Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Wachten op niets

door Emeraude van Deenen, 4 juni 2011

Het chronische gevoel een onzichtbare luier te dragen: dat is waar het hoofdpersonage in David Nolens’ roman De kunst van het wachten mee kampt. Hij begeeft zich als succesvol agent in de reclamewereld, maar na een campagne voor push-up slips voor mannen die verlangen naar een ‘pronte bips’ is de maat voor Jack vol. Hij krijgt steeds meer het gevoel dat zijn leven, hoewel comfortabel, zinloos is, en raakt steeds minder overtuigd van zijn eigen geluk.

In zijn wanhoop gaat Jack de straat op om de eerste beste voorbijganger een klap te verkopen. Alhoewel hij hierdoor voor even het gevoel heeft dat hij leeft, duurt het niet lang voordat die voorbijganger hem heeft ingehaald en hem bewusteloos slaat. Na dit semigevecht, dat door Nolens’ droge schrijfstijl behoorlijk op de lachspieren werkt, wordt Jack bebloed wakker in een Iers café tegenover een man die Roman blijkt te heten. Roman, die ‘staatloos’ is en dus geen nationaliteit heeft, maakt een enorme indruk op Jack. Samen met hem komt ‘het probleem’, het hoofdmotief van het boek, in Jacks leven:

‘“Er ligt rust in het verschiet,” zei Roman, “maar eerst moet ik nog iets afhandelen. Een probleem.”
“Wat dan?” vroeg Jack hoopvol.
Het antwoord was even potsierlijk als verontrustend:
“De mens.”’

Jack weet niet precies wat dit wonderlijke probleem inhoudt maar raakt er wel door geobsedeerd. Wanneer Roman en hij Klaus ontmoeten, een jonge Groenlander met een drankprobleem en zelfmoordneigingen, trekken ze gezamenlijk naar Kopenhagen.

Vanaf het moment dat Roman in Jacks leven komt begint ‘het wachten’. Waarop wordt gewacht is Jack niet duidelijk, maar hij realiseert zich dat het in verband staat met ‘het probleem’, en dat er nog veel meer wachtenden zijn. Nolens zet onze snelle westerse maatschappij in als setting voor zijn roman, maar verheft juist de randfiguren – zwervers, verslaafden, asielzoekers, illegalen – tot heersers (‘Zie ons hier lopen als koningen. Dit is wat we zijn, Jack, we zijn koningen!’). Het zijn namelijk de wachtenden die zich onttrekken aan de moderne slavernij van onze maatschappij. Jack, die zich aanvankelijk nog in de ‘eerste kamer’ bevindt en nog met één been in de maatschappij staat, probeert de kunst van het wachten ook onder de knie te krijgen.

Dit gaat hem niet gemakkelijk af, maar wanneer Klaus een zelfmoordpoging onderneemt, verandert er iets in Jacks houding ten opzichte van het leven. Hierdoor daalt hij af naar de tweede kamer. Wie zich in deze fase van het wachten begeeft kan zich ontrekken aan het ‘moeten’ dat de maatschappij men oplegt, waardoor Jack nu werkelijk kan wachten zonder doel. In de tweede kamer realiseert Jack zich dat hij nog steeds niet het niveau van Roman en de anderen heeft behaald; wellicht is er nog een derde kamer.

Nolens geeft in De kunst van het wachten een confronterend beeld van een wereld die voor velen verborgen blijft, waardoor de lezer gedwongen wordt tot reflectie op de eigen maatschappij. Nolens plaatst de sociaal ongeaccepteerden in een ander licht en bombardeert de welvarenden daarmee tot blinde volgers die meedeinen op de golven van het kapitalisme. Wanneer Jack in de tweede kamer terecht komt, lijkt zijn gepeins over het wachten en het probleem even een langdradig karakter te krijgen, waar Nolens vervolgens slim opin speelt:

‘Deze tweede kamer zou aan hen [de niet-wachtenden] verspild zijn en onmogelijk te beschrijven. Zelfs al zou hij een jaar uittrekken om de tweede kamer op schrift te stellen, dan zou het resultaat de onwetende lezer ergeren.’

In deze passage wordt de lezer van de roman die zich door de lichte eentonigheid van het verhaal enigszins begint te ergeren indirect aangesproken als een niet-wachtende, aan wie een beschrijving van de tweede kamer verspild zou zijn. Zo’n typering die de lezer dwingt naar zijn eigen plaats in de maatschappij te kijken, is typerend voor de hele roman. Maar de eigenzinnige humor die in het verhaal doorklinkt zorgt ervoor dat de roman geen persoonlijke aanval op de lezer wordt. De opeenvolging van vreemde, soms tamelijk onrealistische gebeurtenissen in combinatie met de bonte figuren die zich bij de wachtenden aansluiten, zorgen voor nuancering van de zware lading van de roman.

David Nolens schrijft met De kunst van het wachten een roman over ‘het probleem’, dat hij niet beschrijfbaar maar wel voelbaar maakt. Wie het boek uitleest heeft de kunst van het wachten waarschijnlijk nog niet onder de knie, maar bevindt zich wellicht in de eerste kamer. De belachelijkheid van onze westerse samenleving komt ook tegen het einde van het verhaal tot uiting in de push-up slip:

‘Van de weeromstuit zag Jack nu bij heel wat mannen een pronte bips, zodat hij vermoedde dat de push-up-slip, waarmee zijn bestemmingsvlucht was begonnen, ingang had gevonden. Maar waren de klassieke pantalons wel aangepast aan de iets dikkere siliconen van de nieuwe broekjes? Het leek toch of heel wat van de zich altijd voortbewegenden moeilijker liepen, of ze een luier droegen. Hun billen schuurden, hun kont stak te veel omhoog, de kont van een loopse baviaan.’

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.