Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Een onmogelijke romance in H****

door Tim Lommerse, 30 oktober 2011

Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs 2011 Schaduwjury
In De weldoener vertelt Thomése het tragische verhaal van ‘de beste nog levende H***se componist’, Theo Kiers.
Sierk Wolffensberger, zoals onze componist zelf liever genoemd wil worden, is getrouwd met een adellijke vrouw, Ghislaine, van wie hij ook een zoon heeft: Theóphile. Hij voelt zich gevangen in zijn middelmatige bestaan en schuift de schuld vooral zijn vrouw in de schoenen. Haar, en de provinciehoofdstad H*** waarnaartoe hij teruggekeerd is.

De machteloosheid die hij op dat moment voelt wordt al op de eerste pagina scherp verwoord:

‘Hij zou als een razende gek moeten huishouden in het hart van deze onverdraaglijke tevredenheid: laaiende branden stichten, bloed in kelen laten gorgelen, de dag der wrake voltrekken.’

In dit gedeelte grossiert Thomése in het gebruik van ellenlange zinnen en artistiek taalgebruik, als om de sleur waar Sierk op dat moment in zit te benadrukken. Zijn muziek is hem alles en het frustreert hem dat hij vastzit in H***:

‘In zijn hoofd zingen twee sopranen een partij die hij op het moment aan het instuderen is, de stemmen glijden moeiteloos in elkaar over tot ze verklinken in volmaakte samenklank, precies zoals hij het bedoeld heeft, zo zuiver, zo onaards werkelijk, alsof er iets met gewelddadige handen wordt opengerukt en een schitterend licht door het geschonden decor heen breekt. En als in een videoclip ziet hij de stad door de vuurzee verzwolgen worden, de straten overspoeld worden door slachtbloed, gorgelend uit duizend-en-één kelen.’

Na het lezen van de eerste bladzijden lijkt De weldoener een klaagzang van een miskende artiest te worden. Gelukkig nemen Sierks leven en daarmee de roman en zelfs de schrijfstijl van Thomése een grote wending.

Wanneer Sierk op een dag te vroeg is voor de repetities van zijn koor, vindt hij in de kerk waar het stuk opgevoerd moet worden een meisje dat meer dood dan levend is. Dit meisje blijkt later Beertje te zijn, de dochter van Lou Wehry, de grootste muzikale concurrent van Sierk die wel buiten H*** bekend is geworden met zijn composities. Sierk redt Beertje, en ‘terwijl hij naar het ziekenhuis rijdt, beseft hij dat hij haar voor zichzelf wil houden.’ Dat is het punt waarop Sierk als het ware overschakelt van zijn verstand op zijn gevoel. Dat zie je terug in de schrijfstijl die Thomése hanteert. De zinnen worden korter en toegankelijker. Een groot deel van de roman is nu gericht op de innerlijke strijd die Sierk voert om de op zijn zachtst gezegd opmerkelijke beslissingen die hij neemt voor zichzelf te verantwoorden. Daarbij weet hij niet alleen zichzelf te overtuigen, maar wint hij ook de sympathie van de lezer. Je beseft heel goed dat Sierk irrationeel bezig is, maar je voelt medelijden met hem en hoopt dat het goed met hem afloopt.

Behalve van schrijfstijl wisselt Thomése vanaf dit punt ook vaker van perspectief. De gedachtestroom van Sierk wordt als het ware gerelativeerd door korte stukjes vanuit het gezichtspunt van de nevenpersonages. Deze stukjes geven de lezer meer informatie dan Sierk zelf heeft, waardoor het gevoel van naderend onheil des te sterker wordt. Zo denkt Ghislaine Beertje te herkennen in een opsporingsbericht van haar vader: ‘Is het niet hetzelfde meisje dat door Théophile… Nadat hij met Leopoldine en voordat hij met Anouk…’ Zelf verwerpt ze de gedachte al snel weer, maar als lezer zie je weer een probleem toegevoegd worden aan de moeilijkheden van Sierk: de link tussen Beertje en Sierks zoon is gelegd.

Op het eind spreekt de verteller ons zelfs rechtstreeks toe, zonder tussenkomst van een personage. Dit doet hij noodgedwongen, omdat beide aanwezigen niet in staat zijn hun observaties te delen:

‘Zie ze hier liggen. Verdoofd door de pillen en allengs bedwelmd door de walm, zijn ze mogelijk reeds ingegaan tot het mysterie der dingen waar zoals bekend niemand uit terugkeert om het te komen navertellen.’

Tussen neus en lippen door geeft de verteller dan ook nog een reflectie op de aanleiding tot alle gebeurtenissen: de poging tot zelfmoord van Beertje. ‘Wat Beertje bezielt in dezen, blijft tamelijk obscuur. Misschien is het een pose, misschien een uitdagen van hem, of van Théophile (of zelfs van Lou Wehry), maar wie weet wordt zij oprecht gedreven door het waanbeeld zich voorgoed te scheiden van zichzelf, waar het doodsverlangen in de praktijk op neerkomt.’ Sierk is er al die tijd van overtuigd geweest dat Beertje de zelfmoordpoging deed omdat ze door hem gered wilde worden. In één zin grijpt Thomése hier terug naar die overtuiging en trekt deze in twijfel.

De weldoener is een meeslepende roman vanaf het moment dat Sierk door een onbedwingbaar verlangen gegrepen wordt. Je moet wel blijven lezen. Gewoon, omdat je hoopt dat Sierk toch op tijd wakker wordt uit de droom die hij leeft en niet aan zijn fantasieën ten onder gaat.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.