Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Italiaan Oude Stijl

door Inez van Eijk, 28 januari 2011

Op de heetste middag van het jaar in het droogste zuiden van Italië wordt de vijftienjarige Aldo uit Nederland overweldigd door de hevigste luddevudde: Anna, met wie hij al sinds zijn zevende tijdens vakanties optrok, heeft zich verloofd met een negentienjarige buurtgenoot. Aldo’s wereld is ingestort: ‘Het had de vakantie van zijn eerste tongzoen moeten worden.’ Zijn Italiaanse grootvader – voormalig barbier en amateurbokser – schudt hem hardhandig uit zijn lethargie: ‘Laat zien dat je kunt uitdelen, dat je kunt incassseren!’

Terwijl opa hem onderwerpt aan een ‘volledige Italiaanse kappersbeurt’ stelt hij Aldo zijn voorvader Bruno ten voorbeeld: sterk als Hercules, ‘onbaatzuchtig, manmoedig en van een onvervalste taaiheid’, zoals alle kerels uit het Naakte Zuiden van Italië. Opeens weet Aldo wat hem te doen staat, zo wil hij ook worden: een Italiaan Oude Stijl, die de ‘volmaakte opstap vormde’ naar hogere doelen en grootse daden. Helaas, weer terug in het dagelijkse leven blijkt Aldo zijn bestaan van Amsterdamse schooljongen slecht te kunnen verenigen met wereldbestormende acties.

Totaal onverwacht doet zich echter de mogelijkheid van een grote daad voor en raakt Aldo’s gevoelsleven in een versnelling. Hij incasseert en slaat van zich af: het ‘weekdier’ waarvoor zijn grootvader hem indertijd uitmaakte, lijkt op weg een kerel te worden, misschien wel een Italiaan Oude Stijl.

Maar hij is er nog lang niet, zoveel is duidelijk. Je zou hem alle goeds willen wensen, want zo betrokken raak je als lezer bij deze puber. Reiziger wil hij worden, met een rugzak vol idealen, of irrigatiedeskundige om het Naakte Zuiden van water te voorzien. Zo’n jongen als Aldo zit alles mee: welgestelde, ontwikkelde ouders en een goed verstand. Je zou hem een verwend jochie kunnen vinden ware het niet dat hij zo bloedserieus nadenkt over zijn leven en het uit alle macht vorm wil geven.

Doordat Maria Stahlie huiselijke, dagelijkse details niet schuwt – je fiets op slot zetten, je jack ophangen, een pan afdrogen, een kat eten geven – betrekt ze de lezer tot op de huid bij haar personage. Door zijn ogen kijk je naar volwassenen en naar begeerlijke meisjes. Je fietst in de stromende regen mee door de Amsterdamse Pijp langs het huis van de ongenaakbare Monica. Je voelt je in het bejaardentehuis net zo opgelaten en onhandig als hij. Bijna ruik je zijn jongenszweet na een partijtje basketball. In de scène waarin Aldo zijn krachten op Laszlo beproeft bereikt ze met haar tergend gedetailleerde beschrijving ongekende spanning.

‘De eerste messtreek. En de tweede. Het ging zoals het moest gaan, het ging simpelweg zoals het moest gaan! Lange halen over de wangen en kaken. Neus naar boven. Korte veegjes. Kin iets verder omhoog. Mes langs de onderkant van de onderkaak. En niets meer. Aldo liet het mes zakken.
“Was dat het al?” vroegen de directrice en Maya bijna in koor.
Aldo schudde zijn hoofd. Hij wist wat hij moest zeggen. Hij zei: “Dit was de aftasting… nu wordt het menens…’ En voor de tweede keer deed hij een greep naar de kom met het schuim.
Het bewegingloze, strakke gezicht onder zijn handen was waarschijnlijk niet het moeilijkste gezicht om te scheren. Aldo merkte dat zijn handelingen vanzelfsprekender werden. Het was zaak om niet naar de ogen te kijken, om alle aandacht te richten op de vierkante centimeters die aan de beurt waren. Korte, nauwgezette streekjes. Mes met vingers van schuim ontdoen. Vingers aan handdoek afvegen. Er ging niets mis, het scheren zat hem in het bloed.’

Die ‘dagelijksheid’ wisselt ze af met vindingrijke beelden zodra ze de lezer in de rol van toeschouwer plaatst: ‘Zo groeide hij definitief uit zijn jongenslijf in een soort van tussenlijf dat groter werd zonder volwassener te worden.’ En: ‘... maar taaiheid? Ho maar! En daarom zat Aldo’s geest vast, muurvast, in een grondoefening die niet alleen knap pijnlijk was maar ook meer dan een beetje verwarrend.’

Zoals in eerdere romans, manoeuvreert Stahlie ook in Scheerjongen de hoofdpersoon in een situatie waarin het erop aankomt, een beproeving, een krachtmeting met zichzelf. In De lijfarts (2002) gaat de hoofdpersoon ook een uitdaging aan waarbij je je hart vasthoudt. En de ik-persoon in Sint Juttemis (2005) wil haar beste vriend uit zijn comateuze toestand verlossen, en Aldo is ervan overtuigd dat hij de katatonisch verlamde oud-wielrenner Laszlo uit zijn verstarring kan wekken. Scheerjongen kent veel van die momenten waarin de lezer zou willen ingrijpen en Aldo zou willen behoeden voor wat hem te wachten staat.

Hoe het ook zij, de thema’s van Stahlie mogen dan overeenkomst vertonen, de uitwerking ervan verrast, altijd weer.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.