met dromen, zien we hoe deze droom al na twee en een halve maand (wanneer het ene kopstuk, Lumumba – niet zonder medeweten van de andere kopstuk, Mobutu –, wordt vermoord) aan diggelen wordt geslagen. Van Reybrouck laat op prachtige wijze de opkomst en ondergang van Mobutu zien. Hoe idealen vrij snel kunnen omslaan in machtshonger; hoe daden hun eigen logica in gang zetten en niet meer terug te draaien zijn; hoe macht een doel op zich wordt; hoe de waanzin een machthebber in zijn greep krijgt; maar ook hoe een volk een hun onwelgevallige macht legitimeert.

Door een dergelijke toneelachtige geschiedenis over de valkuilen van de macht kunnen we ook andere geschiedenissen, met andere decors, misschien wel beter begrijpen. Zijn bepaalde fouten van de koloniale beleidsmakers van Congo in een andere context niet ook de fouten geweest van Bush en de Irak-invasie? Houden beleidsmakers en onderdanen in welke samenleving dan ook elkaar niet gevangen in een beknellende symbiose waaruit ontsnappen onmogelijk lijkt – verwoord in de uitspraak dat elk volk de regering krijgt die het verdient?

Alsof je het zelf meebeleeft, via wat hij noemt de ‘kruimels en het gruis’ die de wereld openbaren, dompelt Van Reybrouck met Congo je onder in de onvoorstelbare geschiedenis van een land dat gezegend (want rijk) en gedoemd (want doelwit) zijn noodlot tegemoet is gegaan. Congo gaat over heel veel: over een megalomane en verveelde Koning, roekeloze besluitvormingen, stoelendansen (landjepik), ongelofelijke ontberingen, oerwouden en rivierhandel, geletterde slaven, inheemse ziekten, technologische ontwikkelingen en traditionele leefpraktijken, urbanisatie en het ontstaan van een levendige stadscultuur, dans en muziek, transistorradio’s en revolutie, ongekende wreedheden, sadisme, rassenhaat, rapporten en roofzucht, rubber en diamant, geopolitieke doeleinden, trots en erkenning, inlandse gebruiken en beschavingsoffensieven, wonderlijke genezingen en nieuwe religies…

Congo. Een geschiedenis is een op meesterlijke wijze beschreven (en wellicht daardoor behapbare) inkzwarte inkijk in de strijd om het bestaan. Maar Congo is óók het legendarische verhaal van Jamais Kolonga, een van de muzikanten van ‘African Jazz’, de populaire band van de jaren vijftig in Congo. Deze Kolonga kreeg het voor elkaar dat hij een feest kon bijwonen van de dochter van zijn Vlaamse chef (Kolonga werkte toen bij ‘Het Office des Transports au Congo’). Hij vertelt aan Van Reybrouck:

‘Ik stond aan de bar en keek naar een Portugese dame. Ze danste goed. U moet beseffen dat in 1954 een zwarte geen blanke vrouw mocht aanraken. We konden niet eens met haar spreken! […] Maar bon, ik had haar dus goed zien dansen en vroeg aan haar man of ik ook eens mocht. Zomaar! Dat was een bevlieging van me, een bezetenheid! Maar haar man knikte. Dus ik stapte op haar af en vroeg haar ten dans. Toen heb ik met haar gedanst, een heel nummer lang. Na afloop applaudisseerden de blanken, zelfs de provinciegouverneur!’

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.