Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Seks, drugs en eurodance

door Irwan Droog, 6 augustus 2011

In 2009 won Renske Jonkman de Lowlands Blogprijs. In 2011 staat ze opnieuw op het festival, dit keer als literair debutante. In haar eerste roman, Zo gaan we niet met elkaar om, volgen we Hazel Friedman in twee fases van haar leven: als klein meisje in Heerhugowaard en als losgeslagen studente in een Amsterdams kraakpand. De psychische problemen van haar oudere broer Jaris hebben ook op Hazel grote invloed: zijn verhaal is vervlochten met de vertelling van haar eigen opgroeien in deze sfeervolle coming of age-roman.

Van Coco Jamboo tot de Arctic Monkeys


Hazel groeit op in de jaren negentig, die Jonkman levendig verbeeldt. Hiervoor zet ze tal van culturele referenties in, die (al dan niet warme) herinneringen zullen oproepen bij lezers die ooit de songtekst ‘Put me up, put me down. Put my feet back on the ground’ hebben meegezongen op schoolfeesten. Naarmate Hazel ouder wordt, verandert ook de muziek waar ze naar luistert: zo komen ook Sheryl Crow, Nirvana en de Arctic Monkeys voorbij met passende songteksten.

In afwisselende hoofdstukken zijn de jonge en de oudere Hazel aan het woord. Haar kinderlijke belevingswereld, vol geheime codetaal en zelfverzonnen regels (‘Als de aanhanger over de middenstreep gaat dan komt Jaris nooit meer terug’), krijgt overtuigend gestalte. Uit haar stem klinkt onschuld:

Ik loop naar de kamer van Jaris. Alleen een dunne gipswand scheidt onze kamers zodat we altijd alles van elkaar kunnen horen, zoals de muziek van de Smashing Pumpkins of Pearl Jam die Jaris elke dag draait. Ik houd niet van de muziek van de Smashing Pumpkins of Pearl Jam omdat het mij aan de kettingzaag van onze buurman doet denken. En ik kan er niet goed door nadenken, bijvoorbeeld over de vraag waarom de blauwe vinvis van alle dieren op de wereld het hardste geluid maakt.

Krioelende sterrenstelsels


Hazels naïviteit en haar bewondering voor Jaris typeren de passages waarin het gezin nog probleemloos samenleeft. Die situatie blijkt echter onhoudbaar wanneer Jaris steeds meer ontwijkend gedrag vertoont. Zijn interesse voor het communisme slaat door in eigenaardige visies op de machtsverhoudingen tussen man en vrouw, hij krijgt een obsessie voor zijn bijbel en raakt onderwijl vervreemd van Hazel en de rest van het gezin, tot op het punt dat opname in een psychiatrische inrichting onvermijdelijk is. Wanneer haar rolmodel wegvalt, ontpopt de volgzame Hazel zich tot dolende adolescente. Ook haar latere rol als recalcitrante, vreemdgaande en zuipende studente is voorzien van een passende stem; afstandelijk, alsof ze van buiten naar zichzelf kijkt:

Ik trok mijn knieën op, leunde achterover op de bank, pakte de joint van Das aan en nam een paar flinke halen. Daarna draaide ik mij om en wreef met de achterkant van mijn hand de dauw voor het raam weg. Het rode licht van de straat scheen onze huiskamer binnen. Aan het einde van de straat schoven de hoerenlopers aan de huizen voorbij, zwarte schimmen in de avond. In een hoek van de kamer stond de tv op bbc’s Gardeners World – vaste prik op vrijdagavond – en tuinman Monty Don was zojuist begonnen met de sperziebonentest. Elke sperzieboon kon gecategoriseerd worden als ‘crunchy’, ‘sweet’ en ‘spicy’. Hierna zou de Antiques roadshow beginnen. Tegenover mij had Keizer een kleffe hand op de knie van Sander gelegd. Als je niet beter wist dan zou je denken dat we een gezin waren.

Dat Jonkman zorgvuldige aandacht heeft besteed aan het taalgebruik blijkt ook uit haar beeldende metaforiek: ‘Het licht komt maar door één raam de schuur binnen en verandert meteen in stof, alsof iemand met zijn voet op een zanderige zeebodem is gaan staan.’ En: ‘Weg van de mensen, de krioelende lichamen die als sterrenstelsels door aantrekkingskracht tegen elkaar opbotsten en het universum imiteerden.’ Hazel zou met haar voorliefde voor sterren zomaar vernoemd kunnen zijn naar het gelijknamige nummer van Bob Dylan, die zijn Hazel ‘stardust in her eye’ toedichtte.

Hemmerechts met humor


Toevallig maar opvallend zijn de parallellen met Kristien Hemmerechts’ Gitte: het meisje in de hoofdrol als sensitief kind en losbandige studente, de verdwenen broer met psychische problemen, het wisselen tussen stad en dorp – zelfs Heideggers Zijn en tijd fungeert in beide romans als eye-opener voor de personages. Een verschil tussen beide romans is de humor, waar Jonkman duidelijk in uitblinkt – vooral de episodes met Hazels huisgenoten Das en Keizer zorgen wellicht niet voor schaterlachen, maar minstens voor een prettig evenwicht tussen humor en ernst.

Die balans wordt slechts verstoord door de geringe aandacht voor oudere zus Mensje – slechts haar naam suggereert een menselijk persoon – en het geforceerde gefilosofeer van Hazel (‘Was wat ik dacht de waarheid, alleen omdat ik degene was die het dacht?’). Echte diepgang blijft uit, maar de nieuwsgierigheid naar de ontrafelende afloop van de verhalen blijft. Met de hoogtepunten vooral in enkele talige hoogstandjes en met een doordachte maar toegankelijke structuur levert dit veelbelovende debuut grote verwachtingen op.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.