Recensieweb. Nieuwe literatuur. Nieuwe gidsen.

nieuwste recensies

Een requiem voor het leven

door Bareez Majid, 13 december 2011

Filip Rogiers, politiek en sociaal journalist van De Standaard, focust in zijn prozadebuut Nauwelijks lichaam op de intermenselijke relaties in een steeds individualistischere maatschappij. In vijf verhalen beschrijft hij het moment waarop personages een onomkeerbaar einde tegemoet gaan. De bundel draait om verbrokkelde levens, gespleten karakters, verhaalflarden die samen toch een eenheid vormen. Rogiers is er daarmee in geslaagd een collage te creëren, die de versnipperde en uiteengerukte levens van de vijf hoofdpersonen stilistisch alsook inhoudelijk verbindt.

Voorafgaand aan het moment waarop we als lezer worden geïntroduceerd in de levens van de hoofdpersonen, dachten ze allen volledige controle te hebben over hun leven. In werkelijkheid dobberden ze op een onberekenbare zee. De zee wordt door Rogiers gebruikt als terugkerende metafoor voor een leven dat op het eerste gezicht kalm lijkt, maar gaandeweg in een kolkende massa verandert; het leven vormt een labyrint waar de personages zelf in verdwalen.

Het idee van een alles overspoelende zee, een krachtige golfstroom waar mensen in verdwijnen, kan tevens worden gezien als een verwijzing naar het inzicht dat de personages gaandeweg verwerven over het leven zoals ze dat tot dan toe hebben geleid. Ze worden geconfronteerd met hun eigen identiteit en beseffen dat hun hele leven altijd in het teken heeft gestaan van anderen.

Berenice, hoofdpersoon van het verhaal ‘Nauwelijks lichaam’ komt bij haar dreigende ontslag bijvoorbeeld tot het besef dat ze altijd onzichtbaar door het leven is gegaan en volstrekt vervangbaar is. De titel slaat op haar gevoel nooit écht gehandeld te hebben, dat ze nooit op natuurlijke wijze ‘in’ haar lichaam heeft gezeten, maar altijd in een vage en besluiteloze tussenwereld heeft gezweefd.

Met een soortgelijk gevoel van onmacht wordt Lillian, de hoofdpersoon uit het vijfde verhaal ‘Aire de la Sentinelle’ geconfronteerd wanneer ook zij wordt ontslagen: ‘En daarna, de vijftig nabij, was ze zelf weggecijferd. In de foute kolom beland bij de plannen voor een herstructurering, volgend op een fusie, die zelf was gevolgd op een synergie met een concurrerend bedrijf.’

Uiteindelijk wordt de chaos van hun leven de personages te veel. Zelfs de zee weigert deel uit te maken van hun bestaan. ‘“Nee,” zei de zee, “ik doe niet meer mee. Met al dat eb en vloed, mijn God, ik word niet goed.”’ Het enige waar ze ten slotte nog naar verlangen is stilte en rust. Kenmerkend is de stelling van de man van Lillian: ‘“Want pas wanneer er rust is wordt men bewust van eigen onrust.”’

Het quasidiepzinnige niveau van deze uitspraak komt helaas te vaak terug in de opvattingen van de personages. De stem van de verteller is overal in het boek duidelijk aanwezig, waardoor er te weinig ruimte overblijft voor een uitdieping van hun gevoelens of belevingswereld. Daardoor heeft de lezer voortdurend het idee een ongeordend en quasifilosofisch essay te lezen.

Rogiers heeft bewust gekozen voor een zeer afstandelijke vertelwijze die de vervreemding van de personages zou moeten weergeven. Echter, door deze te doorspekken met beschouwingen die net te conceptueel zijn en bovendien constant tegen het clichématige aan zitten, werkt dit averechts: de verteller lijkt zijn eigen moralistische ideeën interessanter te vinden dan de personages, die slechts een spreekbuis vormen voor zijn opvattingen. Zij spreken uit het niets reflecties uit over het wezen van taal. Het gebruik van het woordje ‘men’ bijvoorbeeld, wordt door Rogiers op de volgende manier door Lillian vertaald:

“‘Men”. Onpersoonlijk persoonlijk voornaamwoord. [...] “Men” is de taal van het verlies, voorafgaand aan de val. Hoogachtende groeten van nergens, niemand tot iets verbindend. Nu. “Men” is een gevecht tegen weemoed. Een godganse dag.’

Waar deze personages aan de ene kant laaggeschoold zijn en juist daardoor ook weinig grip lijken te hebben op hun leven, zijn ze soms opeens in staat te reflecteren op alles waar ze juist geen grip op zouden hebben.

Waar de verhalenbundel in eerste instantie de potentie heeft om een sobere maar meeslepende weerspiegeling van het moderne leven te vormen, leiden de vertelstijl en de soms pijnlijk oppervlakkige observaties van de hoofdpersonen er uiteindelijk toe dat we weinig om de personages gaan geven. ‘“Taal wil geen grammatica, leven geen regels”’, roept een van hen uit. Nauwelijks lichaam doet ons beseffen dat als we van het leven verlangen dat het ons geen regels oplegt, we van een auteur kunnen vragen dat hij de lezer vrijlaat zijn verhalen op eigen manier te beleven en niet dichtmetselt met normatieve beschouwingen. Door de personages onderdeel te maken van een soort filosofisch pamflet, laat Rogiers juist de mogelijkheid varen een wereld weer te geven die echt wordt geteisterd door stuurloosheid en willekeur.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.

Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.

Dit artikel is geprint van Recensieweb - www.recensieweb.nl.

Het auteursrecht berust bij de respectieve auteurs van de teksten op Recensieweb.
Het voortbestaan van Recensieweb mogelijk maken? Steun ons.