Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Van de hak op de tak maar vol vuur

door Renske Bonnema, 16 november 2011

Dit is een recensie in het kader van de AKO Literatuurprijs-schaduwjury 2011. Zie ook de voorpublicatie op Athenaeum.nl.
De essays in de bundel Kus me, straf me van literair recensent van De Groene Amsterdammer en schrijfster Marja Pruis (1959) zitten vol vuur. Over talrijke binnen- en buitenlandse auteurs geeft ze gepassioneerd haar ongezouten mening. In een voorwoord vertelt ze over een schriftje dat ze als kind had. Op het etiket schreef ze ‘van alles en nog wat’, wat ook heel goed de titel van dit boek had kunnen zijn. Maar Kus me, straf me is uitnodigender. En het moet gezegd: Pruis slaagt er goed in haar lezers uit te nodigen tot lezen.

Haar boek bestaat uit een combinatie van beschouwingen over literaire kritiek, persoonlijke verhalen en fictie, deels eerder gepubliceerd werk, al dan niet herschreven, aangevuld met nieuwe stukken om de bundel tot een geheel te smeden. De essays zijn gestructureerd rond een aantal thema’s zoals schrijvende weduwes, geweld in literatuur en wat ‘een schrijver in de familie’ zoal teweeg kan brengen. Pruis weet zo sterk te enthousiasmeren dat je zin krijgt om de romans die ze aanprijst te gaan lezen en dat is misschien wel de grootste verdienste van dit nogal van de hak op de tak springende geschrift.

Het stuk over vrouwelijke auteurs ‘Gelukkige vrouwen schrijven niet’ behoort tot de best uitgewerkte essays van de bundel en is ook nog eens erg vermakelijk. Pruis stelt dat de vrouw lang ondergewaardeerd werd en dat ze nooit de kans had zich alleen op het schrijven te richten omdat ze ‘met taaie draden vastzit aan de dagelijkse beslommeringen van het bestaan’. De literaire kritiek werkte ook niet erg mee, ‘vrouwen waren er volgens hun mannelijke collega’s goed in dagelijks gewauwel te kopiëren, maar de kern van het drama wisten ze nooit te raken.’ Om deze ferme uitspraken kracht bij te zetten komt Pruis met een vlootschouw aan conclusies van recente en minder recente onderzoeken naar literatuur geschreven door vrouwen, steeds onderbouwd met voorbeelden. Of er een verschil bestaat tussen mannen- en vrouwenliteratuur en of de kritiek anders reageert wanneer het om vrouwelijke auteurs gaat, komt eveneens aan de orde. De laatste regels van het essay luiden: ‘Schrijft een man over zijn gezinsleven, dan is het fascinerend. Doet een vrouw hetzelfde, dan wordt haar kortzichtigheid verweten, of een preoccupatie met persoonlijke wissewasjes.’

Het hoofdstuk ‘Schrijvende weduwes’ is sappig. Pruis definieert het werk van een schrijvende weduwes als wanhopige pogingen een uniek leven en een unieke liefde tot leven te wekken. De weduwe voelt zich schatbewaarder van het zielenleven van haar overleden man. De geschriften van vier weduwen, waaronder Connie Palmens I.M., neemt Pruis onder de loep en worden onderling vergeleken en van kritiek voorzien. De vraag die Pruis stelt, is wat deze romans nu eigenlijk toevoegen aan de nagedachtenis van de echtgenoten. Mooi is hoe ze de uiteenlopende visies van verschillende schrijvende weduwes in kaart brengt. Simone de Beauvoir: ‘Je kunt het niet uitspreken, je kunt het niet opschrijven, je kunt het niet vatten; je beleeft het, dat is alles.’ Renate Rubinstein: ‘Ik wil om mij te troosten en hem te eren doen waar een weduwe voor is: een monumentje bouwen.’ Clara Eggink: ‘Ik heb getracht op te schrijven wat ik gezien heb.’ Connie Palmen: ‘Het zal worden wat ik ervan maak.’

In het korte hoofdstuk ‘Het Zwitserlezengevoel’ schaart Pruis het werk van Kees van Beijnum, Herman Koch en Tim Krabbé onder één noemer: Upmarket entertainment. Volgens haar geven zij de lezers precies wat ze willen en wat ze verwachten: ‘een goedgecomponeerde, krachtig geschreven roman, met een kop een staart en een weemoedige, troostende boodschap daartussenin.’ De auteurs halen volgens haar steeds hetzelfde trucje uit, maar dat levert wel goede boeken op. De romans worden echter nooit pijnlijk, waardoor ze het grote publiek aanspreken.

De thematische indeling zorgt voor enige samenhang in de bundel, maar van een eenheid is nauwelijks sprake. Zo komen er talrijke auteurs aan de orde die weinig met elkaar te maken hebben: van Jane Austen en Sartre tot Kluun en Koch. Het gebruik van veel voorbeelden maakt de bundel veelzijdig, maar soms ook wat te wijdlopig. Was het boek iets strakker gecomponeerd en geschreven geweest, dan zou er misschien gemakkelijker een lijn in te herkennen zijn, waardoor het aan leesbaarheid had gewonnen.

Vermoedelijk heeft Pruis samenhang tussen de afzonderlijke essays willen suggereren door voor haar essays persoonlijke invalshoeken te kiezen en vervolgens een literair beschouwende kant op te gaan. Kus me, straf me bevat ook drie fictionele verhalen, die echter volkomen losstaan van de beschouwingen en in die zin niets toevoegen. Vooral voor lezers die in staat zijn in deze bundel ‘van alles en nog wat’ op te duikelen waarmee ze zelf aan de slag kunnen, is dit boek de moeite waard, maar een ideale cultuurhistorische of literair-kritische essaybundel heeft Pruis met Kus me, straf me niet afgeleverd.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.