Laura Broekhuysen
Hellend vlak
(2011)
Querido
213 pagina's
€ 18,95
ISBN 9789021440194
Steun Recensieweb en koop dit boek bij Athenaeum (24-uurslevering)
oordeel
andere recensies
Verloren in een fantasiewereld
door Eva Vonk, 13 december 2011
In Hellend Vlak, het derde boek van Laura Broekhuysen, staat een gezin centraal dat zich heeft teruggetrokken in een IJslands fjord. Moeder Wobke houdt er een verborgen agenda op na, vader Edward wil zich niet met zijn gezin bemoeien en brengt daarom veel tijd door in de kelder. Van hun kinderen, zes of zeven jongens (het precieze aantal blijft onduidelijk) en het enige meisje Lidewijde, staat die laatste, een kleuter die vooral in haar fantasiewereld leeft, centraal. Dan is er ook nog de liervogel Melchior. Edward heeft hem in zijn kelder opgesloten, waar Melchior (een notoir nabootser van geluiden) nog nooit iets gehoord heeft. Als Lidewijde hem ontdekt en bevrijdt, wordt hij een volwaardig lid van het gezin, maar wanneer hij zich ontpopt tot klikspaan is niets van wat er in huis gezegd wordt nog veilig. Het idee om een familie op deze manier te karakteriseren is zeer origineel, en tevens het sterkste punt van de roman.
Broekhuysen debuteerde op 19-jarige leeftijd met het jeugdboek Zand erover en liet in 2008 met de roman Twee linkerlaarzen zien dat ze ook het talent bezit om een volwaardige roman voor volwassenen te schrijven. In Hellend vlak slaagt ze erin de problemen waar een gezin mee kan kampen overtuigend neer te zetten. De ouders, allebei musicus, worden het maar niet eens over de opvoeding van Lidewijde. Wobke wil bijvoorbeeld dat Lidewijde viool leert spelen, maar Edward wil hier niets van weten. Op deze kwestie na wil Edward eigenlijk geen invloed hebben op het gezin: hij wil niet dat zijn kinderen hem als een voorbeeld zien, maar ook niet als iemand om zich tegen af te zetten. De kinderen hebben het daar erg moeilijk mee:
‘De afwezigheid van jouw lichaam beïnvloedt de akoestiek in het hele huis, onze stemmen kaatsen op kale muur, het klinkt hol in de leegte, we horen liever hoe onze stemmen jou tegen de borst stuiten!’
Opvallend is dat de broers hun ouders met hun voornaam aanspreken en Lidewijde vaak ‘het kind’ wordt genoemd. Vooral dit laatste benadrukt de afstandelijke en onpersoonlijke verhoudingen binnen het gezin. Nadat de liervogel uit de kelder bevrijd is, en iedereen er bang voor is dat geheimen openbaard worden, neemt de onrust in het huis toe. Het is aannemelijk dat Lidewijde zich door deze spanningen en de plagerijen van haar broers teruggetrokken heeft in een eigen wereld. Ze vangt allerlei geluiden op, ze hoort alles – maar welke geluiden ze in haar gedachten hoort en welke echt zijn, blijft een raadsel.
In haar droomwereld is het niet duidelijk wat werkelijkheid is en wat niet. Haar broers maken haar bijvoorbeeld bang met verhalen over Grýla, een vrouw die het op kleine kinderen gemunt heeft. Maar bestaat deze vrouw echt, of leeft ze alleen in de fantasie van Lidewijde? Het is zelfs de vraag of haar broers wel echt bestaan, omdat ze vergeleken worden met de raven uit een sprookjesboek. In het laatste hoofdstuk spreken deze raven hun zusje zelfs aan – is dat wel echt, of bestaan ze alleen in Lidewijdes verbeelding? Deze onbeantwoorde vragen maken het lastig om grip op het boek te krijgen.
Ondanks de onduidelijke scheidingslijn tussen werkelijkheid en fantasie gebeurt er vrijwel niets in Hellend vlak. Dit maakt het verhaal nogal saai: je wacht op ontwikkelingen, maar die blijven uit. De dagelijkse bezigheden draaien vooral om Lidewijde. Interessant is wel hoe die verteld worden: zo wordt er veel geobserveerd door een adelaar, waarvan Lidewijde denkt dat hij haar beschermt, maar op andere momenten wordt alles door de ogen van de broers of door een alwetende verteller waargenomen.
Het is jammer dat de personages oppervlakkig blijven, waardoor je veel zelf moet invullen. Wat moeder Wobke precies uitvoert, komen we niet te weten. De broers worden vaak als één persoon opgevoerd. Een enkele keer draait het alleen om broer Pauk, en word je nieuwsgierig naar de rest van de broers, maar afzonderlijke karakters worden niet verder uitgewerkt. Ook het taalgebruik van Broekhuysen werkt weinig verhelderend: het lijkt alsof zij het literaire gehalte van haar zinnen, die soms zelfs rijmen, belangrijker vindt dan het verhaal dat ze ermee wil vertellen. Op het eerste gezicht lijken het mooie, poëtische zinnen, maar naarmate je verder leest, komen ze steeds meer gekunsteld over. De overdaad aan uitgewerkte details lijkt geforceerd, en voegt niets toe aan de inhoud:
‘Voor het volkje, met hun gebrek aan perspectief, diep in het dal, de bezige burgertjes, malle pietjes, propvol ambitietjes in hun laag-bij-de-grondse huisjes en petieterige vehikeltjes, klem onder een wolkenstolp, blind als de kipjes, doof als de kwartels, blijft het wachten op de goede afloop.’
Wanneer dergelijke (van veel adjectieven voorziene) opsommingen gedoseerd gebruikt worden, kunnen ze een verhaal iets extra’s geven. De hele roman bestaat echter uit dergelijk taalgebruik. Daar staat tegenover dat Broekhuysen verrast met de manier waarop ze de problemen binnen het gezin aansnijdt. Het is goed mogelijk je een voorstelling te maken van de problemen waar het gezin mee te maken heeft en je in te leven in de gedachtespinsels van Lidewijde.
Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.



